(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Children's Library | Biodiversity Heritage Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "Eene Middelnederlandsche vertaling van het Antidotarium Nicolai, Ms. 15624-15641, Kon. Bibl. te Brussel, met den Latijnschen tekst der eerste gedrukte uitg. van het Antidotarium Nicolaï. Uitg. door W.S. van den Berg"

I 



I 



<, 



? 




EENE MIDDELNEDERLANDSCHE VERTALING 



VAN HET 



ANTIDOT ARIUM NICOLAI 



EENE MIDDELNEDERLANDSCHE VERTALING 



VAN HET 



ANTIDOTARIUM NICOLAI 



(Ms. 1S624— 15641, Kon. Bihl. te Brussel) 



MET DEN LATIJNSCH^N TEKST DER EERSTE GEDRUKTE 
UITGAVE VAN HET ANTIDOTARIUM NICOLAÏ 



UITGEGEVEN 



W. S. VAN DEN BERG, 



MED. DOCT^. ARTS 



N. V. BOEKHANDEL EN DRUKKERIJ 
VOORHEEN E. J. BRILL, LEIDEN. 1917 







BOKK DRUKKERIJ voorheen e. j. imnx. — lkidkn. 



\ 



VOORWOORD. 



Dit werk is het resultaat van de nasporingen van wijlen mijn' 
broeder, die de uitgave van eene middelnederlandsche vertaling 
van het Antidotarium Nicolai als onderwerp voor zijne dissertatie 
gekozen had. Aan de reeds voor de helft afgedrukte stof behoefde 
door hem nog slechts de laatste hand te worden gelegd, toen hij 
plotseling na eene korte ziekte uit dit leven werd weggeroepen. 

Ik wil van deze gelegenheid gebruik maken, mijn' hartelijken 
dank te betuigen aan prof. dr. E. C. VAN Leersum, die de 
promotor van mijn' broeder zou zijn geweest en die door zijne 
welwillende hulp hem en daarna mij in staat heeft gesteld, aan dit 
werk de bestemming te geven, die ervoor beoogd was, n.1. eene 
bijdrage te leveren tot de geschiedenis der geneeskunde. 

SOPHIE J. VAN DEN BERG. 
Delft, Maart 19 17. 



INHOUD. 



Pag. 

Voorwoord 

Inleiding '^* 

I. Salerno en de Salernitaansche school IX. 

II. Nicolaus en het Antidotarium XIV. 

III. Het middelnederlandsche hs. en de editio princèps xix. 

Litteratuuropgave XXili. 

Lijst van afkortingen xxix. 

Overzicht van praeparaten XXXI. 

Middelnederlandsche en Latijnsche tekst van het Antidotarium 2. 

Woordenlijst ^94- 



INLEIDING. 



I. Salerno en de Salernitaansche School. 

Salerno^ volgens haren bekenden geschiedschrijver Joh. Ant. 
Summonte, de schoonste stad van Italië, zou, naar het beweren 
van sommige menschen, haren naam ontleenen aan den Silaris, 
een riviertje, dat zich door vruchtbaar bouw- en weiland een' 
weg naar zee baant '). Reeds in de middeleeuwen was de ouder- 
dom der stad spreekwoordelijk. Omtrent hare vroegste geschie- 
denis is men geheel aangewezen op enkele opmerkingen van 
Lucanus, Strabo, Plinius e. a. Romeinsche geschiedschrijvers. 
Tegenwoordig houdt men Salerno voor eene oorspronkelijk 
Grieksche nederzetting, welke na den val van het W. -Romein- 
sche rijk in 476 onder de Byzantijnsche heerschappij bleef, 
totdat in 762 Arichis, hertog van Beneventum, de stad in bezit 
nam. lo 840, toen dit hertogdom uiteen viel, werd Salerno een 
zelfstandig vorstendom, nog slechts in naam aan Byzantium 
onderhoorig. Maar sinds de Duitsche keizer Hendrik II in 1022 
de stad innam, daarbij geholpen door de in die streek nog niet 
lang gevestigde Noormannen, verviel de stad van de eene dy- 
nastie aan de andere: 11 30 — 1194 aan de vorsten van Napels 
en Sicilië, tot 1266 aan de Hohenstaufen, 1266 — 1435 aan het 
huis Anjou, 1435 — 1504 aan het huis Aragon, enz. 

De studie van de geschiedenis der Salernitaansche School is 
nog van betrekkelijk jongen datum en dagteekent eigenlijk pas 
van 1837, toen prof. Henschel een, toen nog onbekend, hand- 
schrift uitgaf, van 35 verschillende geschriften, die alle van Saler- 



I) Ant. Mazza, Urbis Salernae historia. 



X INLEIDING. 

nitaanschen oorsprong zijn en, met uitzondering van de chirurgie, 
alle onderdeelen der geneeskunde omvatten. Vóór dien tijd, zegt 
Daremberg '), bestond de geheele kennis van de oudste der medi- 
sche scholen uit min of meer vage begrippen omtrent enkele der 
voornaamste medici, die in de ie helft der middeleeuwen geleefd 
en gewerkt hebben, en hij vervolgt: „les historiens qui passent 
pour les plus érudits, n'ont pas même pris la peine de lire les 
ouvrages Salernitains publiés dès l'invention de l'imprimerie ; ils 
les tenaient pour trop barbares ou pour trop supterstitieux". Door 
de publicatie na 1837 ^^^ verscheidene handschriften van werken 
van geleerden der Salernitaansche School, door S. de Renzi en 
Ch. Daremberg, is het mogelijk geworden, zich een nauwkeuriger 
denkbeeld te vormen van het peil der geneeskundige weten- 
schap te Salerno. 

Daar de hooge zijketens der Appenijnen des winters de gure 
N. en N. O. winden tegenhouden en de nabijheid van de zee 
verhindert, dat des zomers 'de thermometer hinderlijk hoog 
stijgt, heerscht in Salerno en omstreken van April tot Kerstmis 
eene aangename temperatuur, terwijl het er in Januari en Fe- 
bruari, de koudste maanden, uiterst zeldzaam vriest. De talrijke 
warme en koude bronnen in de omgeving, die uit den vulka- 
nischen bodem ontspringen, hadden reeds in Horatius' tijd 
(65 — 8 a. C. n.) eene geneeskundige vermaardheid, die den roem 
van Baiae en Puteoli nabij kwam '^). 

Door den invloed der Grieksche beschaving, was Salerno in 
het bezit gekomen van een „Gymnasium .... post hominum 
memor^am satis praeclaram, ubi clarissimi ofnnium semper disci- 
plinarum interpretes celebres floruerunt, quos, ut audiat cupida 
disciplinarum iuventus, undique confluit" •'). A. Mazza zegt: „nee 
omnes qui litterarum gloria excelluere, et ad Juris prudentiae, 
Philosophiae, Medicinae, Theologiae et aliarum scientiarum culmen 

1) L'Ecole de Salerne. Trad. en vers frangais .... préc. d'une introduction par 
Ie dr. Ch. Daremberg. 

2) Hor., Epist. 1. I, ep. XV ad C. N. Valam. 

3) Een sinds menschenheugenis beroemd gymnasium, waar steeds de beroemdste 
vertolkers van alle wetenschappen waren en waarheen de leergierige jeugd van alle 
kanten samenstroomde, om dezen te hooren. (M. A. Marsilius Columna). 



INLEIDING. XI 

Salernitanum Gymnasium evexerat, narrari possunt" '), waarna 
hij tal van geleerden en hunne werken opsomt. En ook Joh. 
Potanus en Joann. de Nigris laten zich in die richting uit. 

De oorsprong der Salernitaansche School ligt nog steeds in 
het duister. Zij moet wel zeer oud zijn, want, volgens S. de 
Renzi '-), vindt men reeds in documenten van de jaren 848 en 
855 de' twee Salernitaansche geneesheeren Josef en Josua ge- 
noemd, terwijl in 900 de bekende Ragenfriedus leefde. In de 
iie eeuw wist men reeds niets meer met zekerheid omtrent het 
ontstaan mede te deelen. Sommigen •') achten het niet onmo- 
gelijk, dat te Salerno minstens twee scholen bestaan hebben : 
het Collegium Hippocraticum en het jongere Gymnasium Saler- 
nitanum. Waarschijnlijker is echter, dat Salerno -oorspronkelijk 
een Collegium Hippocraticum bezat, dat de medische faculteit 
werd van de later gestichte universiteit: het door Columna en 
Mazza genoemde Gymnasinm Salernitanum. Voor deze opvat- 
ting pleit: 

ie de meerdere beroemdheid der geneeskundige faculteit. Tho. 
van Aquino toch (+ 1250) schrijft*); „Quatuor sunt urbes cae- 
teris praeeminentes; Parisiis in scientiis, Salernum in medicinis, 
Bononia in legibus, Aurelianis in actoribus". Petrarca (1330) 
noemt Salerno „medicinae fontem ac gymnasium nobilissimum". 

2e het 'feit dat men alleen bij de medische faculteit den doc- 
torsgraad kon behalen, hetgeen Joann. de Nigris noemt als reden, 
waarom deze faculteit beroemder is, dan de andere: „in medi- 
cina possunt doctorani : non autem doctorari possunt in Jure 
Civili et Canonico". 

Het Collegium Hyppocraticum bestond, volgens Mazza, uit 
10 magistri, waarvan de oudste voor het leven Prior of Praepo- 
situs was. Oorspronkelijk bezoldigd uit de door de studenten 
gestorte gelden, kregen zij later een vast salaris, dat voor som- 

i) Men zou niet allen kunnen opnoemen, die in de letteren hebben uitge- 
blonken en die het Salernit. Gymn. had opgeleid tot het hoogtepunt der rechts- 
wetenschap enz. 

2) Mesuae opera Venet. 1562. 

^) Ziemssen, Die Schule von Salerno etc. 

4) Lib. de vita et virtute. 



XII INLEIDING. 

migen 12 oneen goud per jaar bedroeg, doch later verhoogd 
werd '). Professoren en studenten genoten eenige privileges, als 
vrijdom van belasting, somtijds ook vrije woning. Het onderwijzen 
en uitoefenen der geneeskunst stond, behalve aan andere artsen, 
ook vrij aan gewone burgers, edelen, zooals Joh. de Procida, 
volgens Steinschneider ^) ook aan Joden en zelfs aan vrouwen. 
Deze „medichese" worden in de geschiedenis herhaaldelijk ge- 
noemd, hoewel Südhofif ^) meent, dat dit niet meer waren dan 
vroedvrouwen. Stephania, Trotula (volgens Südhoff'^) geene vrouw, 
maar de titel van een boek), Rebecca (eene Israëlitische ?), Gu- 
arna, Mercuridis, Abella, Constanza Calenda zijn namen van zulke 
vrouwelijke artsen. Het geschrift (van) Trotula behoort zeker 
niet tot de minste der Salernitaansche werken. 

Dat de Salernitaansche geneesheeren een' goeden naam had- 
den ver buiten Italië, blijkt wel hieruit, dat vreemde vorsten 
als Lodewijk de Vrome hunne lijfartsen uit Salerno beriepen en 
vele voorname zieken daar genezing zochten, zooals abt Desi- 
derius van het klooster Monte Casino, later Paus Victor III, 
Bohemund, zoon van Rob. Guiscard, Robert, zoon van Willem 
den Veroveraar, aan wien het beroemde gedicht „de conser- 
vanda valetudine" werd opgedragen, e. a., hoewel de geschiedenis 
van Aldebaron van Verdun, die in 984 ongenezen terugkeerde, 
wel bewijst, dat die bezoeken niet altijd het gewenschte ge- 
volg hadden. 

Oorspronkelijk „magistri" geheeten, droegen de professoren 
later den titel van „doctores", welke titel tenslotte weer gege- 
ven werd aan de jonge artsen. Dit geschiedde bij de promotie, 
eene bijzondere plechtigheid, welke in de groote kathedraal 
in het publiek plaats had en uit een streng examen bestond. 
Geen candidaat kon zich daaraan onderwerpen, die geene be- 
wijzen kon overleggen, dat hij niet jonger was dan 21 jaar 
en minstens 7 jaar in de geneeskunde gestudeerd had. Daarna 
volgde, volgens Mazza, het „publice explanare . . . puncta medi- 

i) S. de Renzi, Coll. Salem. 

2) Virchow's Archiv, Bd. 38. 

3) J. L. Pagel, Einführung i,/d. Gesch. d. Med. 191 5. 



INLEIDING. XIII 

cinalia aut in libris Tegni Galeni vel Avicennae, vel in libris 
aphorismorum" '). Ook moest hij beloven „ne almo collegio con- 
tradicat, falsa ac mendacea nan doceat, a pauperibus nee oblatam 
mercedem recipiat, suis languentibus poenitentia sacramentum 
mandet, cum aromatariis nullam inhonestam habeat sortem, utero 
gerentibus ne abortium exhibeat medicamentum" ^). De jonge 
doctor kreeg een' gouden ring aan den vinger en een' lauwer- 
krans op het hoofd ; de verkregen doctorstitel gaf hem het recht 
tot uitoefening der geneeskundige praktijk. Later kreeg deze 
promotie nog meer waarde, toen, krachtens de beroemde genees- 
kundige wet van keizer Frederik II (1240) alleen eene Salerni- 
taansche bul het recht gaf, de praktijk uit te oefenen. 

Het onderwijs steunde geheel op de leerstellingen van Hippo- 
crates en Galenus; sedert de komst van Constantinus Africanus 
(+ 1050) werden ook Arabische werken behandeld. Bovenal 
trachtte men de artsen ook in ethische richting te ontwikkelen; 
humaniteit en onbaatzuchtigheid beschouwde men als onmisbare 
eigenschappen voor den arts. Deze ethische richting komt duide- 
lijk aan den dag in den „Tractatus de adventu medici ad aegro- 
tum", een merkwaardig geschrift, toegeschreven aan Archimatheus 
en in 1837 door prof. Henschel uitgegeven en waaruit ook een 
zeer godsdienstige geest spreekt. Te oordeelen naar hetgeen 
Petrarca ^) zegt over de geneeskundigen van zijn tijd, moeten 
de gulden regels uit dezen tractatus niet getrouw zijn nageleefd. 

Het bloeitijdperk der Salernitaansche School valt in het begin 
der 12de eeuw, dus niet gelijktijdig met den grootsten bloei der 
stad, welke in 974 door paus Bonifacius VII tot hoofdplaats der 
geheele streek werd verheven. Uit dien tijd dagteekenen dan 



i) medische punten hetzij uit de boeken van Galenus enz. in het openbaar uit- 
leggen. 

2) het eerwaarde college niet tegen te spreken, geen valsche en leugenachtige 
leerstellingen te verkondigen, geen loon van armen aan te nemen, ook niet als het 
hem wordt aangeboden, het sacrament te laten toedienen aan hen, die poenitentie 
willen doen, zich niet met kwakzalvers in te laten, geene vruchtafdrijvende mid- 
delen aan zwangere vrouwen te verstrekken. _ 

3) A, Th. Henschel, Petrarca's Urtheil üb. die Medizin u. die Aertzte seiner Zeit, 
in Janus, jaarg. I. (1846). 



XIV INLEIDING. 

ook de beide beroemdste Salernitaansche werken: het onderwerp 
van dit proefschrift „het Antidotarium van Nicolaus" en het 
anonieme „Schola Salernitana", het eenige werk uit dezen tijd, 
dat nog werd uitgegeven, toen men van het Antidotarium niet 
meer sprak. Na 1260 raakte de luister der school aan het tanen; 
na een kwijnend bestaan gedurende eenige eeuwen, werd ze 29 
Nov. 181 1 door Napoleon opgeheven. 



II. Nicolaus en het Antidotarium. 

Veel is er omtrent Nicolaus niet bekend. Christophorus de 
Honestis ') zegt van hem: „fuit medicus diu exercitatus in practica 
et in naturali ingenio, natione Salernitanus, plenus divitiis et 
ex nobili sanguine procreatus, fuit autem temporibus primus et 
sic successit non est longum tempus elapsum in dicta civitate 
Salerni digna clamosa fama per orbem" ^). Andere middeleeuwsche 
schrijvers geven niet meer bijzonderheden over hem. Sylvius ^) 
noemt hem Salernitanus; hij, noch eenige andere schrijver uit 
dien tijd spreekt van hem als van Nicolaus Praepositus. Met 
valt met recht te betwijfelen, of Nicolaus Prior van het Colle- 
gium Hippocraticum geweest is; hijzelf, noch Platearius zeggen 
er iets van; aan latere schrijvers kan men niet te veel geloof 
hechten, daar men toen reeds gewoon was, hem Nicolaus Prae- 
positi te noemen. Onmogelijk is het natuurlijk niet. 

Alvorens over te gaan tot de bespreking van Nicolaus' Anti- 
dotarium, is het wellicht niet ondienstig, een enkel woord te 
zeggen over antidotaria in het algemeen. „Antidotarium est liber 
continens experimenta contra morbos data" zegt Saladinus de 
Asculo. Een antidotarium heeft eene dubbele strekking. Ieder 
der meestal zeer samengestelde recepten begint met een thera- 



i) Mesuae opera, Venet. 1562. 

2) Hij wa§ een geneesheer met langdurige ervaring en van grooten aanleg, uit 
Salerno geboortig, zeer rijk en van aanzienlijk geslacht; hij was de eerste van zijn' 
tijd en had na korten tijd eene voorspoedige praktijk in den genoemden wereldver- 
maarden Staat Salerno, 

3) Mesue 1581. 



INLEIDING. XV 

peutisch gedeelte, „laus" genoemd, vermeldende — soms in vers- 
maat — de ziekten, waartegen de genoemde praeparaten worden 
aangewend en alzoo dienst doende als eene soort van inlei- 
ding — en een pharmaceutisch gedeelte, aangevende de be- 
reidingswijze van het genoemde praeparaat en derhalve meer 
overeenkomende met de latere pharmacopeeën. De begeleidende 
vóór- en narede zijn van zulk een antidotarium vaak niet de 
minst belangrijke gedeelten van het werk. 

Er bestaan drie groote middeleeuwsche verzamelingen van 
recepten, die den naam Nicolaus dragen : 

I. De oudste verzameling is het Antidotarium van Nicolaus 
Salernitanus, verkeerdelijk Nicolaus Praepositus genoemd; dit 
werk dagteekent van + iioo. 

II. De grootste is de Latijnsche vertaling van het Auyxfispév 
van Nicolaus Myrepsus, ook Alexandrinus genoemd ; deze is 
geschreven tusschen 1270 en 1290. 

III. Dispensatorium ad aromatarios, vroeger ook aan Nicolaus 
Salernitanus toegeschreven. Blijkens de onderzoekingen echter 
van E. Wickersheimer ') is dit een werk van de hand van Nicolaus 
Praepositus, volgens Wickersheimer + 1500 arts te Lyon, 

Omtrent deze drie werken bestond in de middeleeuwen eene 
hopelooze verwarring. Fuchsius (1547), in de voorrede op zijne 
Latijnsche vertaling van het ^vjx^spóv, verwart Nicolaus Salerni- 
tanus met Nicolaus Praepositus. Opmerkelijk is, dat hij aan de 
Latijnsche vertaling, de „latini Nicolai codices", waarmede hij 
blijkbaar de hss. van Nicolaus Salernitanus bedoelt, meer waarde 
hecht, dan aan den Griekschen tekst. Herhaaldelijk toch, wan- 
neer deze met elkaar in strijd zijn, zegt hij, dat men den Griekschen 
tekst moet verklaren naar den Latijnschen. Dit gaat zelfs zóó 
ver, dat hij de meest eenvoudige plantennamen met elkaar gaat 
verwarren, zooals het door Nicolaus Myrepsus bij Alcancalon 
genoemde hermodactili met het door Nicolaus Salernitanus in 
dat recept gebruikte „behen rubei ^)". Ook haalt hij verschillende 



i) Archiv f. d. Gesch. d. Medizin, Bd. V. 

2) Hieraan is wellicht toe te schrijven, dat R. Dodonaeus aan zijn hoofdstuk 
„Van Colchicum oft Tijdeloozen eude van Hermodactylus" toevoegt: „Witte ende 



XVI INLEIDING. 

malen de Glossae van Platearius aan, zonder blijkbaar te weten, 
dat deze geschreven zijn op het Antidotarium van Nicolaus Sa- 
lernitanus, door Fuchsius op sommige plaatsen bestempeld met 
den naam van „Seplasiariorum liber". 

Saladinus de Asculo, in zijn „Compendium ad aromatarios" 
en Christophorus de Honestis spreken van een antidotarium 
magnum „quod non est in usu propter eius prolixitatem, licet 
sit optimum" en een antidotarium parvum „quibus omnes com- 
muniter utuntur". Choulant e. a. hebben de Latijnsche vertaling 
van het AvvxfjLspéy voor het antidotarium magnum aangezien. 
Deze voldoet echter niet aan de beschrijving van Saladinus de 
Asculo. Mesue en de Additio achter Diatr. pipereon, spreken van 
„suum proprium antidotarium", alsof Nicolaus ook nog het anti- 
dotarium van een' ander zou hebben bewerkt. 

Van der Linden verwart Nicolaus Myrepsus met Nicolaus 
Praepositus, aan wien hij een „Dispensatorium ad aromatarios" 
toeschrijft, uitgegeven te Lyon in 1505 en te Parijs in 1582, 
welk geschrift door Ackermann ') e. a. wordt aangezien voor het 
groote antidotarium van Nicolaus. 

Nicolaus zelf spreekt in zijn Antidotarium (parvum) nergens 
van een grooter antidotarium; zelfs noemt hij nergens eenig 
ander werk van zijne hand. Het eenige, dat op iets dergelijks 
zou kunnen wijzen, is de uitdrukking „ad nostram doctrinam" 
in het recept „oleum rosatum". Dat dit echter de eenige plaats 
is in het geheele Antidotarium, doet vermoeden, dat men hier 
met een toevoegsel te doen heeft, al vindt men de uitdrukking 
reeds in de editio princeps (147 1). 

Den tijd, waarin het Antidotarium geschreven is, kan men 
slechts bij benadering uit verschillende gegevens afleiden. Uit 
het feit, dat Platearius zijne „Glossae" schreef tusschen 11 30 en 
1160^) en Nicolaus in zijn werk een praeparaat noemt uit de 
„Ars medendi" van Copho (1085 — 1 100), kunnen we opmaken, 

Roode Hermodactylen van Nicolaus ende Actuarius dickwijls vermaent ende ge- 
bruyckt . . . souden het Wit ende Roodt Behen wel moghen wesen seydt Lobel". 

i) Institutiones historiae medicinae. 

2) Dorveaux, Livie d. Simples Médicines. 



INLEIDING. XVII 

dat het Antidotarium geschreven moet zijn in de eerste decennia 
der 12e eeuw. Daar in het laatste gedeelte van de „Ars me- 
dendi" eene lijst van praeparaten voorkomt, die we alle terug- 
vinden in het Antidotarium, moet men aannemen, dat, zoo 
Nicolaus al niet Copho's werk gebruikt heeft, beiden althans uit 
dezelfde bron moeten hebben geput. 

De tekst van het Antidotarium is door toevoeging of weg- 
lating van verschillende praeparaten op sommige plaatsen onher- 
kenbaar geworden. Saladinus de Asculo b.v. geeft eene lijst van 
in het Antidorium voorkomende praeparaten, als Benedicta 
transtyberina, oxymel passulatum, Theriaca exercitualis e. a., 
waarvan geen der Latijnsche teksten gewag maakt, terwijl het 
in eene andere lijst van het zelfde werk als zoodanig genoemde 
Diazingiber alleen in den middelnederlandschen tekst voorkomt, 
In de Additio, door Gilbertus Anglicus e. a. schrijvers toegevoegd 
aan praeparaten, waarop Platearius geene „Glossae" geschreven 
had, vindt men vaak de woorden „istud electuarium interdum 
reperitur in antidotario parvo Nicolai". Dialacca, Diacurcuma, 
Pilulae foetidae e. a. in de editio princeps genoemde praeparaten 
mist men in de uitgaven van 1562 en 1581, terwijl men in deze 
weer genoemd vindt Diatr. pipereon, Diamanna e. a. ') Ook in de 
opgaven van gewichten, simplicia enz. verschilt de eene uitgave 
van de andere. 

De inleiding van het Antidotarium, die vaak weggelaten of 
veranderd is, kan men in drieën deelen: 

I. De aanhef, waarin Nicolaus ons zegt, hoe hij tot het schrij- 
ven van zijn werk gekomen is, n.1. „rogatus a quibusdam in 
practica medicinae studere volentibus". Hieronder moet men 
verstaan de studenten, die te Salerno de geneeskunde bestu- 
deerden en niet, zooals Neuburger '-) op grond van de Italiaan- 
sche vertaling ^) meent, de andere magistri. 

II. Eene verhandeling „de speciebus", waarin hij uiteenzet, 



1) Zie de noot op p. xxil. 

2) Gesch. d. Medizin. 

3) „lo Nicolo rogato da plusur maestri". In geene der andere voor dit werk ge- 
raadpleegde vertalingen wordt echter van „magistri" gesproken. 



XVIII INLEIDING. 

hoe men de simplicia moet bewaren, behandelen en afwegen. 
Zij geeft geen hoogen dunk van de toenmahge bewaarplaatsen 
der kruiden. Ook spreekt Nicolaus hier over de fijnheid van 
poeders in de verschillende medicamenten. Dit 2e gedeelte komt 
opmerkelijk overeen met hetgeen Copho daarover zegt '), welke 
wijsheid deze beweert te ontleenen aan Constantinus. 

IIL Eene opsomming van de voordeelen van Nicolaus' werkwijze. 

In de narede behandelt Nicolaus de maten en gewichten. 

Dat de ±150 meest alle zeer samengestelde recepten uit het 
Antidotarium voor een groot deel niet van Nicolaus zijn, weet 
iedereen. Zelf geeft hij herhaaldelijk de namen der oorspronke- 
lijke auteurs, waaronder Ezra en Sanctus Paulus eene groote rol 
spelen. Bovendien lezen we in Platearius' Glossae, dat het Anti- 
dotarium „ex multis antidotis est compilatus". In de middel- 
eeuwen gold het Antidotarium in geheel Europa voor het stan- 
daardwerk op het gebied der pharmacie. Arnold de Villanova 
(1309) raadt het aan als leerboek voor de medische school te 
Montpellier -). Van overheidswege, o. a. bij de je geneeskundige 
wet voor Napels en Sicilië van Frederik II (eind 12e eeuw) en 
in eene keur der stad Yperen op het eind der 13e eeuw ^), werd 
het als officieele pharmacopee aanbevolen. Ja, zelfs in de tegen- 
woordige pharmacopeeën vindt men nog een paar recepten uit 
het Antidotarium ; zoo b.v. Oximel en Unguentum Altheae in 
de 4.e uitgave der Nederlandsche Pharmacopee, miei rosat, l'huile 
de rosé e. a. in den Franschen codex van 1884^). Maar behalve 
deze ± 10 recepten, werden langzamerhand met het toenemen der 
pharmaceutische kennis alle andere uit de pharmacopee geschrapt. 
In den oorspronkelijken vorm echter heeft het Antidotarium zich 
toch zeker 4'/^ eeuw weten te handhaven, al behoeft men slechts 
de additiones tusschen de Glossae van Platearius te lezen, om 
te- zien, dat feeds toen sommige recepten in onbruik begonnen 
te geraken. 



i) De arte medendi: de modo conficiendi. 

2) Neuburger, Gesch. d. Medizin. 

3) Cyrurgie van meester Jan Yperman, uitgeg. door E. C. van Leersum. 

4) Dorveaux. 



INLEIDING. XIX 

Hoe hoog het Antidotarium in de middeleeuwen geschat werd, 
blijkt ook hieruit, dat het tot de eerste werken behoort, die 
gedrukt zijn geworden; talrijke herdrukken zagen het licht — 
tusschen 147 1 en 1500 kent men er niet minder dan 9 — 
terwijl het in verschillende talen is overgezet. 

Behalve de reeds genoemde Italiaansche vertaling van het 
Antidotarium bestaan er nog 2 Fransche '), eene uit het begin 
der 14e en eene uit de 15e eeuw, welke beide de zoo beroemde 
maar zeer gecompliceerde recepten Theriaca en Metridatum 
missen, vele Italiaansche "^), Hebreeuwsche ^), Arabische en mid- 
delnederlandsche handschriften te München, Parijs, Weenen enz. 
Te München bestaat ook een 15e eeuwsch handschrift^.) bevat- 
tende eene Italiaansche vertaling in Hebreeuwsche letters en te 
Parijs een handschrift met Spaansche vertaling ^') in hetzelfde 
letterschrift. De oorzaak dier vele Hebreeuwsche vertalingen — 
Steinschneider *^) noemt er 17 — , bekend onder den naam Mer- 
kachot, is hierin te zoeken, dat het Antidotarium zoo vaak voor 
en door Joodsche artsen bewerkt en vertaald is. 

Al deze vertalingen verschillen onderling, doordat copiisten 
stukken weglieten of recepten van eigen vinding inlaschten, om 
die aldus bij de menigte ingang te doen vinden. 



III. De middelnederlandsche vertaling en de 
editio princeps. 

De afgedrukte middelnederlandsche vertaHng van het Antidota- 
rium Nicolai vindt men in de Kon. Bibl. te Brussel als n". 15626 



i) nos- 25327 en 14827 1 van den Catalogus der Bibl. nat., beide uitgeg. door 
Dorveaiix. 

2) o. a. eene, genoemd door Piero Giacoso in zijn werk: Magistri Salernitani 
nondum editi. 

3) o. a. van Jozef Vidal (1408), zoon van Don Benveniste ben Salomo ben Labi 
della Cavalleria te Saragossa. 

4) nO. 254. 

5) Uitgeg. d. Steinschneider in Virchow's Archiv, Bd. XL. 

6) Die Hebr. Übersetz. d. Mittelalters en „Zur pseudepigr. Litt.". 



XX INLEIDING. 

in een' perkamenten codex, welke een aantal vertalingen in hand- 
schrift bevat van oude geneeskundige geschriften, genummerd 
15624 — 15641, die alle voor de geschiedenis der geneeskunde, 
vooral in Nederland, van belang zijn. In dezen codex vindt men 
ook de „Cyrurgie van meester Jan Yperman", uitgeg. door prof. 
E. C. van Leersum, die aldaar ook eene nadere beschrijving 
geeft van genoemden codex. 

Naast deze middelnederlandsche vertaling is, bij gebrek aan 
den — verloren geganen — oorspronkelijken tekst, afgedrukt de 
oudste gedrukte Latijnsche uitgave van 147 1. Dank zij de groote 
welwillendheid waarmede prof. Dorveaux te Parijs dezen zeer zeld- 
zamen wiegedruk '), dien men in geene Nederlandsche of Duitsche 
bibliotheek vindt, in bruikleen heeft willen afstaan, kan deze, 
door eene hernieuwde uitgave, in wijder kring worden bekend 
gemaakt. Daarom is het wellicht niet ondienstig, hier terloops 
eene beschrijving te geven van deze Editio princeps *). 

Het boek, dat oorspronkelijk grooter moet zijn geweest, is door 
afsnijding^) verkleind tot een 4° formaat van 15,5X21,30 cM, 
Het bevat, behalve het Antidotarium Nicolai van fol. i r. tot 
44 V., den tractatus quid pro quo van fol. 45 r. tot 50 v. en 
de sinonima van fol. 5 1 r. tot 68 v. Het papier, dat als water- 



i) N". 14368 van den catalogus der bibl. der Ecole supérieure de Pharmacie te 
Parijs en door hem in zijne uitgave van de Fransche vertaling van het Antidota- 
rium meermalen genoemd. 

2) Gedrukt te Venetië 147 1 in-4° door N. Jenson Gallic. Behalve dezen druk 
kent men nog: eene editie van 1476 te Rome gedrukt in-fol.min. door mag. 
Jo. Scheurener de Bopardia, eene van 1478 te Napels in-fol., eene zonder jaar 
in-fol. Argentor. door Jo. Prijs. Uitgegeven met Mesue's werken: te Venetië 1479 
in-fol. door Rainaldus Noviomag., te Venetië 1484 in-fol. op kosten van Dionysius 
de Bertochis de Bononia, 1489 — 1491 in-fol. door Peregr. de Pasqualibus Bononiensis, 
1495 in-fol. door Bonet. I^ocatellus Bergonensis, 1497 in-fol. door Jo. en Gregor. 
de Gregoriis fratres, te Lugdunum 151 1 tn-S". door J. Cleyn, te Venetië 1549 
in-fol. bij Juntas, te Parijs 1561 in-fol. door Andr. Marinus uitgeg. bij Vinc. 
Valgrisius, te Venetië 1562 in-fol. bij Vihc. Valgrisius — deze uitgave komt, vol- 
gens Choulant, het meeste voor — , te Venetië 1568, 1570, 1581 bij Juntas — 
niet door Choulant genoemd, maar wel door Wickersheinier in Janus 1912, p. 308 — , 
te Venetië 1589, 1602 bij Juntas en te Venetië 1623 in-fol. bij Juntas (?). 

3) Dit blijkt o. a. hieruit, dat van vele aanteekeningen in de marge de laatste 
letter(s) geheel of gedeeltelijk ontbreken. 



INLEIDING. XXI 

merk een' posthoorn draagt, is ruw en dik, zoodat de overigens 
fraaie letters hier en daar minder goed zijn afgedrukt. De tekst 
bevat zeer vele drukfouten en onnauwkeurigheden, welke hier 
naar de in dit opzicht verkieselijker uitgave van 1581 zijn ver- 
beterd. De afkortingen, die in deze nieuwe uitgave voluit zijn 
geschreven, zijn dezelfde als die in de oude handschriften werden 
gebruikt. In de margen zijn — meest onbelangrijke — aanteeke- 
ningen gemaakt door 4 verschillende personen, waarvan één bij 
elk praeparaat een volgnummer heeft geschreven en de bijbe- 
hoorende door den drukker opengelaten hoofdletter heeft getee- 
kend met eene heel eenvoudige drukletter zonder versiering. 

Het schutblad, van veel dunner en slechter papier, dat als 
watermerk draagt een anker met een S erboven en eronder, is 
waarschijnlijk later bijgevoegd; er staat op geschreven „Hain 
n". 11764". 

Bij vergelijking van deze Latijnsche vertaling met de middel- 
nederlandsche, zien we dat deze, afgeschreven zooals blijkt uit het 
slot „anno domini 135 1" nog al eens van de Latijnsche afwijkt. 
De voor medici en apothekers zoo belangrijke voorrede is ver- 
vangen door eene eigen voorrede van den copiïst, waarbij deze 
dezelfde fout begaat als de schrijver van den — volledigen — 
Franschen tekst en het boek noemt „Antidotarius", terwijl hij 
de niet minder interressante narede geheel weglaat. De tekst van 
het Antidotarium zelf wijkt ook nogal eens af van den Latijnschen. 
Men krijgt den indruk, of de copiïst den lezer den op sommige 
plaatsen breedvoerigen Latijnschen tekst heeft willen besparen, 
terwijl hij herhaaldelijk verklaringen ter verduidelijking tusschen- 
voegt, iets wat men in geen' der andere teksten vindt. Meestal 
zijn dit Nederlandsche volksnamen' van planten ; zoo leest men : 
aristologie. dats holewortte ; cardamomum. dat sijn waterkerssen 
enz. Van sommige simplicia werden uitsluitend de volksnamen 
gebruikt; zoo spreekt hij nooit van iusquiamus, maar altijd 
van beilde. Uitdrukkingen die zeker vreemd aandoen in een 
wetenschappelijk geschrift zijn wel deze: „men vindet in die 
apotheke" en: „als ons orconden die doctoors". Al deze eigen- 
aardigheden in den tekst doen de vraag rijzen, of deze middel- 



XXII INLEIDING. 

nederlandsche vertaling wellicht minder geschreven is voor medici, 
of apothekers, die met de Latijnsche plantennamen zeker niet onbe- 
kend waren, terwijl voor hen de voor- en narede zooveel belang- 
rijks biedt, -als wel voor „leeken", d.w.z. drogisten en dergelijken. 
De inhoud is zeer volledig *). Van de praeparaten — die met 
de gewone Latijnsche namen worden genoemd — , zijn er slechts 
+ 30 uit den Latijnschen tekst, als Confect. gallie muscate, Elect. 
laetificans, Tr. diacoralli enz. die men in den middelnedérlandschen 
tekst mist; men vindt er echter 14 andere, die de Latijnsche 
tekst achterwege laat, als Dyarebarbarum, Pillule regis, Rosata 
magna enz. en waarvan men er sommige vindt in Mesue's anti- 
dotarium of bij Nicolaus Myrepsus. Waarschijnlijk zijn er. hier 
dus wel door den copiist tusschen geschoven. 

l) De meerdere of mindere volledigheid der verschillende teksten blijkt uit het' 
overzicht van praeparaten. 



LITTERATUUR. 



Ack ermann, J. C. G., Institiitioneshistoriae medicinae. Norii"nbergaei792. 

Regimen sanitatis Salerni sive Scholae Salernitanae de conservanda 

bona valetudine praecepta, praemissa. Studii medici Salernitani histo- 
ria. Stendeliae 1790. 

Ad laxandiim ventrem. Aldus beginnen eenige voorschriften voor- 
komende in het HS. N° 14624 — 41 der Kon. Bibl. te Brussel, üeze 
zijn daarom interessant, omdat dit het eenige stuk is van genoemd 
handschrift dat in het latijn vervat is. Zij volgen op: Dit sijn 24 
tekene der doot die Ypocras met hem dede graven (zie verder: van 
Leersum, De Cyrurg. v. Mr. J. Yperman, p. xxvii). 

Aegina, Pau los van, (zie: Berendes). 

Alphita, zie: de Renzi, zie: Collectio Salernitana, III 273. 

A m a n d o , Joh. de S a n c t o., Expositio supra Antidotarium Nicolai. 
Venetiis apud Juntas 1581 Op. Mesuae. 

Areolae, herausgegeben von Dr. J. L. Pagel. Berlin 1893. 

Aqua vit e dats water des levens of levende water. HS. N° 146 24 — 41 
Kon. Bibl. Brussel (zie woordenlijst). 

Asculo, Saladinus de, Compendium aromatariorum. Venetiis apud 
Juntas 1581. Op. Mes. 

Aquino, Th. van, Liber de virtute et vita. 

Avena, A., Monumenti dell' Italia meridionale. Napoli 1902. 

Avicenna die wise meester seit dat de mensce es gemaect van der 
Aerden. HS. N° 14624—41 Kon. Bibl. Brussel. Beschrijving en 
therapie van verschillende ziekten. 

Battum, Carolus, Christophori Wirsungi Medicijn-Boec in onse ghe- 

meyne Nederlandsche tale overgheset. Derde druk. Dordrecht 1601. 
Bécavin, G., L'école de Salerne et les médecins Salernitains. These. 

Paris 1888. 
Berendes, I., Paulos von Aegina. Des Besten Arztes sieben Bücher. 

Leiden 19 14. 
Berthelot, Chimie au moyen age. 
Biervliet A. L. van, Les préceptes de l'école de Salerne a l'usage etc. 

Louvain 186^. 



XXIV 

Blancardus, Steph., Lexicon medicum. Lugd. Batav. apud Samiiel 

Luchtmans. 1735. 
Boerhaave, H., Elementa Chemiae. Lugd. Bat. 1732. 
Brencmann, H., Urbis Amalphitanae historia, zie : Thesauros antiquit. et 

hist. Italiae, edid. Graevius c. praefat. P. Burnianni. Band IX, deel IV. 

Lugd, Bat. 1723. 
Broeckx, C, Notices bibliographiques sur l'histoire de l'Ecole de Salerne. 

Anvers 1855. (Maatsch. t. Bev. der Gen. opgen. 1884/85). 
Burggraeve, A., Précis de l'histoire de l'anatomie. Gand 1840. 

Choulant, Ludwig, Handbüch der Bücherkunde für die altere Me- 

dizin. Leipzig 1841. 
Clerc, Dan. Ie, Histoire de la Médecine. La Haye 1729 chez van 

der Kloot. 
Copho minor, Tractatus de arte medendi. Venet. apud Juntas 1581. 

Op. Mesuae. 
Cornare, L., L'Ecole de Salerne. De la Sobrieté, conseils pour vivre 

longtemps. Trad. nouv. Paris 1861. 
Chronik, Aus der, des mönchs von Salerno. Geschichtschr. d. deutsch. 

Vorzeit. VIII Jahrh. IV Band. 

Daremberg, Ch., Histoire de la Médecine. 1865. 

Notices et extraits des manuscrits medicaux grecs, latins et fangais 

des principales bibliothèques de l'Europe. 1853. 

Dese boec spreekt van medicinen. HS. voorkomende in den 
bundel 14624—41 der Kon. Bibl. te Brussel (zie verder: van Leer- 
sum. De Cyr. v. J. Yperman). 
Diaconus, Pau lus, (zie: Paulus Diakonus). 
Dictionnaire des sciences medicales (zie: Thomas). 
Dioscorides, Pe^anius Anazarbeus, De materia medica, J. Ruellio 

interprete. Lugduni subscuto coliensi A° 1546. 
Dispensatorium collegii medici Norimbergensis. Norimbergae 1666. 
Dodonaeus, Rem bert us, Cruydtboeck. Antwerpen, Plantijn 1644. 
Dorveaux, P., L'Antidotaire Nicolas. Deux traductions frangaises de 

l'Antidotarium Nicolai. Paris 1896. 
— — Le livre des simples medecines. Trad. frang. du Circa in stans 

de Platearius. Paris 19 13. 
Dragendorff, Georg, Die Heilpflanzen der verschiedenen Völker und 

Zeiten. 1898. 

Encyclopaedia Brittannica 191 o — '11. 

Faye, A. L., Om den medicinske Skole in Salerno in Middelalderen. 
Norsk Mag. for. Laeg. Christiania 1892. 



XXV 

Fliickiger, F. A., Pharniakognosie des Pflanzenreiches. Berlin 1891. 
Fuchsius, L, (zie: Nicolaus Myrepsus). 

Gaizo, Modestin o del, La scuola medica di Salerno. Studiata nelle 

storia nelle legende in Atti dell' accademia pontifica XXV. Napoli 

1895/96. 
Galen i Opera ex nona Juntarum editione. Venetiis 1625. 
Geschichtschreiber der deutschen Vorzeit (zie : Paulus Diakonus). 
Giacoso, Pier o, Magistri Salcrnituni nonduni editi. Catalogo rogionuto 

della espositione di storia della medicina aperta in Torino nel 

1898. 

Ha es er, H., Ueber die medizinische Lehranstalt zu Salerno und ihre 

Verhal tniss zu den Mönchschulen des Mittelalters, Janus 1851. Bd. I. 

N. F. 
Lehrbuch der Geschichte der Medi/in und der epidemischen Krank- 

heiten. 3^ Bearbeitung. Jena 1875. 

Salerno. Nord und Süd. Bd. III. 1877. 

Haiiderson, H. E., The School of Salerno. New York 1883. 
Henschel, A. Th., Anonymi Salernitani de adventu medici ad aegrotum 

libellus et commentatio de praxi medica Salernitana. Gratulations- 

schrift. Breslau 1850. 
Petrarca's Urteil über die Medicin und die Aerzte seiner Zeit. 

Janus Bd. I. 1846. 
Herbarius. HS. N®. 14624- 41 Kon. Bibl. Brussel (vroeger Ms. n" 193 

Bibl. Hulthemiana). Lijst van geneeskrachtige planten. (Hier sal 

men verstaen in desen boec die leringe van dyascorides den wisen 

meester ende van circuinstanse den wisen meester, welke desen boec 

gemaect hebben, die geheten es herbarijs). 
Heukels, H., Woordenboek der Ned. Volksnamen vad Planten. 1907. 
Heyd, Histoire du commerce du Levant au moyen age. 1886. 
Hippokrates, Opera omnia quae extant. Graece et Latine. A. Foesio 

interprete. Genevae 1657. 

Kiliaen, C, Etymologicum teutonicae linguae. 1777. 

Liersch, Cottbus, Die Schule von Salerno. Leipzig 1902 (opgegeven 
in Neuburger Mitteilungen zur Geschichte d. Med. deel III). 

Linden, Johannes Antonides van der, De scriptis medicis libri 
duo. Amsterdam 1662. 

Mae riant, Jacob van. Naturen Bloeme. Uitgegeven door Dr. E. Ver- 
wijs. Groningen 1878. 



XXVI 

Mandeville, Jan van. De reis van Jan van Mandeville naar de Mid- 
delnederlandsche Handschriften en incunabelen. Vanwege de Maatsch. 
der Ned. Letterk. te Leiden uitgegeven door Dr. N. A. Cramer). 
Leiden 1908. 

Mazza, A., Urbis Salernitanae historia et antiquitates etc. Napoli 1681, 
opnieuw gedrukt in Thesauros Antiquitatum et historiarum Italiae 
edidit Graevius c. praefat. P. Burmanni. Lugd. Bat. 1723, deel IV, 
cap. 5. Band IX. 

Meaux, Ch. et Saint-Marc, L'école de Salerne. Traduction en vers 
frangais avec texte latin en regard, précédée d'une introduction par 
Ie Dr. Ch. Daremberg. Paris 1861. 

Meyer, E. H. F., Geschichte der Botanik. 1854. 

Mesuae, Joannis, Opera. Gum Mundini Honesti Manardi et Sylvii 
observationibus. His accessere Plantarum imagines atque item Joan- 
nis Costaei Annotationes. Reliqua vero quae cum Mesue operibus 
exire solent in aliud volumen coniecimus. Venetiis apud Juntas 1581. 

Moreri, Louis, Le grand dictionaire historique etc. i8« edit. rev. corr. 
et augm. Tom. I — VIII. Amsterdam 1740. 

Mothes, O., Die Baukunst des Mittelalters in Italien. Jena 1883. 

Ne u burger, Max, Geschichte der Medizin. Stuttgart 1906. 

Ne u burger, M. und J. Pagel, Handbuch der Geschichte der Medizin 

begründet von Th. Puschmann. Jena 1902. 
N ie claus, Antidotarium. Editio princeps. Venet. Jenson Gallic. 147 1. 

Antidotarium. Venet. apud Juntas 1 581. Uitgeg. bij Mesuë's Werken. 

l'Antidotaire Nicolas. Deux traduct frang. de 1' Antidotarium Nicolai, 

par P. Dorveaux. Paris 1896. 
Nicolaus Myrepsus, Medicamentorum opus a Leonharto Fuchsio 

medico e Graeco in Latinum conversum. Annotationibus illustratum. 

Lugduni apud Balthazarem Arnoletum 1550. 

Pagel, J., Handbuch der Geschichte der Medizin. Bd. I, 1902. 

Medizinisch Historische Bibliographie. Bd. I, 1898. 

Pau lus Aegineta (zie : B e r e n d e s). 

Pau lus Diakonus und die übrigen Geschichtschreiber der Langobar- 
den übersetzt von Dr. Otto Abel. 2" Aufl. bearbeitet von Dr. R. Ja- 
cobi, zie: Geschichtschreiber der deutschen Vorzeit. VIII Jahrg. 
IV Bd. Leipzig 1888. 

Peters, H., Aus pharmaceutischer Vorzeit in Wort und Bild. Berlin 1889. 

Platearius, Mathaeus, Glossae in Antidotarium Nicolai. Samen met 
het Antid. uitgegeven bij de werken van J. Mesue jun. Venetiis apud 
Juntas 1581. [Platearius heet hier Joannis Platearius]. 

Plinius, Secundus Caius, Historiae Naturalis libri XXXVII. Parisiis 
1741. 



XXVIl 

Pomet, P., Histoire generale des drogues. Paris 1694. 
Puccinotti, Storia della medicina. 1855. 

P u s c h m a n n , T h e o d,, Geschichte des Medicinischen Unterrichts. Leip- 
zig 1889. 

Rashdall, H., The Universities of Europe in the Middleages. Oxford 

1895. 
Renzi, Salvat. de, Collectio Salernitana. Napoli 1852. 
Storia documentata della scuola medica di Salerno. Napoli 1857. 

Schmidt, Ludw., Alteste Geschichte der Longobarden. Dissertatie. 

Leipzig 1884. 
Schuit ze, Archaeologische Studiën überalt christliche Monumente. Wien 

1880. 
Silvaticus, Matheus, Opus pandectarum medicine impressum Taurini 

per Anthonium Ranotum civem Taurinensem. A.D. 1526 die XII 

mensis Septembris. 
Sylvius, Zacharias, Schola Salernitana sive de conservanda valetu- 

dine praecepta metrica. Roterdami Arnold. Leers. 1657. 
Synonima (van Simon Januensis?) achter het Antid. Nic. ^ij de wer- 
ken V. J. Mesue afgedrukt. Venetiis 1581. 
Sprengel, Kurt, Versuch einer pragmatischen Geschichte der Arznei- 

kunde. Halle 182 1. 

Geschichte der Botanik. Halle 1818. 

Steinschneider, M., Donnolo, Pharmakologische Fragmenten aus dem 

X. Jahrhundert nebst Beitriigen ziir I-itteratur der Salernitaner etc. 

Virchow's Archiv. Bd. 38, 39, 40, 42. 
Constantinus Africanus und seine arab. Quellen. Virchow's Archiv. 

Bd. 37. 
Wissenschaft und Charlatanerie unter den Arabern im IX. Jahrh. 

Virchow's Archiv. Bd. ;^6. 
Die Hebraischen Übersetzungen des Mittelalters und die Juden als 

Dolmetscher. Berlin 1893. 
Die Hebraischen Handschriften der Kgl. Hof- und Staats-Bibliothek 

in München. München 1895. 
Stoppelaar, J. H. de. Het papier in de Nederlanden gedurende de 

middeleeuwen. 1866 — 69. 
Strabo, Geographiae libri XVII. Paris 1620? 
Sudhoff, Karl, Deutsche medizinische Incunabilen. 
J. L. Pagel's Einführung in der Geschichte der Medizin in 25 akad. 

Vorlesungen. 2*^ Auflage durchgesehen etc. von K. Sudhoff in Leipzig. 

Berlin 191 5. 
Su mm on te, J. A., Historia di Napoli, 

Thomas, L., Dictionnaire encyclopédique des sciences medicales. Paris 1824. 



XXVIII 

Tractatus quid pro quo. Achter het Antid. Nic. bij de werken van 

J. Mes. uitgegeven. Venetiis 1581. 
Tschirch, A., Handbuch der Pharniokognosie. Leipzig 1910. 
Tweedy, J., The school of Salerno. In „Lancet" 1889. 

Verwijs, E. (zie; Maerlant). 

Verwijs, E. en J. Verdam, Middelnederlandsch Woordenboek. 

Weinmann, Joh. VVilh., Taalrijk register der Plaat ofte Figuurbe- 
schrijvingen der Bloemdragende Gewassen, nu in het Nederduitsch 
door een voornaam kender vertaald en opgeheldert door Joh. Bur- 
mannus. Med. doet. et botan. prof. Amsterdam 1736. 8 bdn. fol. 
Hierin een groot aantal bijzonder goede platen. 

Wi ckersheimer. E., Nicolaus Prepositus ein französischer Arzt ums 
Jahr 1500, in Archiv für die Geschichte der Med. Band V (191 1) 
p. 302. 

IJ per man, De cyrurgie van Meester Jan, Uitgeg. d. E. C. van Leer- 
sum. Leiden 1912. 

Ziemssen, Die Salernitanische .Schule und die Aerzte des Mittelalters 
in .A.rchiv für klin. Medizin. Bnd. IX (1871). 



AFKORTINGEN. 



A. antidotum. 

Add. additio, niet tot de Glossae van Platearius behoorende verklaringen 
na de praeparaten uit L,. 

A. 1/v. ad laxandum ventrem. 
Antid. antidotarium. 

Av. d. w. m. Avicenna die wise meester. 

B. St. Blancardi Lexicon medicum. 
Chr. d. Hon. Christophorus de Honestis. 
D., Diosc. Dioscorides. 

D. B. s. V. M. Dese boek spreect van medicinen. 

Diacast. Diacastoreum. 

D. N. „Doctrina Nicolai in conservando quaedam medicamina et electaria 

sua atque confectiones, quas in suo antidotario parvo describit", 

voorkomende in het Compendium aromatorium, sexta particula van 

Saladinus de Asculo. 
Dod. Dodonaeus. 

Dv. Uitgave der Fransche teksten door Dorveaux. 

F,. Oudste, meest volledige, Fransche vertaling van het Antidotarium. 
Fj. Jongste Fransche vertaling van het Antidotarium. 
Gal. Galenus. 

Herb. Herbarius, hs. voorkomende in de Bibl. Nat. te Brussel. 
Hes. Hesiodus. 

Hk. Heukels, Woordenb. d. Nederl. volksnamen van planten. 
J. d. S. A. Johannis de S'^*" Amando Expositio super Antidotario Nicolai. 
Kil. Kiliaen, Etymologeticon Theutonicae Linguae. 
L]. Editio princepo van het Antidotarium, 1471. 
La* Latijnsche editie van het Antitodarium, 1581. 
L. d. S. M. Livre des simples medecines, uitgegeven door Dorveaux. 
LTGl. Platearius' Glossae, uitgeg. tezamen met Lj achter de werken 

van Mesue. 
M. Sylv. Mathaei Sylvatici Opus pandectarum medicinae. 
Mnl. Middelnederlandsch. 



^ XXX 

MT. Middelnederl. vertaling van het Antidotarium. 
N. BI. Jacob van Maerlant's Naturen Bloenie. 
N. M. Latijnsche iiitg. van Nicolaus Myrepsus door L. Fuchsius. 
N. S. Nicolaus Salernitanus. 

Plat. Platearius, die de Glossae schreef bij het Antidotarium. 
Plin. Plinius. 

F. V. A. Paulos von Aegina, uitgeg. d. I. Berendes. 
S. d. A. Saladini de Asculo Compendium aromatorium. 
Vd. Mnl. wdb. van Verwijs en Verdam. 
W. Whirsungi Medicijnboec, vert. d. C. Battum. 

W. B. Weinmann en Burmannus' Taalrijk register der Plaatbeschrij- 
vingen der Bloemdragende gewassen. 



OVERZICHT VAN PRAEPARATEN ^), 

voorkomende in de voor dit werk gebruikte uitgaven en vertalingen 
van het Antidotarium Nicolai. 



VOLGNUMMERS BIJ 



M.T. L, L, 



.5 M 



Acharistum 

Adrianum 

Alcancalon (Euangelon) . 
Antidotum emagogum 

AntimoroD 

Athanasia 

Athanaton 

Aurea Alexandrina. 

Benedicta 

Benedicte approuvée . 

Blanca 

Confectio alipte muscate. 
Confectio galli muscate . 
Confectio meilis myrtini. 
Confectio nere (vere) . 

Dia(a)nisium 

Diacalamentum .... 

Diacameion 

Diacapparis 

Diacastoreum 

Diaciminum 

Diacitoniten 

Diacodion 

Diacostum 

Diacurcuma 

Diadiagantum .... 
Diadragantum calidum . 

Diagalanga 

Diairis 

Diaysopum 



9 r. b. 
9 r. b. 
9 V. a. 
lO r. a. 
9 V. b. 
9 V. a. 

9 r. a. 
lo r. b. 



lO r. a. 
lO r. b. 



10 r. b. 

11 r. b. 

12 V. a. 
II r. a. 

1 1 r. b. 

1 2 r. b. 

11 V. a. 

12 V. b. 
12 V. b. 
12 V. a. 

12 r. b. 

13 r. a. 

1 1 r. b. 

12 V. a. 
II V. a. 



3 
2 

5 
7 
6 

4 

I 

9 

8 
10 



II 
22 

38 
17 
24 

35 
27 
40 

39 
36 

34 

42 

23 
37 
28 



3 
2 

5 
7 
6 

4 
6 
I 
9 

8 
10 
II 

32 
12 

29 
15 

25 
24 

34 
31 
26 

36 
27 

38 
28 

37 



3 
2 

5 
7 
6 

4 
6 
[ 
9 

8 
10 
II 

33 
12 

30 
15 

26 
25 
36 
32 

27 

28 



29 

37 



3 
2 

5 
7 
6 

4 
6 
I 
9 

8 
10 
II 

28 



26 
13 

24 
22 

27 
25 

23 



4 
2 

5 
7 
6 

3 
6 
I 

9 

10 

8 



6 
12 
14 

14 
10 

14 

4 

18 

18 

20< 
23 

57 
22 

34 
54 
30 
36 
50 
38 
56 
54 
52 
33 
48 

58 
34 
52 
40 



i) Zie de noot op p. xxii. 



XXXII 



VOLGNUMMERS BIJ 



o tuo 



M.T. L, 



Dialacca 

Dialibanum 

Diamanna 

Diamargariton , . 

Diamastic 

Diamoron 

Diantos 

Diapapaver 

Diapenidion 

Diaprassium 

Diaprunis 

Diarebarbarum , . . . \ 
Diarodon abbatis . . . . 
Diasatirion, Diasaturicen , . 

Diasen(i)e 

Diasene alia 

Diatrion i)ipereon . . . . 
Diatrion pipereon minus. 

Diaziuziberos 

Dya- (zie: Dia-) 
Electuarium a restorement de 

humidité 

Elect. catholicum . . . . 
Elect. cillicicum . . . . 
Elect. de succo rosarum . 

Elect. ducis 

Elect. dulce 

Elect. frigidum sec. Copho- 

nem 

Elect. laetificans . . . . 
Elect. laetitiae Gal. . . . 
Elect. Pluris arcoticon 
Elect. psilliticum . . . . 
Emplastrum aplincon (aposto- 

licum) 

Empl. ceroneum . . . . 
Empl. diaquilon . . . . 
Empl. oxicroceum . . . . 

Esdra 

Euangelon (zie : Alcancalon). 

Filantropos 

Filonium maius 

Gallia muscata 



1 1 r. a. 

1 2 r. a. 

10 V. a. 

11 r. a. 
lo V. b. 

10 V. a. 

13 r. a. 

12 r. a. 

1 1 V. b. 

10 V. b. 

11 r. a. 

12 r a. 

10 V. a. 

11 V. b. 

1 1 V. a. 
II V. a. 
1 1 r. b. 



13 r. a. 
13 r. b. 
13 r. b. 
13 r. b. 
13 r a. 



13 v.a. 
13 r. 1). 

13 V. b. 

14 V. n. 
14 r. b. 
14 r. b. 

13 v.a. 

14 V. a. 
14 V. a. 



18 
3» 

12 
20 
16 
13 
41 
33 
30 
15 
19 
32 
14 
29 

25 
26 
21 



43 

46 

45 
47 
44 



48 

46 

50 
5' 
53 
52 
49 

54 
55 



35 
21 

14 

l6 
17 
30 
23 
20 

19 

22 

18 
33 



13 
45 
42 
40 



43 



41 

45 

44 
46 



22 
39 
14 

16 
17 
3« 
24 
20 
«9 

23 
18 

34 
35 
38 



13 
46 

43 
41 



44 
47 
48 

42 
46 

45 
49 



47 


50 


39 


40 


48 


51 


49 


52 


II 


II 



19 



14 
15 

21 
18 
17 

20 
16 
2Q 



34 



33 
31 



32 



35 
36 

37 
30 



38 
II 



XXXlll 



VOLGNUMMERS BIJ 



M.T. 



Gariofilatis .... 
Vdrocopion olympiacum 
Yera forlissima Galeni 
Yera logodion . . , 
Yera pigra abbatis. 
Yera pigra Constantini 
Yera pigra (ialyeni 
Yera Rufini .... 
Ygia greca .... 

Justinum 

Katarticum imperiale . 
Litontripon .... 
Mei myrtinum , . . 
Mei rosaceum 
Mei violatum . . . 
Metridatum . , . . 

Micleta 

Musa enea .... 

Nefrocatarticum . 

Oleum camoraellimum 

Oleum frigidissimum . 

Oleum mandragoratum 

Oleum myrtinum 

Oleum rosatum . 

Oleum sambucinum 

Oleum violaceum 

Opilectuarium 

Opopira magna 

Oxy. . . . 

Oximel. 

Oxizacara . 

Panchristum antidotum 

Paulinum antidotum . 

Pigra Galeni . 

Pilule ante cibum 

Pilule arabice 

Pilule artetice . 

Pilule auree . 

Pilule cinoglosse 

Pilule cotie . 

Pilule de aloë et mastiche 

Pilule de elacterio . 

Pilule de fumo terre 



14 V. a. 
14 V. b. 

21 r. a. 
21 r. b. 
2 1 r. b. 
21 r. a. 
21 r. a. 
14 V. b, 

14 V. b. 

15 r. a, 
15 r. a. 

15 V. a. 
15 V, a, 
15 r. a. 
1 5 r. b. 
1 5 r, b. 

15 V. a. 

16 r. a. 



16 r. a. 

16 r. a. 
15 V. b. 

15 V. b. 

16 V. a. 
%6 r. a. 
16 V. a. 

16 r. b. 

17 r. b. 



16 V. b. 



16 V. b. 



56 
58 

129 
132 

13' 
128 
130 

57 
59 
60 
61 

65 
66 
62 
64 
63 
67 

74 



72 

73 
68 
69 

71 

70 

77 
76 

87 



81 



79 



50 

52 

146 

141 

145 
144 

143 
142 

5ï 
53 
54 
55 
.32 
59 
60 

56 
58 
57 
61 
67 
68 
66 

. 65 
62 

63 
64 

69 
70 

72 
71 
75 
74 
76 
86 

87 
81 

79 
85 
89 



91 



53 

55 

149 

144 
148 

H7 
146 

145 
54 
56 
57 
58 
33 
62 

63 

59' 

6x 

60 

64 

70 

71 

69 

68 

65 
66 
67 

72 
73 
75 
74 
78 
77 
79 
89 
90 

84 
82 
88 
92 
93 
91 



39 



90 



92 

91 
40 

41 
42 

43 
28 

45 
46 

44 



51 
49 
47 
50 
48 

52 

54 
53 

55 
56 



59 



80. 

84. 
189. 
182. 
186. 
186. 
182. 
184. 

82. 

84. 

86. 

86. 

57. 

94. 

94. 

88. 

92. 

92. 

94. 
107. 
108. 
105. 
105. 

'05. 
104. 
104. 

96. 

98. 

lOI. 

102. 

I02. 
112. 
IIO. 

115- 
124. 

'25- 
121. 
118. 
123. 
125. 
117. 
125. 
127. 



XXXIV 



VOLGNUMMERS BIJ 



.5 bp 



M.T. 



Li 


L2 


84 


87 


80 


83 


82 


85 


90 


— 


83 


86 


78 


81 


83 


86 


77 


80 


73 


76 


92 


94 


95 


97 


96 


98 


93 


95 


94 


96 


lOI 


103 


107 


109 


105 


107 


102 


104 


103 


105 


106 


108 


107 


109 


105 


107 


108, 


IIO 


IIO 


112 


104 


106 


102 


104 


103 


105 


98 


100 


109 


m 


100 


102 


99 


lOI 


97 


99 


118 


120 


ii'7 


119 



Pilule de quinque generibus 

mirabolanorum . 
Pilule diacastoree . 
Pilule eptomere (optomere) 

Pilule fetide 

Pilule probate c. fluxum ven- 

tris 

Pilule regis 

Pilule sine quibus esse nolo 

Pilule stipticie .... 

Potio muscata maior . . 

Potio sancti Pauli 

Quadrimeron . 

Requies . 

Rodosacara . 

Rosata magna 

Rosata novella 

Rubea trociscata 

Sal sacerdotale . 

Syroop iegen alle maniereu 

van menisoene . . . 
Syroop iegen apostemen . 
Syroop rosaet .... 
Syroop vyolaet .... 
Syrupus acetosus. . . . 
Syrupus c. acutas passiones 
Syrupus c. omnem fluxum 

ventris 

Syrupus c. pleuresim . 
Syrupus de fumo terre 
Syrupus de papavere 
Syrupus diureticus . 
Syrupus nenufarinus 
Syrupus rosaceus 
Syrupus violatus 
Sotira magna. 
Spongia somnifera 
Stephania . . 
Stomaticum calidum 
Stomaticum frigidum 
Suker vyolaet . . 
Theodoriton anacardinum 
Theodoriton yperiston 



17 r. a. 
17 r. a. 
17 r. a. 



17 r. a. 
17 r. b. 

16 v. b. 

17 r. a. 
16 v. b. 

16 r. b. 

17 r. b. 
17 V. a. 
17 v. a. 
17 r. b. 
17 r. b. 
17 v. a. 

17 v. b. 

18 r. b. 
18 r. b. 
18 r. b. 
18 r. b. 



18 r. 1). 
18 r. b. 
18 v. a. 



84 

82 

83 



85 
86 
80 

85 
78 

75 
88 
92 

93 
90 

89 
91 
95 

104 
103 
100 

lOI 



104 

103 
105 



18 r. b. 102 

18 r. b. I 100 

18 r. b. I lOi 

17 V. b. i 96 



18 r. a. 
18 r. a. 

18 r. a. 
17 V. b. 

19 r. 1). 
19 r. b. 



99 
98 
97 
94 
112 
1 1 1 



60 



61 

58 
61 
57 

62 
64 
63 



68 
69 
71 



68 
69 



67 
66 

65 

75 
74 



XXXV 



VOLGNUMMERS BIJ 



M.T. 



Lt 


u 


F, 


112 


114 


— 


III 


"3 


— 


ii6 


118 


73 


114 


Ii6 


— 


113 


115 


72 


"5 


117 


— 


122 


124 


— 


125 


127 


— 


126 


128 


— 


124 


126 


— 


120 


122 


77 


119 


121 


76 


121 


123 


78 


123 


Ï25 


— 


138 


141 


— 


132 


134 


82 


135 


138 


87 


131 


133 


84 


— 


137 


89 


134 


136 


80 


140 


143 


88 


«33 


135 


85 


136 


139 


86 


139 


142 


— 


130 


132 


83 


137 


140 


81 


127 


129 


79 


128 


130 


— 


129 


131 


— 


«47 


150 


93 


97 


99 


65 



.2 bjo 



Theriaca diatessaron . 
Theriaca magna. 
Triasandali .... 
Trifera magna . 
Tiifeia saracenica . 

Trionfilon 

Trocisci croci magnetis 
Trocisci de aniso . . 
Trocisci de tyrio . . 
Trocisci diacoralli . 
Trocisci diani . 
Trocisci diarodon . 
Trocisci ydiocri. 
Trocisci squillitici . 
Unguentum ad splenem 
Unguentum agrippa . 
Unguentum album . . 
Unguentum aragon. 
Unguentum aureum 
Unguentum citrinum . 
Unguentum c. serpiginem 
Unguentum dialtea. 
Unguentum fuscum. 
Unguentum laxativum. 
Unguentum marciaton . 
Unguentum populeon . 
Vomitus Nicholay . 
Vomitus patriarchae . 
Vomitus ad tertianarios 
Zingiber conditum . 
Zucharum violatum 



l8v. b. 

18 V. a. 

19 r. a. 
19 r. a. 
18 V. b. 



19 V. a. 

19 V. a. 
19 V. a. 
19 V. a. 

19 V. a. 

20 r. b, 

21 r. b. 
20 V. a. 

19 V. b. 

20 V. a. 
20 V. b. 
20 V. b. 
20 r. b. 
20 r. a.. 
19 V. b. 



21 r. b. 
17 V. b. 



107 
106 

IIO 

109 
108 



117 

114 
113 
H5 
116 

121 
127 
123 

119 

124 
126 
125 
122 
120 
118 



133 
94 



146. 
144. 
152. 
150. 
148. 
«53- 
159- 
161. 
160. 
161. 
158. 
156. 
158. 
158. 
179. 
168. 
180. 
174. 
167. 
164. 
183. 
176. 
i8o. 
178. 
170. 
168. 
160. 
163. 
163. 
188. 
133. 



fol. 9 r. a. 



^ ^^"^ ese boec heet nicholaus. ende ooc so heeft hi 
■ ^ enc« andre// name alse antitodarius. In de« welke« 
J W sijn geordineert vele manierew va« <:ö«fexien welc föw- 
^^-^ fexie te vtrstane es v^rgaderiwge va« vele simpelre 
medicine;/ ende substawciew. Wa;/t .i. di«c dat heet es 
in dew .2. graet ende me;/ dat geeft iege« ziecheit so en vierVet wiet 
vorder da;/ sine cr^cht \n die ziecheit. Y.nde wilt me;;t heetifre 
hebbe;/. so moet vixer .i. heet.fr toedoew ejide desgelike va;/ de;/ 
droge;/ vandew coude;/ ^;/d?^ vande;/ v^rscew, Y.x\de om dat me;/ 
vele di;/ge tempren mach. dat heete m(f/te;/ coude;/ Q.nde d;'öge 
m^/te;/ verscen. daé'ro;«me heeft me;/ se gefö;/sidereert ') te hope. 
Knde oec dat .i. medici;/e mogend.?r es tew^rkene an ene stede 
va;/ de;/ lichame da;/ ene andere medici;/e also o;/s orconde;/ 
die doctoors. Welke conkxien -van dese;/ boeke sijn geordineert 
o;;/ te houdene de;/ m^;/sce i;/ geso;/theide;/. en^?'^ te wachtene 
va;/ ziecheide;/. r;/^^ de// zieke;/ te ga;/se;/e. en^'^ nat//re te 
bri;/gene 'm goede;/ state. Welke cojifexien van dese;/ boeke die 
hebbe;/ menig^;'ande namen gemeinlike. 1[ Sulke heete;/ latuariën. 
sulke heete;/ opiate;/. sulke pille;/. sulc cyrope;/. sulc trociske;/. 
sulc zalven, sulc plaestr^n ende sulke olye;/. De welke va;/ dese;/ 
name// vorseit elc heeft sine;/ /';'6>per name da^;'bi dat me;/se ke;/t 
ende eijsce;/ mach. ende jege;/ wat saken dat me;/se geve;/ sal 
r/zrt'^ geordineert sijn te w^;-kenen. Ende men sal elk^rlijc sine;/ 
name bescr/ve;/ altem^'/ dat hare steden valle;/ i;/ dese;/ boeke. 



i) 1. geconficieert. 



INCIPIT ANTIDOTARIUM NICOLAI. 

EGO Nicolaus ') rogatus a quibusdam in practica medi- fol. i r. 
cine studere volentibus: ut eos recto ordine moduni 
conficiendi dispensandique docerem: et certam eis 
tradcrem doctrinam: in qua de singulis usualium medi- 
cinarum : unam tantum vel duas aut plures libras conficere sci- 
rent: et quantum de unoquoque genere gummarum herbarum 
seminum et specierum inter omnes medicinas subscriptas accipc- 
rent: eis ^) inscriptis redigerem : necnon quibus egritudinibus pro- 
prie ipse mcdicine probate fuerint. Illorum tandem precibus ad- 
ductus: talem eis tradidi doctrinam. Et primo de speciebus. Tria 
igitur requiruntur in ipsa dispensatione. Primum ut omnia equa- 
litcr ponderentur tam in speciebus quam in gummis et herbis 
secundum proprium pondus uniuscuiusque. Secundo ut non sint 
nimia vetustate consumpta. Tertium ut radices: herbe : et semina 
congruis temporibus sint collecta. et in congruis locis reposita. 
ita ut a fumo precipue et a nimia humectatione et humido loco 
corrumpi non possint. In conficiendo autem tria considerantur 
similiter meilis puritas et omne ^) quod sufficiat. et equalis pul- 
vcris cribellatio. et syrupi ad aque consumptionem fiat decoctio. 
In puritate meilis duo actenduntur .i. ne sit (fol. i v.) aquosum fol. i v, 
aut*) nimis coctum. sed quod sufficit: nihil aliud est dicere nisi 
ut specierum pulverem colligere tantum valeat et conservare. 
Tribus namque de causis ponitur mei in medicinis. Prima nam- 
que ^) ad conservandum est nam pre ceteris liquoribus mei con- 
servativum est ^'). Secunda quia mundificativum est valde. Tertia 
quia sua dulcedine specierum amaritudinem temperat. Pulveris 
autem cribellatio duobus modis debet fieri. nam in electuariis 
subtilissime debet cribellari : in aliis vero medicinis grossior ^) 
debet esse : et maxime in laxativis. predicte vero doctrine magna 



l) Zie over de inleiding in het stukje Nic. en zijn antid. — 2) in L., volgt nog 
scilicet. — 3) ontbreekt in Lj. — 4) L.j". secundum ut non sit, — 5) ontbreekt in 
1-2 . — 6) L._j : crassior. 



fol. 9 r. a. b. 




I. ^ y W ^urea alexandrina hebbew die fisisine vondew/r^/^r- 
leke iegen alle deerew va« de« hoefde dat wan coudew 
co;;/t. Knde meest iege« die pine van den reume die 
ute« hoefde valt te« ogew ende oren. ende ten ta«t- 
vleesche ned<?;'valt. Ende iegen alle pine van den 
lichame dat \an coudew comt. Dat .8.ste deel vawd^r conïexïèn es 
.$2.%. *\ Neewt asari. carpobalsamu;;/. dats vrucht vand<fr balsemew. 
beilde elcs .2.5. ende .8. nagle opii. mirre, cyperi elcs .2.3. balsami. 
foi. 9 r. b. dats verschelt (f. 9 r. b.) vandor balsemen ja waer so gijt vint. folie, 
zedewale. gingeb^A'^. costu»«. corael. cassia lignea. cicelei. dats 
sermowteine wer so ment vint. synapi dats senepsaet wer so 
me«t vi«t. bevenelle. anijs, dille, elx .1.3. ligni aloës. reberbe. 
bev^rcul. spijcnardi. calam^wti es ene gowme wer so me«t vint. 
oppopanac. anacardi. mastijc. levende sulfer, pyonie. yringiro '). 
thuri -) gladie. dats achori wer me;/t vi«t. polioew. die ro«de 
aristologie. gewtiane. goud. : zelv^rscume. /<f;'len. blance. bisancie. 
dbee« vandor herten vanden hert elx .1.3. limatwre of ferringo 
dats datmew vijlt van ys^'re werso ment vint. elleborus calami 
aromatici dats riet wer ment vint. armowiac. pertxec elx .1.3. 



i) 1. yringi. ro(sarum). — 2) 1. thimi. 



5 

et multiformis consistit utilitas '). Nam ciim aliqua indigeremus fol, i. v 
medicina eam aut totam aut partem oportet faccrc : aut ccrte 
ab alia persona carissimam '") : aut fortc corruptam emere coge- 
rcmur: aut eam facere totam aut omnino inutilem. aut certe 
essct impossibile. necessario autem carere ea : aut ^) aliquod isto- 
rum inconvenientium nos oporteret incurrere. Sed huius ^) scientia 
non solum hec vitabuntur incommoda: verum ctiam multa in- 
veniuntur commoda "'). Hac namque doctrina bona fiet medicina, 
et demum perfecte operabitur corpori abhibita: necnon levior 
erit expensa. Scire autem quantum de unoquoque genere gum- 
marum et herbarum seminum et specierum inter omnes accipiant 
medicinas non est inutile. per hoc enim facilis et certa erit notitia 
emptionis: leve precium et moderata dispensatio. 

Aurea quando datur caput a langore levatur'^). fol. i. v 

AUrea alexandrina '^) dicta est ab auro. alexandrina (f. 2 r.) fol. 2 r. 
ab Alexandro peritissimo philosopho ') inventa est. 
proprie valet^) ad omne capitis vitium ex frigidate 
maxime : et ^) ad omnem reumaticam passionem que 
a capite ad oculos et aures et gingivas descendit: et ad gravedi- 
nem omnium membrorum que fit de eodem humore. ^) datur eunti 
dormitum cum vino calido "^j .xviii. pars confecta est .ft'.ii. ^) Recipe 
asari carpobalsami iusquiami an .5.ii. et .8.")^) gariofilorum opii 
mirre ciperi afi .5.ij. balsami cinamomi folii zedoare ^) zinziberis 
costi coralli casie lignee euforbii dragaganti turis meu ^'^) storacis 
calamite saliunce ^^) cardamomi ''*) siselei '^) napei ^'^) saxifragie ''') 
aneti anisi aiï .^.i. ligni aloes reubarbari "^) alipte castorei spice 
galange opoponacis '^) anacardi masticis sulfuris vivi '^) pionie 



l) Deze zin ontbreekt in Fj. — 2) L.2: carissima. — 3) ontbreekt in L., (druk- 
fout?). — 4) hierna ontbreekt: operis, wat in Lj wel staat. — 5) in L,, volgt nog: 
consequenter. — ■ 6) NM : Aurea Alexandri ; in Lj begint dit recept bij Aurea 
quando datur. tot 1^ veel uitgebreider in Fj. — 7) ontbreekt : a quo. — 8) tot 
9) ontbreekt in F,. — 9) zie 9). — 10) in F^ is deze voorrede uitgebreider, 
waarbij de schrijver zich blijkbaar van de Lt. Gl. bediend heeft. — 11) Fj alleen 
■S-ii.; — 12) ontbreekt in Fj. — 13) ontbreekt in F, en Fj. — 14) ontbreekt in 
F, en NM. — 15) in Fj volgt eerst sinapis. — 16) NM reupontici. in Fj volgt 
na reu barb. reupont. — 17) F2 opobalsami. 



fol. 9 r. b. 



ende .2. granen. zee;« dats genouch si. Ende men saelt geven 
in die grote va;/ .i. haselnot me^ wine alse men slapen gaet. 




'drianUM es goet iege« alle deere// van den hoefde 

dat van couden comt ende \egen sw^rheit va« den 

hoeftswere ^^^^| oge«. ende iegen oudew hoeftsw^fre .lo.ste deel van- 

der confexlen es .5. 'S'. % Nemt opii tebaici .3.5. cassia 

lignee. beide ') elcs .3.5. ende .83. euforbiuw . leuco- 

p\/>erïs elcs .2.5. ende .6. coorne ende .8. sicelei. apiesaet elcs. .1.5. 

ende .8.3. ende .2. coorne. folie. me;/te diei« evenen wast dragawti elx 

.1.3. riet. oppobalsami. storax, gingeb^re. silobalsami. saet van 

macedoniën elx .2.5. ende .5. corne min -) maratri. dats venkelsaet. 

cynamomi. spice. celtice. costuw. rewpontice ^). pivetri. acori. dauci. 

cretici. dats past^rnake: elcs .1.8.5. en^?^ .6. corne bev^rcul. sera- 

pini. mirre, sop van rose«. cardamomu;;/ dat sijn wat^rkerssen 

so w^rmewt vint. rute. amomisse ^). agrestwj. ameos elcs .1.3. 

en^^^- .4. corne. zeem dats genouch si. Knde men saelt geven n\et 

v/ermen wine da^r salie i« gesode« es alse me« slapew gaet also 

quarteine groet alse .1. haselnot. Y^nde men saelt oec geven iegen .4.dc;/ 

dach corts vore den acces me^ wine da^r in gesodew es pigami. 

steen H Knde men saelt oec geven die den steen hebben me^ wine da^r 

graveel i« gesode» es gremil. Knde iegen gr^veele sal me«t oec gevew. 



ï) 1. beilde. — 2) I. minus. — 3) 1. re//i). — 4) in plaats van „rute. amomisse. 
agrestus" 1. : amomi se(minis) rute agreste. 



yringi ^) rosé thimi acori-) pulegii aristologie longe gentiane corti- fol- 2 r. 
cis mandragore camedreos fu ^) baccarum lauri amei dauci •') macro 
piperis leucopiperis xilobalsami karvi amomi petrosellini ^) semi- 
nis -) levisttci -) rute seminis sinoni -) an. .^.i. et .S. *) auri puri- 
ficati •"') argenti meri albarum ^) margaritarum blacte bizantie ossis 
de corde cervi an .9.i. et grana .xiiii. '') eboris limature calami 
aromatici piretri an. grana .viiii. ^) meilis quod sufficit. detur in 
modum avellane ^) "^) febricitantibus cum acqua calida : non febri- 
citantibus ") cum vino calido '^. 

Curat quartanam si sumitur hoc adrianum '^). fol. 2 r. 

2. y4 Drianum '*) dictum est quod ab Adriano imperatore 

romanorum compositum fuit. valet proprie ad omne 
vitium '^) capitis ex frigiditate et ad gravedinem ^^) 
oculorum et obscuritatem ""') contra emigraneam : 
datur cum vino calido : ubi cocta sit (fol. 2 v.) salvia in sero in fol. 2 v. 
modum avellane : detur etiam quartanariis cum decoctione gen- 
tiane vel pigami ") ante horam accessionis. datur etiam accipitri '^) 
lapidem habenti. Sed si homini habenti lapidem detur cum vino 
in quo cocta sit saxifragia vel milium solis. decima pars con- 
fecta est libr. i. Recipe opii tebaici .^.iü. casie lignee iusquiami am- 
borum '^) aii .5.ii. et grana .vi. et tertiam partem unius grani ^"). 
siseleos '-') ^-) seminis apii an .5.!. et .9.8. et grana .ii. '^^) folii ori- 



A 



i) Bij NM volgt nu eerst; carnis palmular. hermodact. alb. et rub. — 2) ont- 
breekt in F,. — 3) ontbreekt bij NM. — 4) L2, F, en NM 5.S. — 5) in F, en 
Fj volgen nu : Petrosellini, levistici, meu. — 6) F, en Fj ambarum. — 7) I..2, F,, 
NM alleen gr. xiiii. F2: an. partes .ii. et .3.1. et g. xiiii. Bij NM volgen nu eerst: 
lapid. saphiri, smaragdi, raspidis an. .5.1. Nucis avellanae ..^ii. — 8) Fj .ix. ou.viii.. 
NM gr. xxix. — 9) van hier af ontbreekt alles bij NM. — 10) tot 11) niet in F,. — 
11) zie 10). — 12) F, en Fj hebben nog: en allant dormir. — 13) deze woor- 
den alleen in Lj. — 14) F.2 én NM: Antidotum adrianum. tot ]Jt bij NM uitge- 
breider. — 15) F, dolor. — 16) tot J^ ontbreekt in F,, in de plaats daarvan 
leest men er : 11 n'est ore mie confeit (het wordt tegenwoordig niet meer gemaakt) 
mais en sun leu (son lieu) est mise Aur. Alex. ; tot ]^ ook niet in Fj. Zie 19) pag. 9. — 
17) L., origani. — 18) Fj: Elle soit donnée et prinze a cellui qui a la pierre. Men heeft 
hier met eene corrupte plaats te doen. In de Lt. Gl. wordt nergens van een 
accipter gesproken. — 19) Hierna ontbreekt in L, : aü .5.1!. et .3.ii. et .S. (F| 
alleen .s-ii. ; Fj alleen: .g.ii. et .3.ii.) euforbii, leucopiperis. Dit vindt men wel in 
L.2, F|, Fj en NM. — 20) et tert. part. unius gr. ontbreekt in F,. — 2i) hierna 
volgt in Fj: .g.v. — 22) van hier tot 23) ontbreekt in F,. — 23) zie 22). 



fol. 9 r. b. ; 
9 V. a. 



fol. 9 V. j 
borst 
hige« 
artetike 
fleume 
heeste» 




'charistUM. es goet iegen gebrec. e'fu^e iegen alle sw^r- 
heit vandor borst dat (fol. 9 v. a.) van coude;/ comt. 
ende meest iegew hige« ende iegew artetike. ende iegew 
hoeste ende iege// fleumew die vloyew entew mo//de 
op comew .ó.ste deel es . i .ft'. ^ Ne//^t apisaet. costi. opii. 
indi ') galbanuw. ysope. lijnsaet. tamariwdi. elx .1.5. spice. corael. 
soffraew. silobalsami. cassia fistula. riet. rewpontici -) mirre, storax 
calamita. ende storax liq?//da. dat sijn beide go/zmiew. calamiten ^). 
oppopanac. bedelli. armowiac. olibani, cicidon. celtice es .1. maniere 
va« soute. averone. acori. asari. roris. siriaci. danni akon "*), dat 
es olye vaw bayew. piretr/. armowiac. anijs, sillii. dauci. swert olij- 
cruut ende wit. lovesche. melanopip^ris. clx .1.5. ^x\de .i.S. zee;;/ 
dats gnouch si. % Ende men salt gevew savonts me^ witte;^ vvine 
warm. 



l) staat er te veel; in MT staat tamarindi wat hetzelfde is als foenicon indi 
van den latijnschen text. — 2) 1. rewpontici. — 3) herhaling van (storax) cala- 
mita. — 4) 1. danni alkon. 



gani draganti an .^.i. opobalsami petroselini ') macis ^) storacis fol. 2 v. 
calami ■') zinziberis xilobalsami ciperi *) carpobalsami "') an .^.i. 
musci ^) grana .vi. '') seminis maratri ^) calami aromatici aiï .9.ii. 
et grana .ii. - ') cinamomi spice '") croci costi reupontici *)piretn 
acori dauci cretici anisi an .3.8. et grana .vi. castorei .5.!. et 
.8. '*) scrapini ') mirre rosé cardamomi amomi rute '') agrestis '^) 
seminis ameos aiï .9.i. '"*) grana .iiii. casie fïstulc .^).i. '"') '*') Alii 
addunt lilifagi. ..j.ii. '^) *^) meilis quod sufficit '^). 

Catarrum frigidum mire solvit hoc acharistum ^"). f"l- 2 v. 

3- ^ CHaristum *) sine numere interpretatur. et proprie ') 

datur contra catarrum et contra omne vitium pec- 
toris ex frigiditate. *) maxime asmaticis ') arteticis 
tussientibus. *)confert fluxum patientibus. flegmaticum 
per os datum in sero cum vino albo calido*') .vi. pars est .libr.i. ^). 
Recipe costi galbani opii ^-) fenicon ") indi ") ysopi seminis lini ':') 
an .3.1. spice croci -*) coralli xilobalsami casiefistule. ^''*) xilocassie 
calami aromatici reupontici mirre storacis ^'') calamite'-*) opoponacis 
bdellii armoniaci *'"') olibani '-') cicidon celtice -^) abrotani acori -") 
asari -') blacte ''") roris siriaci ") squille ■'-) dampnidon piretri ^^) 
amomi '■^^) anisi (fol. 3. r.) psillii ozimi ^*) dauci levistici maratri mico- fol. 3 r. 
nis ^*) melanopiperis macropiperis leucopiperis floris ^''') siriaci ^^) 



A 



i) ontbreekt bij NM. — 2) ontbreekt in F,, Fj en NM. — 3) 1. calamite. — 
4) van hier tot 7) ontbreekt in F|. — 5) in Lj, F2 en NM volgt nog macedonici, 
waarna Fj nog macis heeft en NM sinonis. — 6) L2 minus, ook NM en Fj heb- 
ben: minus .gr.vi. — 7) zie 4). — 8) in Lj, Fj en NM volgt nu: .3.ii. et .gr.viii. 
(Fj .gr.ix.). in F| volgen nu : piretri, acori. — 9) Sommige texten hebben : semen 
lini. (se. lini) leest men in „Additio" behoorende bij Acharistum (fol. 164^/ E;^), 
gewoonlijk echter vindt men selini. — 10) ontbreekt in Lj. — 11) ontbreekt in 
F,. — 12) L2, Fj en NM : .3.8. — 13) ontbreekt in Fj. — 14) F,: .5.1. — 
15) hierop volgt bij NM nog: Salviae .5.11. — 16) tot 18) ontbleekt bij NM. — 
17) Lj, F, en F2 : .g.i. — 18) zie 16). — 19) in F] en FgVolgen nog eenige 
regels, welker inhoud ongeveer overeenkomt met 't geen in men in L| vóór 
„Recipe" vindt. — 20) deze woorden alleen in L,. — 21) ^"2 voegt nog toe: et 
a ceulx qui ont fièvre avec yaue (eaux) chaude; van „per os datum" af vindt men 
in F., aan het einde van het recept geplaatst. — 22) NM apii. — 23) F, : g.ii. — 
24) ontbreekt in F,. — 25) in F, volgt eerst nog: ache (apii). — 26) F2 amomi. 
— 27) ontbreekt bij NM. — 28) ontbreekt in F,.; L2: spicae celticae. — 29) tot 

31) ontbreekt in F,. — 30) Lj. Fj: Brathyos. ontbreekt bij NM. — 31) zie 29). — 

32) F,: squille marin. — 33) NM cinamomi. — 34) F,: vesce (orobi). — 35) ont- 
breekt in Fi en NM. 




fol. 9 V. a. lO 



'thanasia es properlike goet iegew die vloet van bloede 
van den wiven dat me« heet mewstrua. het es oec 
goet die bloedende sijn bove« of bencdew ^ Me« 
saelt gevew met regenwatere daer wegebrede 'm ge- 
sodew es. Me« sal oec tsop vandor wegebrede» doe« 
op .1. mar<^^rsteen ende wrivew tsop met lapis ematices. dats .i. stee;/. 
'Ende me« sal wriven so lange tsop dat bloet root v^éri. dan salmewt 
gevew metier medicinew getew/^rt. Dits oec goet iegew dbloede// 
vandew nese ende doet strewmen ^ Newt caneele. cassia fistula : 
elx .3.5. &nde .8. corne. soffraew. squinawti dats planecruut so 
wer me«t vint. storax calamite. valeriane. beilde. veronicis '). anijs. 
apie. elcs. ond^r ,8.5. ende .3. granen spice. folie, bev^rcul. mirre, 
ematices. wit corael. drak^wbloet. comij«. coste. holmn avm^mcwtn. 
cinfitilemas -). operment ^). asari. acori. ma;/dragore. polyoew. bacce 
lauri lencopiperis *). persijn va« macedoniëw elx .1.8.5. zeew dats 
gnouch si =* Me« saels gevew .3,3. metten vorseidew sope op de« 
memsoen steew gewrevew f 'Ende hets goet iegew .3.ma«iere« van meni- 
soene alse lyenteria. ende dissenteria. ende dyaria ; me«isoe«. 



l) 1. vetonice. zie woordenlijst. — 2) 1. simfiiti. Icnias. — 3) staat er te veel 
(lenias .i. auripiginentum Lt. Gl. 178, H). — 4) 1. leucopipeiis. 



A 



tl 

aiï .'^.ii. ') elempnii .9.i. et .S. ") ellebori nigri zinziberis an .9.i. ^) foï- 3 r- 
mei quod sufficit *). ^ 

Dissintiendos subvenit athanasie '). 
4. A THanasia ^) .1. immortalis proprie valet ad fluxum san- ^^^- 3 r. 

guinis mulieris. datur cum succo plantaginis: ') qui 
succus debet prius duci super lapidem molarem cum 
lapide emathitide tamdiu donec in sanguineum colo- 
rem vertatur: et cum tali succo distemperata medicina detur, et 
eadem bombice intincta et sepius in vulva missa sanguinem con- 
stringit. hoc quidem facit emothoicis cum tali ordine distempe- 
rata. ^) et naribus actracta fluxum sanguinis narium sistit. Sexta 
pars confecta est libra .i. ^). Recipe cinamomi casie '") an ..^.iii. et 
grana .vi. ") croci orientalis '^) squinanti storacis calidi '"') fu 
sileris '*) iusquiami apii dauci anisi ")opii an .3.!. et .S. et grana 
.iii. "^) spice folii '') castorei ''*) mirre lapidis emathitis sanguinis 
draconis coralli rubei mumie ^^) costi boli simphiti ^^j lempnias '°) 
asari acori corticis mandragore pulegii ^**) baccarum ^') lauri meu ^-) 
macropiperis Icucopiperis petroselini aiï .^.i. -^) meilis quod suf- 
ficiat. dosis eius est .3.iii. ^*) cum succo plantaginis propinata 
lientericis discintericis et ad diariam valet '•^''). 



i) Fj ; .5.ii. Vóór elempnii staat in F| nog: ros marin. — 2) F]: .^.i. et .S. — 
3) F]: .5-i' — 4) i° Lj volgt nog: sumatur c. vino cal. in sero. — 5) deze woor- 
den alleen in Lp — 6) tot ]^ zeer verkort bij NM. — 7) tot 9) ontbreekt in F,. — 
8) F., heeft hierna eerst: elle assouaige merveilleusement Ie flux de ventre. — 9) zie 
7). — 10) Lj, F|, Fj en NM hebben cas. fist. — li) L-j en F^: .^.\n. et .gr.viii.; 
F,: .s.iii.; NM: .g.iii. et .gr.vii.. — 12) ontbreekt in Lj, F,, Fj en NM. — 13) 1. 
calamite. — 14) in F, volgt nu: vetoine, in Fj: be- tonice, karabe. — 15) in L-j 
volgr nu eerst: Charabe. — 16) F, alleen: .3.i. et .S. — 17) F, fuille (feuilles) 
de girofle. zie folium in de woordenlijst. — 18) ontbreekt bij NM. — 19) Fj auri- 
piraent; NM helenii. — 20) Lj, Fj, Fj en NM: polii, wat wel juister zal zijn dan 
pulegium ; ook in MT staat polyoen, wat steeds als vertaling dient van polium. — 
21) NM folior, — 22) ontbreekt in F,. — 23) L2, F|, Fj en NM: .5.8. Bij NM volgen 
nog verscheidene simplicia. — 24) van hier af niets meer in F|. — 25) zie 24). 



fül. 9 V. a. b. 



12 



rede 5 • 
tertiane 

fol. 9 V. b. 
rede 
geelsucht 




'IcaNCalon suldi geve« iege;/ febre acuta. dats .i.een- 
perVijc corts met cyrope vyolaet. ende doeter toe 
warm borne. Me« saelt oec geven icgew tertiane mei 
.2. of met .3.9. goeder rebarbe/z. of nW waté^re getem- 
pert lau. so eist goet (fol. 9 v. b.) iegew ogew die ver- 
hit sijn va^/ de« dome van colere/^ of va« eew/'frliken cortsse die 
van hittew comt. ende iegew die geelsucht suldijt geve« vciet sope 
vandor scariolen of vi\et venkelsope gesodew vixet polipodiuw. .8.ste 
deel es .2M. % Ne;«t mirabolani citrini. kebuli ende elcs .8.3. 
ende .8. granen, mastic. .2.5. ende .i.S.3. tamari//di .3.^, berberis, 
rebarbe elx. .1.5. ende .3. granen, cassia fistula .4.^. ^ Dus seldijt 
con^cxexen. \n .2. ft', waters suldi ziede« viol^w .i.S-o. tote dat 
vvat^'r begi//t te v^rwene, dan doet af. ende ne;«t va;/ de« sope 
gnouch ende dwaet da^r mede cassia fistula ende tamarindis va« 
harew steenew. ende d^rna suldijt zie«. ende doet^r toe suk^-r 
ondrr .S.ft'. ende doet ziedew dat sop tote dat al v<frsodew si. da« 
so nc;«t die waschinge vandor cassia fistula ende va« tamariwdi. 
ende yXedet soldat dicke w^rde metten suk^re. ^Knde d//j suldijt 
proevew oft gnouch si. Knde oec alle confexlen met suk^re ge- 
sodew. lates vallen enew dropel op .1. marbersteew. \\otet niet 
no ew breide/, so eist gnouch. Ende also met zeeme. Dan suldijt 
afdoen ende luttel latew coclew. da« óoeter in die vorseide poe- 
óren. ende minget met .1. spatule. ende daw bestad^/ 11 Dit seldi 
gevew savonts met wermen wine .3.3. of met warmen borne. 



A 



^3 

Alcancalon istud febribus confert peracutis '). foi. 3 

c A Lcancalon-) ^).i. unctum bonum.-)'*) datur patientibus 

acutas febres cum syrupo ') violato "') vel aqua fri- 
gida *^). datur tertianariis et duplici tertiane cum 
duobus .3. ^) aut tribus bopi^') reubarbari. et aqua 
tepida diste mperatum ^) et bibitum mirabiliter (fol. 3 v.) medetur *). fol. 3 
et datur contra caliginem oculorum patientibus ex fumo ®) et 
calore ^) : ^) vel ex acuta febre. epatycis *) yctericis datur ^) cum 
succo scariole *) vel feniculi : aut cum decoctione capillorum 
veneris') .viii. °) pars. est librae .ii. ^) Recipe mirabolanorum citrin. 
kebul. corticis '"). an .3.vii. ") indorum .5.vii. squinanti '^) por- 
tulace violarum scariolarum '°) '^) an .^.8. '*) bellirici emblici aïï .5.i. 
et .gr.vii. '^) masticis .5.ii. et .'ê.i. '*^) tamarindi .^.iü. floris nenu- 
faris berberis ^) ben rubei')^^) reubarbari '^) an .3.i. et grana .iiii. '°) 
medulle-") casiefistule ^^) .^.iiii. ^^) conficitur sic ■■^^) in duabus libris 
aque pone syrupi^^) violati •^^) .*.S. ^*) et bulliat donec aliquantulum 
coloretur ") aqua. ^^) postea ab igne deponatur et coletur. de eadem 
aqua accipiatur quod sufficiat ad abluendum casiam fistulam et 
tamarindes, cola per catiam et cum alia aqua addatur libra .i. 
et .8. zuchari et bulliat usque ad aque consumptionem ^^). postea 
addatur lotura '-^) casiefistule et tamarindorum et iterum bulliat 
ad spissitudinem -^). Si vis probare si coctum sit : ponatur ^'^) super 
marmore : et si adhereat quasi mei coctum est : -^') et tune ab 



i) deze woorden alleen in L|. — 2) Lj : Evangelon .i. nuntium bonum; Fj: AI- 
chanca Ion c'est a dire bon commencement. NM: angelokalos. tot T^ korter bij 
NM. — 3) tot 4) ontbreekt in F,, — 4) zie 3). — 5) ontbreekt in F|, — 6) F| 
tiede. — 7) F, .g. — 8) Lj: ex fumo cholerae rubeae. F2 : par fumée ou par colère 
rouge. F, : qui vient de cole (colère). NM heeft dit niet. — 9) Lj .ix. — io) ont- 
breekt in F, en NM. — ii) Ljt .5. viii. — 12) ontbreekt in Lj, F|, Fj en NM. — 
13) NM: violar. purpurearum. — 14) F,: .3.S. — 15) F| : .g.i. ; Fj: :3.i. et .gr.vi. 
nu volgt in Fj eeist: sem. maratri .g.ii. et .gr. viii. cal. arom. .g.ii. at .gr.ii, cinnam. 
spice, croci, costi. — 16) F,: .g.ii. et .S. ; Fj: .g.ii. et .3.ii. ; NM: .g.i. .3.1. — i7)Fj; 
been alb. et rub. — 18) ontbreekt bij NM. — 19) Lj en NM : .g.i. et gr. iii. 5 Fj : .g.iü. 
20) F,: cassiafist. moêlle de veau. — 21) F,: .g.iiii. — 22) Bij NM vindt men on- 
geveer dezelfde bereidingswijze met andere woorden beschreven. — 23) F,, Fj en 
NM: violar. — 24) F, en F^: .g.i. — 25) NM: ad tertias coquito. F,: doqueil 
Taive seit degastée (totdat het water verdampt is). — 26) tot 27) ontbreekt in F,. 
— 27) zie 26). — 28) ontbreekt in F2. — 29) ontbreekt in Fj. — 30) ontbreekt: 
gutta, wat wel in F2 voorkomt. 



fol. 9 V. b; 
lo r. a. 



H 




fleume 



humoren 



fol. lo r. a. 



ntimoron es goet jege« hoedswere die achter den 
hoefde es '). ende iegen litargië;/. ende iege ^) swinde- 
liwge va« hoefde vorew dat mei ere dowk^rheit co;«t. 
ende jege;/ gescot of fled^rcijn in de hawke. ende iegew 
Vé'rstopte lendenen, ende legen die baermoed^r. ende 
iegew artetike in de ha«de« ende iegew owgedane varwe. ende iege;/ 
alle ziecheit va« viscos^r fleumew ende datt^r mei gemiwct es. entie 
ha^r spise qw^Hike v^rteeren mogen. Rnde p?/rgiert fleume ende 
rode col^;v ende waterachtige huw/orew .8.ste deel es .i.tt'. ^ Ne;;/t 
aloë .5.5. ende .8. ende .6. granen, soffraen .1.S5. ende .5. granen. 
silobalsami .1.9. ende .2. granen ende .8- canele .1.5. ende .5. gra- 
nen, ellebori nigri .i.S.9. scamoneie .1.3. ende .5. gr^new asari 
.1.3. ende .5. granen, yreos .1.3. serpe«ti«e .i.'ê. ende .2. granen 
ende .1.8. cassia lignea ') .1.3. ende .5. granen, mastic. .1.3. ende 
.5. gran. coloqwmtida dats oec scamoneie so wer ment vint. aga- 
ric//.y. nitri. euforbii. bev<frcul elx .1.3. ende .$. {(o\, 10 r. a) granen. 
apie. petröciliu;//. p^^rsijn van alexander elx .1.3. ende .5. granen. 
laureola *) .1.3. ende .5. gr^^n. zeew dats gnouch si =* Me« saelt 
savowts gevew mei wermen watere in de gr^ete va« .1. ker- 
staewgiëw. 



menstrua 



steen 



'ntidotUM emagOgom ') es also vele te verstane alse 
mcwstrualijc bloet te leidene utew wivew alse va« 
der moeder die haer purgatiëw gewoewlijc niet en 
heeft. Hel pwrgeertse altc wel ende leit mewstrua. 
efide scoort den steen in de blasé ende doet wel orine 
make«. ende geneest die coude pisse. entie swere vander leveren 




i) zie litargië in de woordenlijst, — 2) 1. icgew. — 3) waarschijnlijk verkeerd; 
Antimoron is een laxat. (NM. Lt.Gl,), dus wordt waarschijnlijk cass. fist. bedoeld, 
dat laxeerend werkt. Zie verder cassia in de woordenlijst. — 4) zie in de woor- 
denlijst. — 5) 1. emagogum. 



15 

igne deponatur. et aliquantulum ') infrigidari pcrmittatur. deinde fol. 3 v, 
supradictarum specierum pulvis supcrspargatur. et cum spatula') 
agitetur donec ') incorporetur '). dosis eius est .5.iii. *) ut superius 
dictum est sero et ^) mane cum aqua tepida datur. 

Istud antidotum confert canis mulierum ^) M- 3 v. 

ANtimaron ''') -) .i. contra mortem quod ^) facit cepha- 
largicis litargicis '') stomaticis ') sciaticis ^) podagri- 
cis *) **) et de matrice laborantibus discoloratis ^) •"') ne- 
freticis : ^) et omnibus (fol. 4 r.) qui de te'nui ') aut vis- fi>'- 4 r- 
coso flegmate affliguntur. et his qui cibos non digerunt. ''^) flegma 
et coleram purgat et aquosos humores cum ventositate .viii. pars 
confecta est. libra .i. ^) Recipe aloes .3.V. et .8. et grana .vi. '") 
^) casiefis .^.i. et grana .vi. et .8. maratri ") masticis an .^.ii. 
grana .v. ^^)'') croci .5.8. asari .'S.ü. et grana .v. et '■*) silobalsami 
.9.ii. '"*) et grana .ii. et .8. ^) "^) cinamomi .9.ii. et grana .v. ") 
yreos '^) .3.i. aaron ^^) draguntee an .9.i. et grana .ii. et .8. ^") 
agarici colloquintide *') nitri cuforbii castorei ^') aiï .3:ii. et grana 
.V. alexandrii '-^) apii ^^) petroselini aiï .Id.ïi. et grana .v, ^^) ellebori 
nigri .5.8. ^*) diagridii .l^^.ii. et grana .v. ^^) -') cocognidii .9.ii. grana 
.V. -'"') ^^) mei quod sufficit ^^). 



A 



Ntidotum '■^^) .i. contradatum emagogum ,i. sanguinem fol. 4 r, 
menstrualem ducens : valens ad multas mulierum 
passiones. matricem que non usu purgatur purgat 
mirabiliter: menstrua educit. et fetus -^) in utero oc- 



cidit: quod postea extrahit. et post partum que non sunt pur- 



i) ontbreekt in F,. — 2) tot 3) ontbreekt in F,. — 3) zie 2). — 4) deze woor- 
den alleen in Lj. — 5) L.j Antimorum, F, Athanaton, F.2 Anthamiron, NM Diata- 
maros. — ■ 6) ontbreekt in Fj. — .7) ontbreekt in F, en NM. — 8) ontbreekt in 
F2. — 9) van hier tot 1^ eenigszins anders bij NM. — 10) F,: .5.1. et .8. — 
II) ontbreekt in F., en NM. — 12) F.^: .3.ii. et .gr.vi. — 13) tot 16) ontbreekt 
bij NM. — 14) F.2 cassie. — 15) L.^ en F.^: .3.i. — 16) zie 13). — 17) F,: .3.1.: 
Fj-. .9.iii. et .gr.v. — 18) in F.^ volgt ameos. — 19) ontbreekt bij NM. — 20) F,: 
.5.1.; F., nog eens: cinamomi .9.iij. — 21) ontbreekt in F|. — 22) tot 23) ontbreekt 
in F,. — 23) zie 22). — 24) F,: .g-iii. — 25) F,: .3.Ü.; NM: .3.iii. et .gr.v, — 
26) bij NM volgt nog: turpeti exag. .S, — 27) in Lj en F, volgt nog: datur in 
modum castaneae in sero cum aqua calida. — 28) tot ^ in Fj sterk verkort. — 
29) 1-2 en F2: foetum. NM: foetum mortuum excutit. 



fol. lo. r. a. l6 

levere entie v^rstoptheit. Entie hartheit va« der meltew. dat me« de« coeke 

melte heet dat genese/. Ende het doet gr^et goet alle dien dingew bin- 

mage ne«. ende doet die mage wel veriQxen. 'Ende sacht die pine die 

colica pas. colica passio hebben, ende die ha^r spise niet onthouden e« moge» 

fleume Ende Verdrijft die fleume ende artetike. ende ontstopt die lendenen. 

lendenen ¥^nde so wie diet driwct h.et briwgt hew gesontheit in den live. 

Ende 'm wivew vjerViet st^rkeleke ende es hen nuttelec. Men moet 

oec wachtew dat mews niet e« geve he« die de bloetsucht hebbew. 

Of spene« int fondamewt. of die mewstrua te poepte hebben. 

Wawt het soude he« doew vloyew bloet \n dese ziecheidew. of 

die bloet pissew. .4. deel es .\M. ^ Ne/zzt asari. acori. armoniac. 

seme;/ antriplicis '). marat^i elx .1.5. ende .10. gr^new. anijs .1.5. 

aristologia lowga bijvoet, affodillus. elx .2.3. ende .14. gran&n 

coelne. sanctorie .1.9. ende .7. granen, sanctorie die gr^ete. dauci 

elcs .1.3. lauwerblade onder .8.3. ende .3. gran. ricolissie. lupini. 

melancii elcs .2.3. ende .i.9. mirre .1.3. ende .9. granen, orobi 

.1.9. m^rcedonici. dats p^rsijn van m^rcedonie .1.9. pertrec .1.5. 

ende .9. gr^new. pi^^ris nigri .2.3. ende .7. granefi. pyonie .1.9, 

ende .7. granen, apie. savelboe;;/ elx .1.9. silobalsami .1.9. ende 

.4. granen, opii .1.9. rutesaet .1.3. ende .9. granen gingeb^re .1.9. 

ende .14. granen, grofifels nagele .1.3. die wortele va« caparis. 

comijn elx .1.3. zeetn dats genouch si ^ Me« saelt geven also 

groet alse .1. haselnot met lauwen wat^re. Ende es men sond^r 

corts so sal me«t met wine geven, of met mulsa. 



l) 1. atriplicis. 



gate purgat. et ad salutem perducit. petram in vesica rirmpit et fol. 4 r. 
purgat. urinam ') movet '). stranguirium sanat. epatis enfrasim 
curat. selirosim ^) in spiene sanat : ed ad omnia interiora ') 
magnum bonum facit et ad stomaci indigestionem. *)et eos sanat 
qui colicam patiuntur. nefreticis prodest. ') hoc autem qui bibe- 
rit sanitatem obtinebit *') : ') vel aliqando emoroidas provocat. 
^) viam totius corporis aperit: et fetum mortuum "^j et secundi- 
nam educit. et vesicam purgat: stomacum calidum facit, vento- 
sitatem consumit. vomitum compescit ^). tamen in (fol. 4 v.) mulieri- fol. 4 v. 
bus nihil operatur fortius ad omnia que illis sunt utilia: ^)propter 
quod cavendum est patientibus emoroidas: aut fluxum ventris: 
aut discinteriam. nona "') pars confecta est libra .i. Recipe asari ") 
acori amomi '^) seminis atriplicis maratri an .9.i. et .gr.vi. '^) anisi 
.9.ii. '*) aristologie longe artemisie casie '^) fistule ^^) *") an .9.ii. et 
gr.xiiii. '') '^) centauree minoris '^) .9.i. et .gr.vi. -°)-') '•^^) centauree 
maioris .9.ii. ^^) '^) dauci cretici .9.ii. ^°) ellebori nigri .3.i. ^*) foliorum 
lauri .9.i.S. et gr.iii. ^^) liquiricie .^.i. et .9.i. ^^) '°) lupini .3.ii. melancii 
.9.ii. mirre ,9.ii. et gr.xiiii. -') orobi .9.i. '^^) stipteree ^^) .9.ii. '^) mace- 
donici .^.ii. et gr.xiiii.^') piretri ^'') .9.ii. et gr.xiiii. piperis ^') .^.i. 
et .y.ii. et gr.vii. ^^) seminis rute ^^) .9.ii. et gr.xiiii spice .9.ii. et 
gr.xiiii. pulegii ^*) .9.ii. et gr.xiiii. ^^) ^^') pionie .9.i. et gr.vii. ^*') 
ciperi .9.i. ^') ^^) sinoni .3.ii. ^^) squinanti .3.i. et gr.xiii. ^'') '^) gario- 

i) ontbreekt bij NM. — 2) 1. selirosim, — 3) Fjt membres. — 4) in Fj volgt 
eerst nog: et guerit ceulx qui ne contiennent point la viande. Elle met hors puis- 
saument Ie fleume. — 5) tot 6) ontbreekt bij NM. — 6) zie 5). — 7) tot 8) staat 
in Fj vóór „nona pars confecta etc". — 8) zie 7). — 9) tot 5« ^^ict bij NM. — 
10) L-j: octava nona pars. — 11) NM : sem. intybi. — 12) in F.j vóór „sem. 
atripl." nog: risi. — 13) L^: .5.i. et .gr.vi.; F]: .^.i. — 14) F,: .5.ii. — 15) ont- 
breekt in Fj. — 16) „Dicunt doctores quod hic per cassiam fistulam intelligere 
debemus, cassiam ligneam, quod satis videtur consonum, si naturam antidoti bene 
consideraveris" (additio bij Ant. haemag. in Lj). zie verder woordenlijst. — 17) F, : .•^.ii. 
18) tot 21) onbreekt bij NM. — 19) tot 20) ontbreekt in F,. — 20) zie 19). — 21) zie 18). 
— 22) Lj en F.^: .9.1. et gr.vii. — 23) F,: .^.l — 24) F, : .3.!, — 25) F,: ..ó.i. 
et .s. — 26) F,: .3.1. — 27) 1,0 : .9.i. et gr.xiv. in Fj volgt nu eerst nog: pipe- 
ris. — 28) NM: ervi. — 29) tot 30) ontbreekt in Fj. — 30) zie 29). — 31) Fj 
en NM: pip. nigri. — 32) Fj: .^.i. et 9.ii. et gr.xiiii. tot 35) ontbreekt in F.2. — 33) 
zie 37). — ■ 34) Fj: smirnis (myrrhae). — 35) Lj: .9.i. et gr.xiiii.; F^: .9.ii. ; 
zie 32). — 36) F,: .j.i.; F^: .9.i. ; NM : .9.i. gr.xviii. — 37) F,: .3.i. ; NM : .3.ii.; 
hierop volgt in F.2: sem. rutae etc. — 38) ontbreekt in Fj. ; NM: sem. petroselini 
(zie woordenlijst), — 39) ontbreekt in F,.; F^' .3.i. gr.xiiii.; NM: .3,ii. gr.xiiii. 

2 



fol. lo r. a, b. 



8. m ^""^ lanca essi geheetew omdat si witte huworew purgeert. 

fol. lo r. b. ■ ^^F Knde si es goet (fol. lo r. b.) jege« oude hoeftsvvrre 

hoeftswere J ^^ acht<?r an thoeft. eiide iegew swerew va;/ de« oge« va;/ 

ogen ^^^.^^ bloede entie bloetachtech sijn ende geswolle;/, Knde 

evel iege;/ lope;/de ogew. ende ïegeu gr^et evel. efide iegen 

beeste .ij.ste deel es .i.'tt'. ^ Ne/«t terbentine. oppopanac. galbanu;;/. 

assa fetida. bev^rcul. antimonii. leve;/de sulf^;-. bedellii. aspalti. 

storax. armo;/iac. : carnis leonis. scamoneie. coloq;/mtida. ellebori 

nïgrt. polipodii. tapsie. dats clarie. piretru;;/, planecruut. pe;;ce- 

dani '). assari. cyperi. pyonie. betonie. camedrios. police;/ -). canele. 

lovessce. rutesaet. drake;/bloet. elcs .i.3. ca;/damomu;;/ ^). dats 

watrrk^rsse. grofifels nagle. macis. dats die bloeme va;/d^r note;/ 

muscate;/. anijs, marat;-/. balsami. elx .S.9. ammer .5. g;'rt'ne;/. 

zeem dats genouch si 5F Me;/ saelt geven mei winc da^r salie i// 

gesodew es. *) nuchtere;/ of savowts. also gr^t *) 

alse .1. k^rstae;/sie. 



nierc 
blasé 



B 



9. ^^^^^^""'V enedicta *) es goet iege;/ artetike i;/ die voete;/ 

artetike | ^^^^ gesceppt mci herniodactile;/. ja artetike die va;/ cou- 

de;/ co;//t. hé'/ p//rgiert de niere entie blasé ente;/ 

lichame. hel e;/ p//;'geert bi hem selven n/V/ zere Die 

helft vandor conïexie es .2M. ^ Ne;;/t esule .2.^. tur- 

bith. suk<?r. elx .10.5. scamoneie. hermodactili elx .5,3. spice. groffels 

nagle. giwgebere. soffrae;/. sacsifrage. macröpip^'ris. armo;/iac. lijn- 

saet. apisaet. spermat\s. galigae;/. sal ge;//me. macis. carvi. ce/ztuli ''). 

sperage. bellirici. brussi. grrmil. zee;;/ dats gnouch si ^ Me;/ saelt 

geve;/ savo;/ts mei wermen vvine. in die groette va;/ ere kcr- 

staengiën. 



i) 1. peiicedani. — 2) 1. polioen. — 3) 1. cardamomi. — 4) open plek in het 
H. S. wegens een scheur. — 5) 1, feniculi. 



19 

filorum ..'^).ii. ') radicis caparis cimini zinziberis^) aiï .9.1.^) apii fol. 4 v. 
savine aïï .9.ii. et gr.xiii. '*) '') xilobalsami .9.i. et gr.xiiii. '') mei 
quod sufficit. datur in modum avellane maioris '"') cum aqua cali- 
da ') post balneum si cum "*) febre est ^) si vero sine febre cum 
vino aut mulsa dabis *"). 

BLanca "') '") dicta est. quoniam albos*') purgat humores fol. 4 v. 
.i, flegmaticos: valet cephalargicis et oculorum do- 
loribus et sanguinolentis et ") tumoribus et lippis. 
'^) •'"') optima facit contra omnia que turbant fanta- 
siam rationem et memoriam'^), utilis est tremulosis^) '*) epilenti- 
cis et paraliticis. '') nona '"') pars confecta est libra .i. '^) Recipe 
terbentine opoponacis galbani ase "") serapini castorei antimonii sul- 
furis '') bdelii (fol. 5 r.) aspalti armoniacis storacis '*^) liquide "^) car- fol. 5 r. 
nis leonis diagridii euforbii agarici interioris "^j colloquintide "') elle- 
bori nigri polipodii tapsie piretri '*") squinanti '•^) peucedani asari '*^) 
ciperi "') pionie betonice "') camedreos polii amomi'"') levistici semi- 
nis rute '*^) sanguinis draconis an .3.1. ^^) cinamomi gariofilorum 
macis "') cardamomi anisi maratri balsami aïï .9.i. et .8. '*') ambre 
grana .v. mei quod sufficit. ^') datur cum vino in quo cocta sit 
salvia '^)aut herba paralisis '^ ): in sero in modum castanee. 

BEnedicta ^'^) dicitur quoniam ab omnibus aquibussumi- fol. 5. r. 
tur est benedicta: '**) si detur habentibus infirmitates 
contra quas inventa fuit '^). valet ad guttam '*'') arteti- 
cam podagricis ex frigiditate^^). renes et vesicam pur- 
gat. '*^) media pars confecta est librae .ii. '^)24^ Recipe turbit esule'-"') 
zuchari an .3.x. '^) diagridii hermodactili rosarum aiï .3.V. '^) gario- 



i) Fj : .3.11. — 2) ontbreekt in Lj en F,; in Fj staat zinziberis apart met 
.^.ii. gr.xiiii. — 3) I.j, F, en F.2: .3.i. : in F] staat vóór apii: sem. rute. — 
4) F,: .3.i. ; Y^: .3.i.; NM : .9.i. gr.xiiii. — 5) tot 6) ontbreekt in F,. — 6) zie 
5). — 7) ontbreekt in I.j. — 8) F^: sans. — 9) van hier nf in F^: Mais tu Ie 
dourras (donneras) a une femme avec vin chault ou avec mulsa. — 10) voor de 
vergelijking met NM zie woordenlijst. — li) ontbreekt in L2 en Fj. — 12) tot 
13) ontbreekt in F», — 13) zie 12). — 14) in F.2 volgt nog: aux splenetiques. — 
15) L2 : octava nona pars. — 16) ontbreekt in Fj. — 17) Fj: sulf. vivi. — 18) tot 
19) ontbreekt in F,. — 19) zie 18). — 20) L2 en Fj: .3.S. ; Fj : .s.i. — 2l)inL2 
volgt eerst nog : dosis .3.iii. — 22) F| : Benoite. voor de vergelijking met NM zie 
woordenlijst. — 23) ex frig. ontbreekt in F| 5 in de plaats daarvan: el fait pisser. — 
24) F2: ir.i. — 25) in F, staat; esule .^.n., direct na Ij^; F^: esule .3.1. 



fol. lo r. b. 20 



O' 



10. ^^^onfexië COlipte ') muscate. es goet iege;/ verstopte 

borst, ende kindren die niet genese;^ e« mogen ende 
ha<?r melc o«/houde«. entie rooc es goet ontfaew. 
% Newzt lapdanum .1.^. storax, calamite. onder .S.^. 
storax rubee .1.^. ligni aloës .2.5. amber .1.5. can- 
fer. musci. ot muscus dats muskeliaet so vier me«t vint elx 
.8.3. föwficieert voort. 



i) 1. alipte. 



c 



21 

filorum ') spice -) zinziben's '') croci saxifragie*) macropiperis fol. 5 r. 
amonii gardamonii ') petroselini ^) litospermatis ^) salis gemnie 
galange macis ^) carvi fenicull sparagi ^) bruxi granorum solis an 
.3.1. mei quod sufficit. datur in sero cum vino calido ad modum 
castanee ^). 

10. ^ ^Onfectio alipte muscate °) alipta .1. mixtura. "^) valet^) fol. 5 
pueris patientibus asma et '°) constrictionem pectoris. 
et etiam non valentibus lac retinere. ") fit inde op- 
timum fumigium et odoriferum. quo utuntur aposto- 
lici et imperatores in capellis '^) suis. et intrat in preciosissimis 
medicinis et electuariis. Recipe laudani purissimi .^.iii '^) storacis 
calamite optime '■*) .%.i. et .8. (fol. 5 v.) storacis rubee .i. '^) "^).ligni '^) fol. 5 
aloes optimi .^,ii. ''^) ambre .5.1. camphore .9.i. et .8. '^) musci .9.8. -") 
aque rosarum quod sufficit. -') Confice sic in diebus canicularibus 
pone storacem calamitam et storacem rubeam et laudanum in 
catino ad solem cooperto cum panno subtilissimo ne pulvis pos- 
sit attingere. et cum mollificata fuerint ad solem pone in mor- 
tario ereo calefacto ad solem cum pistillo ferreo similiter cale- 
facto. et fortiter insimul conterantur donec ad nigrum deveniant 
colorem. postea addes pulverem ligni aloes. et insimul fortiter 
contere et camphore similiter. postea contere museum in tribus 
.%. aque rosarum et de hac aqua *') aliquantulum madefactum ^-) 
marmor prius bene lotum et calefactum ad solem. et accipe .^.i. '^^) 
cum tabula planissima de eadem aqua madefacta super marmor 
diu agitetur donec ad subtilitatem iunci deveniat : hoc modo facias 
super marmore madefacto et tabula de eadem aqua supradicta. et 
cum reposueris supersparge de illa aqua. valet -^) ut supra diximus. 

i) L2: cardamomi. — 2) in F, volgt nu: .3.1. — 3) ontbreekt in F,. — 4) in 
Fj volgt hierop eerst: petroselini. — 5) ontbreekt in F, en F.2; in Lj volgt op 
gard. eerst: sem. lini. — 6) ontbreekt in F, en Fj; Fj heeft in de plaats daarvan: 
sem. lini., sem. apii, wat ook bij NM voorkomt. — 7) ontbreekt in F, ; P'2 en L2 
hebben alleen spermatis. — 8) in F2 volgt nog het een en ander; zie woordenlijst. 

— 9) tot 10) ontbreekt in Fj. — 10) zie 9). — ii) tot Recipe ontbreekt in 
F,. — 12) L,: capillis. — 13) F,: .:5.iiii. — 14) tot 15) ontbreekt in F,. — 15) 
2's 3)- — 16) geen gewichtsteeken ingevuld in L, ; de andere texten hebben alle: 
.3.1. — 17) ontbreekt in L-j. — 18) F, en NM: .5.11. — 19) F,: .s-ii. ; NM: .9.8. 

— 20) ontbreekt in F,. — 21) van hier af tot het eind ontbreekt in F, en NM. — 
22) 1. madefac. — 23) Lj: .3.1. — 24) 1.2- videlicet. 



fol. lo r. b, 22 

fol. lo V. a. 



1 1. ^'■^/ onfectio Vere ') Newt amber van orie//t oï van occidewt 

M I .1.8.^. canür .5. granen. Dus suldijt v^-rgadrew. Newt 

fol. 10 V. a. ^ 1 •!• cociola ^). (fol. lov. a.)daer me« dore zijt cyroop 

^h-^\ n/V/ gr^et gegaet. ^/^rtV doete'r toe amber dat'rna doet 

opt fier encü \atet smelte;/. ende daw doet aiende mi«ct 

d^rin poeder va« lignuw aloës ^nde muscu;« ende canfer. elc bi hew 

gepulvert ende mi;/gi'/ tpulv^r vcxetter hant \n de palme ende da« 

latd'/ coelew. daarna suldijt \n stucke;/ snide«. Dits goet iege// 

vrouwe de« svv^re van der moeder. Ja op dat dwijf den rooc o//tfaet 

van ondi';-. het doet oec te bat ki«t o//tfae//. 



i) 1. nere. — 2) 1. caciola. 



c 



23 

11. ^^ "^Onfectio gallie inuscatc ') : ^) que intrat in preciosissimis fol. 5 v. 
medicinis et electuariis •'). Recipe masticis .^.ii. gum- 
mi*) .^.i. camphore .y.i. ^) hec autem bene terantur'"^) 
subtilissime et cribrentur et trocisci inde fiant^) cum 

aqua rosarum et siccentur ad umbram •"'). et postquam fuerint 
desiccati terantur subtilissime. et misceantur cum .^.iiii. olei sam- 
baci ') -) bulliti et colati ad medietatem •'). deinde misce cum 
speciebus istis bene (fol. 6 r.) tritis. Recipe cinamomi gariofilorum fol. 6 r. 
nucis muscate aiï .^.S. "*) et omnibus istis cómmixtis 2) et bene 
manibus malaxatis^) fiant trocisci'-*) in medio concavi et cum sigillo 
sigiliati ad pondus unius .5. et .S. et postea ungatur '") aqua rosa- 
rum cum musco "). 

12. ^ ^Onfectio nere '-) ita fit. Recipe ambre orientalis vel fol. 6 r. 
occidentalis .^.i. ligni aloes optimi ..^.iii. '^) musci 
.9.8. camphore grana .v. ^^) Conficiantur sic: invenia- 
tur caciola ad modum cacie qua colatur syrupus vel 

mei tarnen non perforata : et ibi apponatur ambra : et super pru- 
nas liqueat''): et liquefacta ab igne deponatur: et postea lignum 
aloes pulverisatum subtilissime admisceatur. deinde addatur mus- 
cus diligenter malaxando cum manibus: et ad ultimum camphora 
tamen unaquaque "") pulverisata. postea diligenter malaxando cum 
manibus extrahatur supra concam encam concavam et sigillatam 
extcndatur: et cum infrigidatum fuerit inde extrahatur et frusta- 
tim incidatur. valet dolori matricis si '^) per inferiora fumum re- 
cipiat. et est preciosius incensum quod inter cetera reperitur. valet 
etiam satis ad concipiendum. 



C 



i) NM: alia confectie moschata; verder tot Iji ontbreekt bij NM. — 2) tot 3) 
ontbreekt in F|. — 3) zie 2). — 4) F, en NM: gummi arabici. — 5) F| : .^.i. Tot 
]j^ wat anders bij NM. — 6) ontbreekt in F|. — 7) NM: ol. ebuli, waaruit men 
zou kunnen afleiden, dat hier ol. sambuci bedoeld is. L.2 en F, hebben hier ook: ol. sam- 
buci. — 8) van hier af met andere woorden bij NM. — 9) tot ii) ontbreekt in 
F|, in de plaats daarvan: saient fait troces ou eve rosé et ou musque. El vaut a 
la dolor de la marlz (matrix) et a femme pour concevoir si el en receive la fumee 
par desouz. Zie de laatste regels van Conf. nere. — 10) L2 heeft: iungatur cum. — 
11) zie g). — 12) voor de vergelijking met F| en NM zie woordenlijst. — 13) L2- 
.,5.iii. — 14) L2' gr-S- — 15) 1. liquefiat. — 16) in L2 volgt: re per se. — 17) 
ontbreekt muiier, wat wel in L2 voorkomt. 



12. 



herte 

mage 

higen 

lysike 

cra«ch«V 



t) 



fol. lo V. a. 24 

yamargaritON es also gehete^z na .2. manieren vaw 

perlen met gatew É-w^il? sond^r gate«. 'Ende es goet 

iegew hartheit ende crawcheit va« herte/;. of dat d^r 

herten deren mach. entie ziec sijn 'm de mage. ende 

legen hyge«. ende \egen v^rstoptheit vandor magew. 

ende tysike. ende die ha^r macht verliesen. ende ^f/zforteert die her 

macht verloren hebbew van ziecheidew. Men saelt gevew 'm heetew 

tiden met rosewat^re. In cowden tide;/ vnet wine nuchterew. ende te 

middage .lo.ste deel es .i.ffi. \ Ne/«t grofifels nagele. canele. 

spice. galigaew. lignu;« aloës. ricohssie. trosisken. diarmuscate '). 

storax calamite. ahpte. zedewale. eics. .5.5. perXen met ga.ten ende 

sondéT gatew. gingeb^re. dbeew dat int kerte leget van de« hert. 

elleborwi-. scellew va.ti ysere. blance. bysance. elx .8.3. musci 

ambri. wat<?rk£'rsse. cajifer. s^'A'pentiwe. elx .2.5. ende .6. granen. 

zeem dats genouch si. 



13- 

hertvawc 
hertte 



Ü 



yantOS es .1. latuwarie iegew hertvanc. ende v^rblijt die 
herte. ende cotdor teert den gesondew. Me« saelt gevew 
nuchtere^/, ende te middage m.et coude« dingew opdat 
men corts heeft. Ende sond^r corts n\et wine. .8.ste 
deel es .2.1b'. % Ne;«t roris marini of rostris 2) allene. 
hets al .1. crudekijn ende heet rosemarine ^) ende wast owtrewt ypere 

awbachtew ^) ende eXder oec. da^r af newt .1.3. sop va« 

rosen ende '^) va« violetten. ricolissië elx . . . '^j .3. griffels nagle. 
note«muscate«. waterkersse. gingeb(?re. zedeware. canele. macis. 
lignum aloes. anis ^) dille elcs .4.^. zeem dats gnouch si. 



l) deze bestaan niet ; blijkbaar een fout voor diar(odon . . .) en muscus. — 2) raoeilijk 
leesbaar wegens een vlek. — 3) onleesbaar wegens een vlek. 



D 



25 

14. -^ — >^ latntirgariton ') dicitur a duobus margaritarum generi- fol. 6 v. 

bus ^) pcrforatarum et non perforatarum: que ibi 

intrant *). valet cardiacis '') tristibus "') ad omnem 

cordis debilitatem ^) et stomaci ^) .x. pars confecta 

est libr.i. Recipe gariofilorum cinamomi spice galange ligni aloes 

liquiricic ^) trociscorum diarodon diavi ^) an .5.!. et .S. nucis mus- 

catc macis ^°) alipte '^) zedoarie reubarbari '*^) storacis calamite aïï 

.5.1. margaritarum perforatarum et non perforatarum zinziberis 

ossis de corde cervi' eboris ''^) blacte bizancie an .3.8. musci ambre 

cardamomi levistici basiliconis seminis aiï .9.i. minus grana .ii. ^') 

camphore grana .vi. '*) mei rosatum quod sufficit. datur in estate 

cum rodostomate '") vel frigida. in hyeme cum vino '"') mane et 

meridie. valet ut superius dlximus maxime ptisicis etiam con- 

sumptis. 



D 



17. y ' -^ lantos. ^) "') dicitur quia fit de floribus dendrolibani viola- fol. 7 r, 
rum et rosarum aii ^), *) valet tristibus macilentis cardia- 
cis. multum letificat. et convalescentes ex egritudinibus 
miro modo confortat^) .vi. '^) confecta est libr.ii. et .8.'^) 
Recipe florum roris marini .^.i. '**) rosarum violarum liquiricie an 
.5.vi. gariofilorum spice nucis muscate galange cinamomi zinzi- 
beris "') zedoarie '^) macis ligni aloes cardamomi anisi aneti an 
.3.iiii. ■'^") mei quod sufficit. datur mane '") et meridie ^^) febricitan- 
tibus cum frigida : non febricitantibus cum vino. 



i) tot J^ anders bij NM. — 3) tot 4) ontbreekt in Fj, — 4) zie 3). — 5) ont- 
breekt in Fj ; in de plaats daarvan wordt het aanbevolen bij ziekten der ademha- 
lingsorganen, genomen met koud water, waarin poeder van os de corde cervi en 
muskaatnoten. ■ — 6) F, dolor. — 7) tot 1}^ ontbreekt in F,. L2 heeft: stomachi fas- 
tidium partientibus aufert, digestionem procurat, asthmaticis et dyspnoicis opitulatur, 
et phthisicos, et eos, qui ex longa aegritudine sunt extenuati reficit. ■ — 8j ontbreekt 
in Lj. — 9) F, en Lj spreken van diani. — 10) ontbreekt in F,. — 11) NM: 
galliae moschatae. — 12) Lj, F, en NM: limature eboris. — 13) Fj alleen: .3.!. — 
14) Bij NM volgen nog verschillende simplicia; de rest ontbreekt bij NM. — 15) van 
hier af alleen nog maar in F, : il faut a tisiques. — 16) tot J^ bij NM en Fj 
eenigszins anders. — 17) ontbreekt „pars". — 18) F,: once .ii. — 19) ontbreekt 
bij NM. — 20) bij NM: .3.i. 



fol. lo V. a., b. 



26 



M- t-^^"^. yasaturicCN es goet iegen die passie diemew in griex 

vede M ^ heet saturiasis: dats in dietsche den vede te doen 

-lendenen J W stane : wawt hi doet wel goyen. ende es goet iegew 

In-aurie •^^^-^ qua.de lendene/z. ende meerr^/* luxwrie die bi andren 

sake/z verloren es. dat .8.ste deel es owd^r .8. 'S'. ^ Ne?«t 
fol. 10 V. b. die culle;^ wan saturione (fol. 10 v. b.) past^rnake '). notenmuscatew'^). 
pijnappel gestotew elcs .12.5. anijs, giwgeb^re. wit peper, saet van 
den essche .5.5. de« steert van den vische die heet stinctis. semen 
bulbi. elx .2.5. ende .i.S. muskeliaet .7. grienen. ^ Dus seldijt v^-rga- 
dre«. zeem seldi scumen. ende breken die cullew va« saturione ende 
secacul. ende mi«ge«t metten zeeme. ende ziedewt luttel, ende altoes 
roer^/. ende derna doeti?r toe pineie wel gepulv^rt. ende da?t doet 
luttel ziedew. ende d^rna so doet af ende mincter in die poed<?re. 
ende int ende doet^r in muscus met rosewat^re. e7ide dan bestad^/ 
Me« saelt gevew alse men slapew gaet met zoete// wine enen 
lepel vol. 



D 



15. •_^^"^W yaprumus heeft sinew name na prumc/^ van damas die 

men der vint. linde es goet in bekerez/dcw owgemakew 

die va« bloede comew Knde iegen .1. corts die men 

heet cinocus. int wassen va« den evele of in die 

staewde tijt. Die conïexie es .2.^. ^ Nemt prume;/ van' 

damas .100. die ziedt o?/twee da« persse me/ter ha«t uut. e?ide 

dan giet(?/ in ene?i dorgatew lepel ende ziet daer dore. Da« new^t 

de prumew ute« lepele ende suv^rtse van den scorsse;/ da« wrivt"/ 

tfleesch tusscen u handew meiten vorseide;/ sope. daw doettr toe 

tsop van violen^) .i.S.^- da« doet wed^r ziedew op tfier in diere 

gelike van cyrope dicke. da« doet^r toe suker .2.11;. Dan zied^'/ 

dat dicke si. dan doctor in gamarindi '^) .i.'- march van cassia 

fistula .1.^. ende altoes roeret. Mnde alst dicke es so doet arende 

doet^r in dese specie;/ *\\ Ne;//t sandali wit ende root. spodii. 

rebarbe elx .3.3. rosen. vioXen ^). saet van porceleinew. tsop va« 



l) zie woordenlijst. — 2) hierna is secacul vergeten, zooals Ijlijkt uit de volgende 
bereidingswijze. — 3) er staat vyok'r. — 4) 1. tamarindi. 



D 



27 

18. ■ H "^ lasatirion ^•') ') dicitur a satirionum radicibus. satiriasis f"l- 7 f- 
enim grece erectio virgc latine dicitur-). proprie datur 
illis qui debilitatem patiuntur renum : et libidincm ^) 
mirabiliter provocat ex aliqua occasione predicta sine 
mora restaurat ') .viii. confecta est libr.i. et .8. ^)Recipe satirionum 
testiculorum viridium*) baucie "') nucis indice pistacearum '') secacul 
pinearum (fol. 7 v.) enucleatarum an ..j.xii. gariofilorum ') zinzi- fol. 7 v. 
beris anisi eruce ^) seminis lingue avis aiï .5.V. cinamomi ^) caudarum 
stincorum '") viridium ") seminis bulbi '^) aiï .^.ii. et .8. musci. grana 
.vii. Conficitur '^) sic in tantum meilis dispumati quod sufflcit: 
ponantur testiculi satirionum et baucie et secacul unaquaque per 
se in supradicto melle ponantur prius bene contrita: et cum spa- 
tula bene commisceantur : et bulliant deinde aliquantulum. deinde 
addantur pinee et pistacee '^) ') bene trite : et cum aliquantulum 
bullierit'-) ab igne dcponatur: et pulvis predictarum specierum com- 
miscendo adiungatur. ad ultimum vero museum '^) distemperatum 
cum aqua rosarum "^) apponatur : ') et sic usui reservetur. -)detur in 
sero cum vino dulci '') vel condito '^) coclearium unum. 



D 



iQ_ ^W ^ laprunis '•') "-'^) vel diamascenon ^') dicitur a prunis: que f«l- 7 v. 

ibi intrant. datur acutis et pcracutis patientibus: et 

maxime causion -^) et sinoce in principio. et in 

augmento et statu egritudinis. confectis ^^') eius est 

.ft'.ii. et .8. Recipe prunorum damascenorum viridium "-^) numero 

.c. que poni debent in stagnato : et tantum aque quod bene 



i) tot 2) ontbreekt in F,. — 2) zie i). — 3) F, : luxurie. — 4) F, : satirion chas- 
taine, — 5) NM: dauci sativi. — 6) Fj : yringes. — 7) ontbreekt in F, en NM. 
— 8) NM : sinapi albi. Fuchsius teekent daarbij aan: „Intellige erucam; Latini 
quoque Nicolai codices legunt Erucce". — 9) tot li) ontl)reekt bij NM. — 10) Lj 
scincorum. — 11) zie g). — 12) ontbreekt in Fj. — 13) de manier van Ijereidcn 
bij NM komt in hoofdzaak met deze overeen. — 14) L2 '• et nuces (blijkbaar in 
L, vergeten). — 15) tot 10) ontbreekt in F,. — 16) zie 9). — 17) NM : veteri. 
18) in F, : sont donné ou gingembre conduit. — 19) bij NM wordt het praepa- 
raat ad omnem febrilem affectum aangeraden ; de bereidingswijze is nog gecompli- 
ceerder dan die van N.S. — 20) van hier af tot H^ in F, als volgt: vaut a feivre 
ague et a causon et a feivre de sanc. — 21) 1. diadamascenum. — 22) 1. causoni. ^ — • 
23) L2: nona pars confecli. -r- 24) ontbreekt in F,. — 25) NM: Ant. e Satyrio; 
tot 9 eenigszins anders. 



fol lo V. b. 



28 



ricolissie//. berberis, scariole. draga«t elx .1.3. tsaet van curuli ') 
melonis. cucz/rbite. cucumeris ^) gesuv^-rt elx .1.5. Dit mag me« 
gevew alle« wilew vandew dage also gr^et alse . 1 . kerstaengie mei 
coudew wat^re. Entik' wilmew int ende der ziecheit p?/;'gieren. 
Men geve hem dinge;^ die lacseren. 



l) 1. citrulli. — 2) cucumer ook bij NM; deze 4 zaden zijn bekend als „die .4. 
coude sade". 



29 

coperiantur et buUiant quousque dissolvi videantur. ')tunc ab igne fol. 7 v. 
deponantur. et cum aliquautulum infrigidata fuerint ab aqua ex- 
trahantur. et in cribro super catinum posito pruna ponantur ^). 
et manibus tam •') fricentur : ut nihil preter ossa et cortices in 
cribo remaneant. et fiat syrupus *). in aqua illa in qua decocta 
fuerint pruna ponatur .^.i. ^) violarum et iterum bullire permittatur. 
(fol. 8 r.)") et abstractis violis ponantur ibi ^) librae .ii. zuchari ^) ^^1. 8 r. 
et libra .i. de pulpis prunorum. et coquantur ad spissitudinem. 
Incipiente inspissari adde .^.i. °) tamarindorum et cassie fistule 
medelle .^.i. ^) dissolute '*^) et collate cum supradicta decoctione 
prunorum. memento tarnen quod in aqua prunorum bulliat .^.8. ") 
violarum ut dictum est. et cum ad perfectionem decoctionis per- 
venerit semper agregando cum spatula*-): postea superspargatur 
pulvis istarum specierum. Recipe sandalorum alborum et rubro- 
rum spodii et reubarbari cinnamomi '') an .5.iii rosarum violarum 
seminis portulace scariole '^) seminis berberis '^) succi liquiricie 
draganti. an .3.ii. seminum citroli melonis et curcurbiti munda- 
torum '*^) an .3.1. datur omni hora diei '^) cum frigida sine dia- 
gridio ^^) ad modum castanee. Si laxativum facere volueris '^) 
ponantur in unaquaque libra .5.viii. '^) diagridii quando ab igne 
deponitur. datur in declinatione febrium laxativum ad purgatio- 
nem in matutinali hora ad modum castanee cum aqua calida. 



i) tot 2) ontbreekt in F,, er staat alleen: puis soient traites de l'eve. — 2) zie 
i). — 3) L., tamdiu. — 4) et fiat syrupus ontbreekt in L2 en F,. — 5) Fj : once demie. 
1-2 : ponantur .^.i. et .S. — 6) tot 7) ontbreekt in F,, in de plaats daarvan et en 
soit fait sirop avec. — 7) zie 6). — 8) in Fj volgt hierop: en soit fait sirop ou 
.ii. livres de gucre; en cel sirop soit mise une livre de la moelle des prunes. de 
plaats in L, en L2 is veel minder duidelijk dan de overeenkomstige in F,. — 
9) gewicht ontbreekt in F,. — 10) tot 12) ontbreekt in F,. — ii) h^: .5.1. et .S., 
zooals te voren ook gezegd was, zie 4). in L| is echter te voren gezegd .3.!. waar- 
schijnlijk zijn beide opgaven in Lj verkeerd. 'Opvallend is, dat in MT en F, ook 
een half ons siaat. — 12) zie 10). — 13) ontbreekt in Fj en NM. — 14) NM : 
intybe. — 15) Lj en NM alleen: berberis, ontbreekt in Fj. — 16) NM heeft 
nog: cucumer. — 17) omni hora diei ontbreekt in Fj. — l8) van hier af volgt 
in F, alleen: ajute a celui scamonee. Il oste l'amartume de la bouche. — 19 L2 en 
NM: .3.vij. zie 16). 



fol. lo V. b. 
fol. 1 1 r. a. 

i6. 



30 



mont 
huuf 



X) 



yamorON es goet iege« alle z\ec\\eit van de« mo;^de 
ende int roest, ende in die kele ente« hviu( ende drog^/ 
die versceit ') ^ Newt tsop va« moerbesiew. ende .i-lK. 

zeems ende .i.S.fe ") .3.^- Da« doet tsop ende 

dat zeew ziede;^ mei enen sachte;/ viere. Teke;z dat 

gnouch si. Ne;«t .1. marbersteew ende \dXet der op druppew. da« 
fol. II r. a. heldr/f den steen over .1. zide. blijft die druppe stille lig- (fol. 1 1 r. a) 

gende so eist gnouch. da« bestad^/. ende alsmrr mei werken 

wille, so salm^";' mei besmeerew dat roest. 'Ende gargarisere?^ iegen 

de7i huuf. 

yacamerON es also vele geselt alse de;^ m^wsce te 

leidene va« dode te live hel es goet iegew die hoeste. 

ende iegew hygew. ende iegen die kele. en(^e dat cleeft 

in die mage. e?ide iegen crawke lendene//. ende helpt 

ter lux;/rien. ende heeft die selve macht dat dyaarro- 

dow ^) iulii doet. dat ,io.ste deel es .2. ft'. ^ Newt antofali. gi«geb^re 

.5.3. ende .1.9. ende .16. greinen, carnis dactillor//;// .4,5. galigaew. 

spijc. coste. zedewa^r. piretri. root corael. dragawt. rewpontici *). 

salme«te. anacardi. ossium dactillorww. carpobalsami. anijs, de 

vrucht va// genivt're. ameos. macr<7pip^ris. le«copip<?ris ^). elcs 

.2.3. ende .6. granen, vijlsel wan goude ende van zilvere. dbeew 

dat leget int h^rte vande;/ hert. elcs .1.3. ende .i.S.9. ende .7. 

granen, amber .1.3. zee;« dats gnouch si. hier af sal me;/ nutte;/ 

.3.3. nuchte;/s ende savo;/ts. 



17- 

hoeste 

hygen 

kele 

mage 

lendenen 



D 



i) nl. : versceit van den huuf. — 2) woord in het HS. uitgekrabd. — 3) 1. dyaro- 
don. — 4) 1. reupontici. — 5) 1. leucopiperis. 



D 



31 

16. "^ — ^^ lamoron ') ^) a moris celsi dictum a moris rubi bati- fo\. 7 r. 

num ^). valet ad omnem causam"*) palati et gutturis. 

cadentem uvam sublevat. et humorosam desiccat. 

^) medietatis '') est libra .i. Recipe mororum celsi 
libram .8. mororum bati libram .i. ^) meilis libram .8. sape .^.iii. 
Confice sic succum mororum cum melle et sapa in vase eneo 
stagnato ad prunas suaviter decoque. cum autem scire volueris 
si coctum sit pone ex eo guttam super marmore donec gutta 
marmori inviscata appareat et adhereat. ^) tune cola. et in vase 
stagnato usui conserva. et cum opus fuerit gargarizetur. 

15. "^p — *^ lacameron ^) '") id est ducens hominem de morte ad fol. 6 v. 

vitam "). quod facit asmaticis '-) arteriacis '^) tussienti- 

bus tipsicis '^) et omnem imbecillitatem stomachi^'') 

emendat. debiles lumbos '"') confortat. luxuriam pro- 

vocat : "'') et omnem'') quod in diarodon iulii laudatur adimplet 

.X. pars confecta est libram .ii. Recipe antofoli zinziberis '^) an .3.V. 

et .9.i. et grana .xvi. '^) '-) cinamomi gariofilorum '^) aiï .3.iiii. et 

.y.i. et grana .xiii. ^) '^^) galange ^') ^) spice zedoare costi piretri 

coralli rubei draganti ^) reupontici saliunce ^^) anacardi ossium 

dactilorum carpobalsami -^) anisi ami fructus id est iuniperi^*) 

riiï .3.1. et .9.ii. et grana .viii.^"')^*^)^') ^)leucopiperis melanopiperis -^) 

macropiperis aiï .3.1. et .9.ii. et grana .viii. ^) limature auri puri 

et argenti meri ossis de corde cervi an .9.ii. et .8.'") musci^') 



D 



i) voor de vergelijking met NM zie woordenlijst. — 2) tot 3) ontbreekt in F,. 
— 3) zie 2). — 4) F,: dolor. — 5) van hier tot 5» ontlireekt in F,. — 6) 1. me- 
dietas. • — 7) Fj : livre demie. — 8) van hier tot het einde ontbreekt in F|. — 
9) NM: Diacomeron. — 10) tot 11) ontbreekt in F, en NM. — li) zie 10). — 
12) ontbreekt bij NM. — 13) ontbreekt in F,. — 14) 1. ptisicis. Bij NM: tabi- 
dis. — 15) NM: renes. — 16) van hier tot Ijl ontbreekt in F,. NM heeft in de 
plaats hiervan: Vencrem enim emortuam excitat efficaciter. — i?) !• omne. — 18) 
in F, alleen .^.v. — 19) J. d. S. A. : galange; zie 21). — 20) L, en NM : .xvi. volgt 
in I-.j en NMi carnium dactillorum tantundem, en in F,: char de dates .5.iiii. — 
21) J. d. S. A. gariofil. 5 zie 19). — 22) bij NM : spicae celticse; zie woordenlijst. — 
23) ontbreekt in F,. — • 24) tot 26) ontbreekt bij J. d. S. A. in de plaats daar- 
van: ameos. — 25) in F, alleen .5.ii. — 26) zie 24). — 27) NM heeft nog: mai'- 
garit. perfor. et integrar. an exag. .i.S. — 28) ontbreekt in L.,. — 29) NM heeft 
nog: et omnis corporis. — 30) in F| j.i. et demie. — 31) NM gr. iii. blactii bi- 
zantii .9.ii. 



fol. II r. a. 



32 



II 

\ewerc 
mage 
mei te 
water 



- ^^^ yalacca es goet ^ met wine iegew v^rstopthé"// van- 

■ ^ der leveren of apostemew in de lev^re of in de 

^ W mage. eniie. swere in die melte. ende iegen die vol- 

^^m0^ giwge va« de;? wat^re ^ Nemt lace .2.3. ^«^/ê" .i.S. ') 

spijc: coste. carpobalsami. sillobalsami. cassia lig- 

nea, asari. canele '^). sofCraen. plane crwut ^) rebarbe mastic. aris- 

tologia lowge ende rotuwda. elx .1.5.^) gentiane. mirre '^). venkel- 

saet apisaet. anijs, polyoew. gröffelsnagle comijn. wilde savie^). 

alsene '}. notewmuscatew. cardamoniuw ^). cubebew. elx .1.3. ende 

.5. graneft^). Diemew poedrew mach die salme;? poedrew. Daw 

newt zee;// dats gnouch si. Men saels geven .1.3. met wine'*'). 



19. 

lev«e 
\erstopthcii 
darmew 
wint 



ï) 



yarebarbaRUM es goet iege;/ pine vandor levé';'en 

eftde 'legen verstoptheit. ende iege;z v^'xdt '\n de dar- 

me«. ende onv^;'teerlicheit ^1 Ne;//t spijc. coste. sof- 

fraew elcs .2.3. rebarbe .1.3. ende .5. greinen, cassia 

lignee. mirre, asari. plane cruut. beide die aristo- 

logie//. rosewat^A'. elx .2.3. dese seldi pulveren. Dan ne;«t zeew 

dats gnouch si Y^nde men saels geven .1.3. of onder .S.3. me/ 

dra;/ke da^r anijs in gesodew es. 



i) NM .5.x. — 2) NM na canele: acori. — 3) hierop volgt bij NM: senae. — 
4) NM .5.ix. — 5) ontbreekt in NM. — 6) NM eupatorii. — 7) bij NM volgt: 
phu, — 8) 1. cardamomum; hierop volgt bij NM galliae muscatae. — 9) NM .^.iü. 
Van hier af bij NM: Meilis attici despum. aut sach. q. s. Datur ut diacurcurna. — 
10) NM Datur ut diacurcurna. 



D 



33 

rasure eboris aii .9.i. et grana .vii. ^) ambre .9.i. ^) mei quod suf- fol. 6 v. 
ficit. datur de eo .3.iii. ^) mane*) vel vespere cum vino^). 

35. ~w — ^ lalacca^)*^) valet ad frigiditatem stomaci. enfraxin tumo- fol. 12 v, 
rem et duritiem epatis et spienis emendat: et omnia 
que ydropicis minantur. proficit nefreticis: et calcu- 
losis subvenit: et menstruis imperat. Recipe liquiritie') 
.5. vii. spice .3.iiii. costi melanopiperis an .3.ii.S. lacce croci zin- 
ziberis galbani dauci siselei petroselini an .3.ii. calami aromatici 
casie lignee masticis bdellii carpobalsami (fol. 13 r.)an .3.ii. cinamomi fol. 13 r. 
gariofilorum amigdolarum amararum rute an .3.1.8. aloes epa- 
tici mirre ysopi fu meu camepiteos balsami thuris masculi 
siselei aïï .3.!. reubarbari squinanti polii an .3.ii. gentiane aris- 
tologie rotunde an .3.8. mei quod sufficit. detur ad modum 
avellane cum apozimate radicis apii feniculi yris eupatorii apii 
levistici an .3. .8. 
^6. "^ — ^ lacurcuma*^) valet ad epatis passionem et ad frigidita- fol. 13 r. 
tem stomaci et ad vitium spienis. Recipe curcuma 
cinnamomi spice asari casie an .^.i. costi squinanti 
mirre an .^-i-S. mei quod sufficit. datur cum oxi- 
zacara. 



D 



i) F,: .5.ii. — 2) F, : .5.1.; NM: .s.ii. — 3) F,: .3.iiii ou viii, — 4) ontbreekt 
in F,. — 5) tot 1^ met andere woorden bij NM. — 6) voor de verg. met NM en 
F, zie woordenlijst. — 7) De simpl. hebben bij NM dezelfde volgorde als in MT. 

3 



fol. II r. a. b. 

20. 
melawcolye 
fleume. varwe 
lev^re. zien 
fol. II r. b. 



ï) 



21. 
heesch^/V 
droge hoest 
dorst 
ziden 



22. 

vercoutheit 
wint 



23. 



lierK.^ 



34 

yamastic es goet iege« melancolye. ende iegew 
fleume. é'«^£' maect clare varuwe. ende es goet iegew 
de pine vandor lewren. ende scarpé'/ tsiew. é-wö^é* 
betert (fol. 1 1 r. b.) die röwplexie va« al dew lichame 
ly Nemt spijc. grcfifels nagle. canele. cardamomi 

sillobalsami. giwgeb^re. ^eper wit ende sw^rt. ende la«c ^Qper. 

asari. galigae;/. cassia lignee. calamiaromatici. note«muscate«. 

cyperi. nirtilli ^) macis. elcs .1.9. mastic .5.9. zee;;/ dats gnouch si. 

yazinziberos ") es zere goet iege;^ heescheit vandor 

stortte;;, ende iege;? droocheit vand^-;' hoeste;;. ende 

iegew pa;/tyse;z. tr\de iege;z dorst die vandor mage;/ 

co;«t. ^;;d?^ iegen pine \n de zidew. ^ Ne;«t gi;;ge- 

b^re macis. flos^). note;miuscate;/. griffels nagle. 

tsop va;/d^;' ricolissie;;. dragawt. penide;;. cauw^rde;;saet. elx .4.3. 

ende .8. zeew dats gnouch si. Me;; saels geve;; also gr^et alse 

.1. haselnot nucht^ren ende houde;;t in de« mo;;t. 



t) 



V) 



yaanisiUM es goet iegen alle v^'rcoutheit. ende iegen 
wint 1[ Nemt. anijs, canele. gmgébere. comijn. elcs 
.3.5. macis. g;'öffels nagle. mastic. sw^;'t ^tper. elcs. 

.4 *) spice;;. cardamonii ^). sillobalsami. aloë. 

galie*^). muscate*^). galigae;/ elx .2.3. ende .8. ^r\de 
zeem dats gnouch si. 



ï) 



yagalanga. Ne;;;t 'm die capittele va;; aurea. iege;; 

die pine va;; der herttn ^[ Ne;;;t spijc. gingeb^;'e. 

galigaew. canele. zedewaer. rosen. ricolissie. storax. 

violette;;, groffels nagle. bacce. bisancie. elcs .8.§. 

elleborus .8.3. ende .1.3, amber, rebarbe. muskeliaet 
elcs .2.3. ligni aloes. ende .3. ma;;iere;; va« sandalen, elx .1.8.3. 
zeem dats gnouch si ^ Me;; saelt geven in die groitte van .1. 
haselnot. smorgews ende te middage. 



l) 1. miitilli. — 2) het Diazingiberos van L2 is gelijk aan het Zingiber conditum. 
— 3) d. vv. z. de bloem van notenmuscaten ; zie Blanca : „macis. dats die bloeme van- 
der notenmuscaten." — 4) gewicht niet ingevuld. — 5j 1. cardamomi. — 6) galie 
en museale behooren bij elkaar; bedoeld wordt conf. galliae muscatae. 



35 



D 



og_ "^W ^^ lagalanga ') que valet ad nimiam stomaci debilitatem foi. 13 r. 

et eius ventositatem. digestionem procurat. stoma- 

cum confortat. renes frigidos calefacit et omne super- 

fluum flegma a stomaco dissolvit et expellit. oppi- 

lationem spienis et epatis aperit. sensum acuit. hominem ilarem 

reddit. canos ante tempus retardat; et omnibus frigidam natu ram 

habentibus convenit. Recipe^) galange zinziberis gariofilorum 

spice cardamomi cinamomi carpobalsami nucis muscate^) an 

.^.S. costi ligni aloes maceris masticis dragaganti succi liquiricie 

an .3.i. musci .3.i. zuchari .9.xii. 



i) tot ^ bij NM is eenigzins anders; voor de verg. met Fj zie woordenlijst. — 
2) NM heeft de volgorde der simplicia en hun gewichten te verschillend om zijn 
recept met dat van NS te vergelijken ; hij voegt nog toe : Pip. long. et nigr. 
foeniculi, musci. 



her\.Q 
mei te 
orine 



D 



fol. II r. b. 36 

fol. II V. a. 

^4* • -^^ "^^ yacapparis es goet iegew alle derew va« herten, ende 

vandor meiten. ende iegew ha^r hartheit oude of 

nuwe. h-et doel wel orine maken, nxet wine genomew 

ore» • ^^— ^ ^«^e met aysine gemiwct. En^i^ i« die ore« gedaen 

^°''"^^ doet st<?rve« die worme vandew ore«. En(^^ \n de« 

tawtswere , . , -r- 7 ^ j 1 

me«struuw "^o^^t gehoude/z sachti den tawtsw^re. V^Vide rute gesodew ende 

daermet genomew doet me?/strua hebben, of in vulva geda^w. 
% Nemt capparis. corticis .1.^. squillen. assa fetida. asari. piretri. 
thini '). apie. mela^^tii. wortel van agWmoniew. sanctorie. peper. 
portulate. elx .3.5. rebarbe. sp^ragi. elcs .3.3, la«c peper ond^r 
,8.3. apisaet. carvi. elcs onder .8.3. saet vaw bornagiew entie bloe- 
men elcs .3.3. 

fol. II V. a. 

25. «^^^W yatrion piPERion magnuM galyeni es zere goet 

hoeste ■ ^ iegew hoeste. of iege« die reume. jegew cortte« 



ï) 



reume J M adem. jegew artetyke. Knde iegen alle sakew van- 

^^^ der borst ende vander lonsenen. ende Vi?rteert '\n 

artetike ° 

borst de mage fleume«. En^/é' doet v^rteere« couth^zV. 

lowgene gji(jg betert \n de mage die sw^re. En^^ es goet iegew lev^re 

^"™^ ende melte. ende iegen wat<?r. jegen de geelsucht. jegew geswil 

lev^re. melte ^^^ de zide. iege?/ pine an de niere. Y.ïvde gereit mewstrua. ende 

wat^r. niere sacht dagcHkew corts ende q;y^rteine, % Newt nardi. stacii. amonii. 

geelsucht melanopipi^ris. venkelsaet. elx .2.^. giwgeb^re. ysope. /^rsijnsaet. 

leucopip^ris. anijs, elcs .5.3. soffrae^z. cassia fistula. ydiocri. epi- 

thini'-^). elve. dats enula cawpana so w^rme«t vint. betonie. pigani. 

canele. ameos. sicelei. lovessce. elcs .2.%. ende .8. ende .2.3. zee;;/ 

dats gnouch si. Me« saels geve;/ temale also gr^et alse ene ha- 

selnot. 



corts 



l) 1. thimi. — 2) 1. epithimi. 



37 



DIatrionpipereon '), optimum rheumaticis, arteriacis asth- 
maticis, tussientibus. facit ad causas pectoris et pul- 
monis; phiegma stomachi digerit, digestionem pro- 
curat, frigiditates, et dolores in ea factos amputat; 
hepaticis et spleneticis, hypochondria tumentibus, renibus et 
vesicae causis utilissimum est, menstruis imperat, quartanarios 
et quotidianarios typos emendat. Recipe nardi, amomi, melano- 
piperis, marathri an .3.iiij. zingiberis, hyssopi, petroselini, leuco- 
piperis an .3.iij. croci, cassiae, trochisc. hedychroi, epithymi, 
enulae, betonicae, pigani, sinonis, ameos, seseleos, levistici an 
.5.i, meilis quod sufficit. deter in modum avellanae. 



DIamana ') utilis ad mollificandum sanguinem, ad cho- 
leram reprimendam et etiam melancholiam. valet 
etiam ad hepar calefactum et corpus sua virtute 
purgat. recipiatur de eo unciam .8. in aurora cum 
calida; et ad multa alia corporis incommoda valet. Recipe man- 
nae, zucchari violati, cassiae fistulae ana uncias iiij. tamarindi, 



i) dit praeparaat is uit Lj overgenomen; het komt niet in Lj voor; zie in de 
woordenlijst voor de vergelijking met NM en F\. 



fol. II V. a. 



38 



26. 
mage 
fleumew 
aposteme// 
huwoiew 
blasé 
me«st;«a 



27. 
swcre va« 
lichame 
mage 
lever e 
melte 
wint 
borst 
q«arteine 



^ ^^ "^ yatRion piPERion minus es goet legen alle sakew 

■ ^ vandor magew. eist sweriwge of wint va« coudew 
^ m sake;/ die sacht^V zere. die fleumew. die aposteme??. 
^^■^ Enrt^^ drogi?/ hu;«oren. encie hulpt iegew v^rstopt- 

heit vandor blasew. ende jege^z mewstrua. ende sacht 
den .4. de« dach corts da^r coude na hitte cowt. ^ Ne;«t grif- 
fels nagle. folie, giwgeb^'re. amomuw. persïjn. dauci. elcs 2.5. 
spijc. coste. asari. elve. ysope. cyperi. anijs. apie. sicelei. ameos 
elcs .2.3. lewcopiperis '). melawcopip^ris^). macrc^pip^ris. onder 
.8.5. zeem dats gnouch si. 

^ ^^"^ yaciminUM heet me« Ó7(s owdat mer meest comijns 

■ ^ toe doet da.u va.71 andre« species ^j Galyen?^^- seit 
J W dat goet es iegew alle sw^-re vanden lichame. ende 
^^«^ vander magew dat van coudew co;//t ^). ende ver- 
teert die spise. Knde o;/tstopt lev^re ende melte. 

ende verhit al den lichame '^). ende verteext dien wint '\n die dar- 
me« ende \n de mage. Y^nde hulpt der borst van couder fleu- 
me«. En^(È' es goet iegew q//örteine. Y^nde doet wel vertere;/ die 
spise. Best dat ment nwttet na etene vrvet wine ^ Ne;;/t cavi ^) 
ende comijn .5.5. ende .8- in wine ende \n aysine gedaew .1. nacht, 
da^^rna suldijt drogew vaet geroost met viere. sofifraew. galigaew. 
spijc. amonii ''). ameos. vnkelsaet ') geroost, asari. lancpe/^r gin- 
geb^re. canele. macis cardamonium^). silio cassia. apie. rute. 
folie, carpobalsamuw elx. onder .8.3. zeew dats gnouch si. 



l) 1. leucopiperis. — • 2) 1. melanopiperis. — 3) tot 4) komt ook in LTGl 
voor. — 4) zie 3). — 5) 1. carvi. — 6) 1. amorai. — 7) I. venkelsaet. — 8) 1. 
cardamomum. 



39 

zucchari rósati ana unciam .i. haec omnia resolvantur aqua decoc- 
tionis capillorum veneris, scolopendriae, hepaticae ana uncias iij. 
seminum frigidorum mundatorum, violarum ana unciam .i. pru- 
norum numero xx. colaturae addantur zuchari libras .iij. et coquatur 
ad spissitudinem sicut fit in tryphera saracenica; et tune addantur 
istae species: Recipe seminum frigidorum mundatorum, violarum, 
nenupharis, scariolae, loctucae, portulacae ana unciam .i. rheu- 
barbari, foliorum senae, anisi ana unciam .i. et drachmam .i. 
sumatur ut dictum est superius. 



D 



2A ir — '^ laciminum dicitur quia plus ibi est de cimino quam de fol. 9 v. 

aliqua specie '). valet precipue ad pectoris et sto- 

maci^) frigiditatem et capitis*) "^). ventositatem intes- 

tinorum solvit. quartanariis febrientibus mirabiliter 

procurat^) .xii. pars libra .i. Recipe cumini pridie in aceto infusi 

et exsiccati .5.viii.9.i. ^) cinamomi gariofilorum. an .5.11.8.^) zin- 

ziberis melanopiperis an .3.11. grana .v. '^) galange timbre^) cala- 

menti, an .3.i.9.ii. ^) ameos levistici ^). an .3.1. grana xviii. ^) macro- 

piperis .3.1.'")") nardi carvi '^) masticis^^) an .9.ii.S. ") mei quod 

sufficiat. '*) dosis .3.iii. datur post comestionem cum vino. 



i) van Diaciminum af ontbreekt in F, en NM. — 2) ontbreekt in F,. — • 3) tot 
R] ontbreekt in Fj en NM; F, heeft nog: il conforte digestion doné après manger ou 
vin; Lj heeft nog: quartanariis febrientibus mirabiliter digestionem procurat si detur 
post comestionem cum vino; bij NM nog: concoctionem iuvat. — 4) Fi • -ö-viü. — 
5) NM : .5.ii.9.v. — 6) F,: .^.ü.; NM: 3.i,9.ii. — 7) F, : ambre; L^: cardamomi. 
NM: Thymbrae seu satureiae. -^ 8) Fj : .5.!. — 9) in I.j nog: anisi. — 10) ont- 
breekt bij NM. — 11) F,: s.ii, — 12) F| : carice; NM: nuc. moschati. — 13) Fj 
nog: anis; L,^ heeft in plaats masticis: karae myristicae ; ontbreekt in NM. — 14) het 
volgende ontbreekt bij NM en in Fj. 



fol. II V. a. b. 

28. 

fol. II V. ■ 
hooft 
huuf 
hoeste 
borst 
mage 
spuwe« 
lowgene 



ï) 



40 

yaySOpUM es goet ') iegew alle coude humoren van 
de;/ hoefde, ende doet den huuf (fol. 1 1 v. b.) dro- 
gen, ende suv^rt die kele. ende V(?rdrijft die hoeste. 
En^^ sacht die coude borst entie coude mage. ende 
q?/«^lecheit vandor mage;/. ende doet zere verteere». 
ende es hen goet die ett^r spuwe;/. ende iege;/ apostemew in die 
longene ^ Ne;«t ysope : yris. thimi. melanopipé-ris. elcs .4.3. ende 
.12. granen, gliconis. timbre, comijn. elcs .2.3. ende .i.S. rosen. 
dragawt. venkel, elcs .2.3. ende .15. greinen, anijs, carvi, g'mgG- 
here. lovessce. elcs .i.S.3. ende .7. granen, zeem dats gnouch si. 
Men saelt geven nuchtews ende nave;/s met lauwew wine. 



29. 

melawcolye 
/<i?;'tevel 
droefh«V 
\evere 



Ü 



yasenie heeft sine;/ name o;;/dat mer senie toe doet 
meer da;/ enech va;/ den andre;/ specie;/. Het es 
properXeVe goet iege;/ melaz/colye. ende \egen hert 
evel. entie gerne droeve sijn. ende 'xegen alle o;/- 
V(?;'teerlich^// der leveren. ^1 Ne;//t galigaew. note;/- 
muscate;/. nagle. folie, macis. cardamonii '^). ligni aloes. la;/c ^eper. 
gingeb^re. canele. zedevvale. spijc. elcs even vele. senie suldi dob- 
bel neme;/, etide haselnote;/ dobbel, die noten suldi poedre;/ ende 
roeste;/t ende mmgent met zeeme. ende da^;'na dandre specie;/. 
^nde wilme;/ p//rgiere;/ melancolye so doet^r meer toe boraetsen 
ende calami^) of senie ende lat^/ stacn weyken. eiide dan nemt 
den borne daer af. 



1) geen der andere texten geeft aan waarvoor dit praeparaat gebruikt wordt. 
2) 1. cardamomi. — 3) I. calameuti ; zie Lj (alia diasena), F,. 



41 

3/. "W — ^ laysopum '). Recipe ysopi yreos thimi melanopiperis fol- '3 »"• 
an .3. XXX. gliconii tymbre pigani cimini an .3.XX. 
carnis dactilorum caricarum passarum enucleatarum 
maratri an .3.x. zinziberis anisi carvi levistici an 
mei quod sutficit. sumatur mane et sero cum tepida. 



D 



D 



Maniacum multum fugat hoc diasene tumultum ^). 

33. "w — ^^ lasene dicitur quia plus de sene ponitur ibi quani de 

alia specie^), valet proprie mullicis*) maniacis car- 

diacis''*) et tristibus'^). tota confectio venit libra .i. 

Recipe sene .^.iii. '') avellanarum assatarum numero 

.1.^) serici combusti .3.ii. '^j lapis armenici .3.1. lapis lazuli .3.iii. °). 

zuchari .^.vi. '") cinamomi .^.i. i') gariofilorum '^j galange '-) pipe- 

ris-') spice ozimi '-) zinziberis folia '^) gariofoli '*) '*) cardamomi '*) 

croci '-) zedoarie floris roris marini ^-) '"') macropiperis. an .3.ii. ") '*^) 

meilis'') quod sufficit. detur cum aqua in qua infusum est sene '*^) 

per noctem sub divo'^). Confïcitur sic cum melle: avellane bene 

pulverisate et^°) dispumato melle ad ignem decoquantur. deinde 

pulvis specierum admisceatur. quod valet quartanariis et magis 

spleneticis. 



l) voor de verg. met NM en Fj zie woordenlijst. — 2) Deze woorden alleen in 
Li- — 3) van Diasene af tot hier ontbreekt in Fj. — 4) 1. melancholicis. — 5) ont- 
breekt in F,, waar nog even als bij NM volgt: et aus passions de melancholie. — 
6) ontbreekt in F,; tot ]^ ontbreekt in F, en NM, — 7) NM: sene et avellana- 
rum aii .,5.ii. — 8) NM : .ó-I. — 9) NM: .^.i. — 10) ontbreekt bij NM; F, : 5.V. — 
11) NM: .5.S.; F,: ..^.iiii. — 12) ontbreekt in F,. — 13) 1. folii zooals in Lj, NM 
en MT; ontbreekt in F,. — 14) ontbreekt in NM. — 15) NM heeft nog: flor. 
boraginis. — 16) NM: 5.!. er volgen daar nog verscheidene andere simplicia. — 
17) NM: Sacchari et stillatici rosarum; mei. q. s. ontbreekt in Fj. — 18) bij NM 
volgen na sene nog eenige simplicia; de rest ontbreekt. — 19) van hier tot het 
eind ontbreekt in F,; in de plaats daarvan leest men er: auscuns (vergelijk alia 
diasenae descript.) i ajustent calamente et boreige (borago) et autres choses qui 
purgent melancolie. — 20) 1. cum. — 21) F,: noiz muscade. 



fol. 



fol. II V. b. 
fol. 12 r. a. 



42 



30. 



borst 

reume 

/urssenen 

huuf 



ï) 



yapraSSiuM heet na marobie o;;zdat mer indoet ^) 
dan ander speciew. het es goet iegen alle v^rcout- 
heif vandi?r borst, jegeri die reume. entie vercont- 
heit va« de« //^rssenen die te« mowde co;/^t. etide 
iegew de« huuf. dat .8. ste deel es .3. 'S. ^ Newt 
groene marobie .5.3. ende .8. dragawt. pijnappel. ama«dre«. dade«. 
fige«. cisoeletarum ^). elx .3.5. ende .8- canele. nagle. notewmus- 
catew. macis. ligni aloes. spijc. galigae«. giwgebrre. zedew^r. 
rewpowtici ^). ricolissie. anacardi. dats theodoricu;« anacardiuw 
so wer ment vint. stomicalis^) : mirre, mastic. galba«u;«. terben- 
ti«e. aristologia. dats holewortte. die wortele va« caparis. gen- 
tiane. melonopip^ris ■*). venkel, apie. anijs, m^rcedonie. bevenelle 
elx .2.5. /(^rmodactilis. origanuw. pewcedanum *'). squinawti. ven- 
kelsaet. elcs ond^r .8.5. dyptawnis . balustie. colene. pertxtc. 
coste. cardamonium '). lewcopipms ^). carvi. lovesce. satureie: 
s^rpe^^ti«e. pionie. macr(?pipi';'is. amomi. orobi. elx .1.3. ende .2. 
gr^new. sillobalsami. cassia fistula. corael. scaveliwge va;/ yvore. 
of van ysere. carpobalsami. dauci. cretici^). elx .1.5. musci. amber 
fol. 12 r. a. dbeew vandi?r herten va«de« (fol. 12 r. a.) hert. elx .14. grantn. 
zeew dats gnouch si. Me« saelt gevew vaet wermeft wine der 
ysope in gesodew es. 



i) vergeten: meer. — 2) de afschrijver heeft dit woord waarschijnlijk verkeerd over- 
geschreven ; in L] enz. staat passularum enucleatarum. — 3) 1. reupontici. — 4) I. 
storax calamite. — 5) 1. melanopiperis. — 6) 1. peucedanum. — 7) 1. cardamomi. 
— 8) 1. leucopiperis. — 9) dauci en cretici behooren bij één. 



A 



43 

Lia diasenae ') descriptie. R. senae, unc. iii. cinna- 
momi, gariofilorum, folii, cardamomi, galangae, macis, 
ligni aloes, piperis longi, zingiberis, zedoariae, spicae, 
nucis muscate aiï drach .iii. boraginem et calamen- 



113 ia/.uii, ^ 

D 



turn adde -) et caetera quae melancholiam purgant, avellanarum 
assatarum. 1. setae combustae, drach .ii. lapidis armeni, unc .i. lapi- 
dis lazuli, drach .iii. zuchari, unc .v. melHs dispumati quod sufficit. 
20. ~^ — '^ laprassium ^) *) dicitur a prassio viridi quod ibi plus in- foi. 8 r. 
trat quam de aliis speciebus ■'^). valet ad omnem 
pectoris frigiditatem *'). et maxime ad catarrum et 
ad cerebri frigiditatem. sanat capitis vertigines et 
oculorum caliginem'): et palatum et arterias^) et ad omnem 
speciem catarri ^): que fit ex frigiditate mire prodest. '■^*) dentium 
dolorem mitigat. octava decima pars confecta est .iiii. '°). Recipe 
prassii viridis .5.V. et .8. ") dragaganti pinearum '^) mundatarum '^). 
amigdolarum '^) pistacearum '^) carnium dactilorum ficuum ^*') pin- 
guium -''') passularum '-) enucleatarum ") aiï .^.iii. '^) et .8. cinamomi 
gariofilorum nucis muscate macis'-) ligni (fol. 8. v.) aloes galange fol. 8 v. 
zinziberis zedoarie spice liquiricie reupontici anacardi storacis '^) 
calamite '2) masticis mirre galbani terbentine yreos aristologie 
rotunde radicum caparis gentiane melanopiperis anisi feniculi ^^) 
aneti seminis apii macedonici '*) saxifragie aiï .g.ii. ermodactilo- 
rum'') origani paucedani '^') squinanti '^) cardamomi leucopiperis 
carvi levistici vincetoxici '-) aiï .5.1.8. et grana .ii.8. ") balsami '^) 
pulegii diptami '^) costi piretri satiregie'-'') basiliconis pionie macro- 
piperis^") amomi sinoni '^) ■^') orobi ^") aiï .5.1.^^) grana .ii. et 
terciam partem alterius-"') xilobalsami '-) casiefistule -^) coralli 



i) Dit praeparaat is uit L2 overgenomen; het ontbreekt in L,. — 2) zie 19) pag, 
41. — 3) F,: Diapraxium. — 4) tot 5) ontbreekt in F, en NM. — 5) zie 4); tot 
]Jt bij NM eenigszins anders. — • 6) Lgi infirmitatem. — 7) van sanat af ontbreekt 
in F,. — 8) in plaats arterias heeft Fj chaitte (chute) de la luette et a chacie. — 
9) F,: reume. — 10) ontbreekt: iï'. — 11) in F, vóór dragagant nog amidum. — 
12) ontbreekt in F,. — 13) F,: .5. iiii. — 14) NM: sinonis zie woordenlijst; F,: 
perresil macidon. — 15) NM heeft na hermodactyli nog Castaneae. — 16) 1. peu- 
cedani. — 17) NM: gr. i .S. ; Fj : alleen 5.1.8. — 18) L-^: balsamitae. — 19) NM: abro- 
toni. — 20) ontbreekt bij NM. — 21) NM heeft in plaats sinoni: ervi. — 22)bijNM: 
exagium .1. — 23) Fj en NM : cassiae ligneae. — 24) tot ]Jt ontbreekt in F,. — 25) et tere. 
part. alt. ontbreekt in F, en NM. — 26) NM: caricarum. — 27) NM: thymbrae. 



fol. 12 r. a. 44 



31. - ^^"^^ yaolibanuM dat strewm^/ tranen vun oge/i. ende 

ogen ■ ^ sacht oude hooftsvwre. ende geneest apostetnew in 

oude hooft- ■ M ^j^ j^gj^ genut met tyseinew. Dat .6. ste deel es 

Iteie. ^^-^ .1. 'M'. ^ Newt bev^^cul. opii. cassia lignee. beilde. 

elx ,3.3. mirre ond^r .8.5. soffraew. folie, werpont. 
elx .2.3. amonii '). re«po«tici ^). elx .2.3. pionie. storacis. macrt?- 
pip^ris elx .2.5. spijc. euforbii. lewcopip^Hs ^) elx .1.3. ende .ï.S.^. 
zeem dats gnouch si. Men saelt gevew mei wermen wine daerin 
gesodew es wierooc ende savie. 



i) 1. amomi. — 2) 1. reupontici. — 3) 1. leucopipeiis. 



45 

rasure ') eboris ') carpobalsami ^) dauci cretici an .3.8. musci ambre fol. 8 v. 
ossis de corde cervi aïï. grana .xiiii. meilis despumati quod suf- 
ficit. ^) Conficitur sic in libras .iiii. meilis despumati pone pras- 
sium supra dictum aliquantulum contusum .3.vi. et quartam par- 
tem ') *) pinee recentis cum resina ') sua ^) et de vino vetustissimo 
optimo .^.iii. et bulliat insimul lento igne ad vini consumptionem 
vel donec pinea aperiatur: et carice bene purgate intus et extra 
et dactili eodem modo purgati et passé sine granulis suis: pinee 
et amigdole et pistacee: omnia ista bene mundata pistentur^): 
tarnen unumquodque per se pistetur et ^) postea insimul mis- 
ceantur in mortario et addatur ibi terbentina: et insimul pistentur 
et cum predicta melle calido in eodem mortario paulatim posito 
distemperentur. et post addatur pulvis supradictarum specierum 
et diu conficiantur. storax vero cum modico melle liquefacta 
confectioni supermisce sine intermissione. ad ultimum balsamum 
ambram et museum supermitte. et iterum bene commisce et usui 
reserva. datur (fol. 9 r.) in sero cum vino calido in quo coctus fol, 9 r. 
sit ysopus et dragantum. 



D 



21. ~^ — '^ lalibanum ') dicitur ab olibano quia olibanum ibi in fol. 9 r. 

trat^). valet ad omnes capitis passiones^) lachrymas 

potenter stringit. dolorem emigraneum et superci- 

liorum sanat. et squinantiam curat datum cum decoc- 

sione tipsane '°) .vi. pars confecta est libra .i. '^). Recipe castorei 

opii iusquiami an .3.iiii. '^) casie lignee .3.ii.9.ii. '■^) folii croci turis 

masculi an .3.11. reupontici amomi an .^.i.^.n. '^) mirre .3.1.8. 

spice '*) piretri '^) enforbii leucopiperis aiï .9.iii.S. '^) pionie stora- 

cis macropiperis an .3.i. '*^) mei '^) quod sufficit datur sero '^) '^) 

cum vino calido in quo coctum sit olibanum et salvia '®). 



l) ontbreekt in Fj. — 2) in F, volgt nog: camphre. — 3) NM: .ff.iiii. ; van hier 
tot het einde bij NM korter, maar ongeveer op de zelfde manier. — 4) Lj : -S-v.S. — 
5) van consumptionem af tot hier verkort in F,. — 6) van postea af tot het eind 
verkort in Fj. — 7) Fi : Diaolibanum ; bij NM tot ^ anders. — 8) nl. meer olib. 
dan in andere opiata (LTGl); van Diaolibanum af ontbreekt in Fj. — 9) van 8) 
ontbreekt in Fj. — 10) 1. ptisane. — 11) van ptisane af ontbreekt in Fj. — 12) F, 
en NM: .s.ii. — 13) Fj : .s.ii. — 14) ontbreekt bij NM. — 15) F, : -s.ii. et demie. 
L, : .9.8. •, NM: .s.ii.S. — 16) NM: .^.ü. — 17) aut sacchari bij NM. — 18) ont- 
breekt in Fj. — 19) Fj : .5.iii. 



fol. 12 r. a. 
fol. 12 r. b. 

leve/e 

geelsucht 

tysike 

/tertewel 

rede 



D 



46 

yaredonabbatis es goet iegew pine va«d<?r lev<?ren. 
t'«(/É' iege;^ geelsucht. entie tysike sijn ende droge. 
ende iegen hertewel dat va« hittew co;«t. ^;/<:/^ die 
cra«c sijn va« langer ziecheit. alse van èernende 
cortse van hittew come/^de ^ Ne;«t sandali wit ende 
root. elx .2.3. ende .8. go?;^me vaw arabie«. spodii. elx .1.3. asari 
mastic. cardamomi. spijc. sofifraew. sillo. cassie '). aloes. nagle. 
galigaew^). notemuscatew ^) vewkelsaet. canele. tsop van ricoHs- 
sien. rebarbe. tsaet van serpewtinew. bib^ris^). scariole. porceleine. 
citrulli. melonis. cucumeris. cuc//rbite. elx .1.9. /^Hew. dbeew van- 
óer herten vande« hert elcs .8.3. suk^r rosaet *) .1.^. ende .3,3. 
canfer .7. gr^new. musci .3. g^^new ende .i.S- cyroop va« rosew. 
rosewat^r dats gnouch si. Me« saelt geve« nuchters, ende savo«ts 
ende te middage. 



33- 

lowgene 
hoeste 
heesch(f/V 
tysike 



fol. 12 r. b. 



Ü 



yapenidiON heet men na peniden omdat sii?;'e in- 
gae« meer da« andre medicine/z. Si es goet iegew 
alle ziech^zV vanóer lotigenen. ende \egeti hoeste 
ende heesce ste;«me entie droge, ende die tysike 
sijn. dat. .8. ste deel es .i.li?. ^ Nemt penidew .16.3. 
ende .8. pinearww. amandle;/ wel gesuv^rt. wit olysaet .4.3. canele. 
nagle. gingebrre. tsop van ricolissiew. drögawt. gommi arabici. 
senie. citrulli. cucurbite. cucumers. melonis. elx. ond^-r .8.3. can- 
fer .7. granen, vaet cyrope van violette// dats gnouch si. ^ Dus 
suldijt vergadren. Nemt wat^r .i.ft': violet'^') .3.^. ende siedé"/ 
tegadere tote dat .1. deel dicke w^rt. dan doet^r in penide;^. 
senie. amandele/^. citrulli. melonis. cucumeris. cucwrbite elc seldi 
stot^w bi hen. ende ziedewt m^/ wat<?re ende altoes suldijt roere«. 
da« doet<?;' toe penidew wel gepulv^rt. tgroene datt^-r bovew 
vliet (fol. 12 r. b.) suldi zie« dore .1. dorgaettew lepel. da« doet i/ï 
.1. mortier. e?tde canfer wel gepulvdTt ende rmnget daermet. ende 



l) 1. sillocassie. — 2) de afschrijver heeft ^gal. musc." niet vertaalt door gallie mus- 
cate, maar door galigaen, notemuscaten ; F, heeft ook noiz muscade maar heeft 
gallie onvertaald. — 3) 1. berberis. — 4) 1. rosen. — 5) 1. violen. 



D 



47 

22. '^ ^ larodon abbatis') a rosis dicitur que ibi intrant plus fol. 9. r. 

quam de aliis speciebus ^). nomen accepit abbatis ab 
abbate de curia compositum ^), datur proprie icte- 
ricis epaticis ptisicis ethicis et cardiacis qui patiun- 
tur ex calore de acutis.'*) et ad calefactio nem stomaci pulmonis 
et totius corporis: et convalescentibus ex longis et acutis egritu- 
dinibus mirabiliter auxiliatur et pars .vi. confecta est librae 
.ii.. Recipe sandalorum alb. et rubr. an ..j.ii.S. draganti gummi 
arabici spodii an .'S.i\. ^') asari spice masticis cardamomi ' croci • 
xiloaloes gariofilorum gallie muscate '^) anisi maratri cinamoni succi 
liquiricie reubarbari seminis basiliconis berberis scariole ^) portu- 
lace papaveris albi '-) citroli melonis cucumeris*^) et cucurbite aiï 
.9.i.°) ossis de corde cervi margaritarum an.3.S. ^°) zuchari candi 
rosarum an .^.i.^.ïn^^) camphore terciam partem unius .9. et ^*) 
grana .vii. musci. grana .iii.S. syrupi facti de aqua rosarum quod 
sufficit datur mane '^) '^) et (fol. 9 v.) meridie cum rodostomate fol. 9 v. 
vel cum farina '*) si opus fuerit. 

2?. ^W ^ lapenidion dicitur a penidiis qui ibi intrant plus quam fol. 9 v. 

de aliis speciebus '^). valet ad omne vitium pulmonis 
et tussis: et raucedinem vocis factam ex siccitate "^). 
ptisicis") subvenit ^^) .vi. pars confecta est libra .i.. 
Recipe penidiorum .5.xvi.S. ■^") pinearum et amigdolarum mun- 
datarum seminis papaveris albi an -S-iii. et .9.i.^') cinamomi 
gariofili, zinziberis succi liquiricie dragaganti gummi arabici ami- 
di-^) seminis citroli melonis cucumeris cucurbitarum purgatarum an 
.5.1.8.^") camphore tertiam partem syrupi ^^) violarum quod suf- 



D 



l) tot 2) ontbreekt bij NM ; tot 3) in Fj ; tot ]^ eenigszins anders bij NM. — 2) zie l). — 
3) zie l). — 4) tot y ontbreekt in F,. — 5) Fj : ö.ü. — 6) Fj : noiz muscade. — 
7) in Lj, F, NM (ook MT) volgen hierna eerst nog: foeniculi, cinamomi succi glycyr- 
rhizoe, rhei harbari. — 8) ontbreekt in Fj. — 9) F, : .s.ii.; tot 10) ontbreekt in F,. — 
10) zie 9). — 11) F,: .j-iii.; hierna volgt bij NM nog: coralli, crystalli, sem. lactucae 
papav. alb. mandragorae Sn .9.i. — 12) NM, Lj, F,, MT: alléén gr. .vii. — 13) hierna 
in F, alleen: ou eve fraide (avec eau froide). — 14) L.,: aqua frigida; waarschijnlijk 
is farina een drukfout voor frigida. — 15) van Diapenidion af ontbreekt in F, en NM. — 
l6) F,: de fraidor. — 17) ontbreekt in NM. — 18) ontbreekt in Fj en NM. — 19) tot 
T^ ontbreekt in Fj en NM. — 20) F,: s.xvii. et .S. ; van ^ af ontbreekt bij NM 
(drukfout?). — 21) L2: 5.iiii. et 3.i.; NM 5.ii. et 3.I.; F, s-ii. — 22) Lj .3. ; NM en F, : 
.3.1. — 23) Lj: scrup. ; NM: .3.1. Fj .3.1. 



fol. 12 r. b. 48 

danóere speciew wel gem'vict oec darrtoe van ierst wel gepul- 

v^rt. Dit suldi gevew nuchters ende savonts met tyseinew die 
warm si. 



ï) 



'?4- t ^T""^ yadragaNtuM heeft sinew name na dragant. het es 
lowgene ■ ^ go^t ïegen alle pine va.fi der lowgenew die van 

hittew cowt. ende meest in tysikew ende ethyken. 

ende ïegen aposteme;? in die lo«gene. Knde iegen 

hoeste grote hoeste. die van hittew comt ende van droo- 

tonge cheidew vandor tongen ende van der stortte». Alse me«t ne;;^t 

so sal me«t houdew .1. ure \n de« mo«t tote dat het begi«t te 

smeltene. ende da« salmewt inw^rt late« gaew » Ne;;/t wit dra- 

gawt .2.5. ende .2.3. amidi. dat sijn ama«dele« so vier me«t vint 

.i.§. ricolissie/ï .2.3. peniden ') ende ,2.5. saet van citrulli. 

melonis elcs ,3.3. canfer .8.9. Me« saelt gevew vaet lauwew borne. 
dat gesodew si op g<?rstew. 



i) open plek in het liS waar een woord weggelaten is. 



49 

ficit. Conficitur sic. in una libra aque bulliant .^.iii ') violarum fol. 9 v. 
donec aliquantulum conficiantur ^). postea coletur et colature ad- 
datur libram .1. zuchari : et bulliat donec incipiat inspissari. tune 
addantur pinee et amigdole. et semina melonis citroli cucur- 
bite et cucurmia^) queque perse bene contusa cum spatula sem- 
per movendo^). deinde addantur penidie'^) subtiliter pulverisate. 
et cum liquefacte fuerint : illud grossum '') quod supernatat cum 
cacia colando in mortario bene iterum teratur et commisceatur 
bene agitando ^). deinde camphora admisceatur^) et ad ultimum 
pulvis predictarum specierum cum predicto syrupo^) agitando in 
mortario moveatur donec incorporetur. detur mane et sero cum 
ptissana calida: non habentibus calorem cum vino calido. 

27. 1g ^ ladragantum '") a draganto nomen accepit ^^). sanat fol. 10 v. 

omne vitium pectoris et pulmonis quod fit ex calore '') 

maxime ptisicis ethicis pleureticis peripleumonicis^^) 

et ad omnem tussim que fit ex caliditate vel sicci- 

tate et ad omnem lingue et gutturis asperitatem '*). cum vero 

sumitur tam diu in ore teneatur donec ibi dissolvatur. medietas 

est librae .ii. '^). Recipe dragaganti albi .3.ii. '•^) gummi arabici 

albi^') .^.i.3.ii.'^) amili .3.8.'^) liquiricie .5.ii. seminis (fol. 11 r.) fol. 11 r. 

melonis citroli cucurbite -°) an .3.ii.^') penidiarum .^.iii. ^^j cam- 

phore .9.8.^^) syrupi gileni ^^) quod sufficit^^). Conficitur sic semina 

cum aqua ponantur super zucharum tantum tamen de aqua quod 



D 



l) 1-2: 5.ii. — 2) Lj heeft in plaats aliquantulum conficiantur : aqua inficiatur 
aliquantulum; NM usque ad tertias; F,: als L.j. — 3) 1. cucumeris. — 4) c. spat. 
semp. movendo ontbreekt in F,. — 5) bij NM staat op de overeenkomstige plaats: 
penidiorum .3.vi et .S. ; van hieraf heeft NM ongeveer hetzelfde als in L] maar verkort. 

— 6) L2 crassum. — 7) van pulverisate af ontbreekt in F]. — 8) in Fj volgt: et soit 
meu OU (avec) une spatule. — 9) in F] volgt alleen : Il soit doné a tisane chaude 
OU o vin chaut. — 10) NM : diatragacanthes frigida. — 11) van diadragantum af 
ontbreekt in F, en NM. — 12) L2: caliditate et siccitate. — 13) Lj: et peripneu- 
monicis valet; in F] ontbreekt: pleureticis en peripleumonicis. — 14) vanhieraftot 
Recipe ontbreekt bij NM; hiervóór ongeveer hetzelfde maar met andere woorden. — 
15) van 14) af in F, alleen: sera tenu en la bouche longuement. — 16 NM : ,5.ii. ; 
in F,: dragagant .g.iii. — 17) in F, en NM ontbreekt : albi. — 18) F, : alleen 5. ii. — 
19) NM : 5.S. ; F, : amidum ^.S. — 20) Bij NM en F, nog ; sem. cucumeris. — 21) bij NM 
volgen nog: sem. urticae, papaver, alb. an .5.iii. — 22) L2 : ^.ii. ; Fj : .^.n. — 23) Fj : .5.S. 

— 24) 1. galeni; F,: iulevi (zie: Opus Pandectarum medicinae van Mathaeus Silvaticus 
en Luminare maius); L.^: violarum. — 25) van hier af niets meer in Fj en NM. 

4 



fol. 12 r. b. 50 

fol. 12 V. a. 



niere 
coude 



35. ^^"^ yacastoreuM es sine name o»zdat castoreum in de 

M ^L confexie gaet. hets goet iege/? sw^rheit va« de« 

hooft I W hoefde. 'Ende iege?i t^roet e vel. ende jegew swin- 

S''^*^ ^^'^^ "^^-^ delinge. ^«^<? iegew gedeilde hooftsw^re. ^«^é'jegen 

scote/z die int hoeft sciete«. ende jegew sw^ren. 
jucht ende iegen juchtecheit. Ende conïorteert alle die lede. Ende meest 

melte |.g^^ hoefde. Hets goet iegen v^rstopth.?// vandor meltew. efide 

vanóer nieren, ende wed^-rstaet die ziecheit die va« coude;/ comt 
Dat .15. ste deel es .2.^. ^ Ne;«t bev^rcul. mirabolanuw. elcs 
.1.3. granQn onder .8.3. aloes onder. .8.3. assa fetida. mirre, 
euforbii. elcs. .1.3. ende .18. granen, folie, atherionii '). /^rtrec. 
ricolissie. dragawt. calami aromatici. dats ene maniere van riete. 
nitri. galbani. spice. squinawti. oppopanac. soïïraen. cassie lignee. 
wit peper, carpobalsami. coloq/zmtide. serapini. re«po«tici ^). sto- 
rax, canele. calamite^). gingeb.?re. elx .1.3. ende .2, granen. 
stafisagr/a. dauci. maratri. persijn. silleris. bacce lauri. coste. dra- 
kewbloet. agaricus. cardamomi. wierooc. mastic. : salis. armoniac. 
zedeware. elcs .i.'S. ende .8. graneyi. ysope. pe«logii*). origani. 
balsamite. oximi ^). brancce urcine. wortel van diptawnis. rute- 
saet. aristologia longa. ende rotuwda. asari. baccari. salvia. rosen. 
bedelli. elcs .7. gr^new: epithini *^). polipodii. oppobalsami elx 
fol. 12 V. a. (fol- '2 V. a.) .18. granen, alipiados. seme« lauriole. radicis. 
capparis. elcs .2. graneti. anacardi. samie ^). gentiane. corticis 
mandr^gore. elx .2. gr^new. alsene. pewcedani"). elx .8. gr^new. 
yros^) .3. granen, ende terdendeel wijn. ende zee/« dats genouch 
si. Me« saelt gevew in die gr<?ete van .1. haselnot. ^ Men saelt 
geve« iegew die pine van den hoefde n\et drawke daer'xn gesodew 
es lilifage. Ende \egen die levere xx^et drawke vandor alsenew. of 



l) 1. antimonii. — 2) 1. reupontici. — 3) calamite behoort bij storax, dat vóór 
canele staat. — 4) 1. pulegii. — 5) 1. ozimi. — 6) 1. epithimi. — 7) 1. savine 
zooals in L, en Lj. — 8) 1. peucedani. — 9) 1. yreos. 



D 



51 

possit zuccharum coopereri: et bulliant usque ad dissolutionem fol. 11 r. 
zuchari. postea colentur per pannum rarissimum et colatum ') ad 
decoctionem syrupi coquatur. postea tundatur in mortario bene 
miscendo pulverem specierum. 

25. ""W "^ lacastoreum a castoreo dicitur quod ibi recipitur^). fol. 10 r. 
valet contra gravissimam cephalicam ^) epilenticis^) 
vertiginosis ''). auxiliatur emigranicis et monopagicis. 
prodest doloribus. paralisim^) omnium membrorum 
emendat et maxime capitis. enfraxim spienis et epatis et re- 
num ') solvit: et omnibus egritudinibus secundum frigidum nocen- 
tibus obstat^) .xvi. pars librae .ii. °) Recipe castorei mirabola- 
norum aiï .3.iii. minus gr. .i.S. "^) ase ") mirre euforbii aiï .3.1. 
et grana .xvii. '■^) aloes .3.1.8. minus grana .1.'^) folii ^) antimonii 
piretri liquiricie ■') draganti calami aromatici nitri ^) galbani ^) '^) 
squinanti ^) opopanacis spice'^) serapini '^) nucis muscate casie- 
fistule piperis longi albi et nigri xilobalsami carpobalsami colo- 
quintide reupontici^^) storacis calamite ') zinziberis cinamomi an 
.3.i. et grana .ii. '^) staxifragie '^) '') dauci ^) maratri petroselini 
apii^) seminis sileris^°) dampnococti^') sinoni petrolei storacis ru- 
bee-^) sanguinis draconis cardamomi ^) ^) turis maioris et mino- 
ris^^) agarici^) masticis^) salis armoniaci zedoarie anisi an .9.i. 
grana .viiii. ^'^) saturegie ysopi camedreos pulegii origani balsa- 
mite -"') ocimi^) brance ursine diptami rute seminis^") aristologie 



i) L, : colatura. — 2) van Diacastor, af ontbreekt in Fi en NM. — 3) ontbreekt 
bij NM. — 4) NM : comitialibus, wat hetzelfde beteekent ; tot paralisim ontbreekt in 
Fj. — 5) tot enfraxim ontbreekt in F,. — 6) zie 9). — 7) ontbreekt in Fj. — 8) tot ^^ ont- 
breekt in Fj en NM. — 9) van 6) af ontbreekt bij NM^ in de plaats daarvan staat: 
apoplecticis, paraplecticis, tremulis, resolutione correctis. — 10) Bij NM en F, alleen: 
.5.iii. ', vóór asae foet. nog bij NM: aloes flav. : .3.1.8., en in Fj : Aloes .5.1. — 
11) Fuchsius zegt in zijn uitgave van NM, dat men hier onder asa foetida scordium 
moet verstaan. — 12) NM: .5.1. gr.vii. ; F,: 5.1. — 13) zie noot 10). — .14) NM heeft 
vóór squinanti nog senae. — 15) Bij NM vindt men de 4 voorafgaande simplicia in 
deze volgorde: squin. galb. spice. opop.5 Fy heeft de 2 laatste evenals NM. — 
16) NM en Fj hebben nog reupontici; zie 17). — 17) van 16) af ontbreekt in Fj 
en NM. — 18) F,: alleen .3.1. — 19) 1. stafisagrie. — 20) NM : cumini lali. — 21) 1. 
dampnococci; NM : nigellae; zie 22). — 22) van 21) af ontbreekt in Fj. — 23) NM 
heeft alleen: thuris; F, alleen: encens masle. — 24) F,: .3.!; NM: .3.iii.S.3.viii. — 
25) NM heeft ook nog balsami. — 26) rute seminis ontbreekt in NM. 



fol. 12 V. n. 52 

va« wilder saelgiew. Knde iegen die melte gevet met drawke 
da^-riw gesode;? es gremil. of saet van alexawdriew. Dit neme 
nuchtéren. daer na vaste .6. wilen : 



36- t ^^"^ yaCOStUM heet na .1. cruut dat costu;« heet o;//dat 

melte ■ ^ me«t deriMie doet. Hets goet iege;? de melte. ende 

water ^ W iegen wat(?r dat va« fleumew cowt. ende van me- 

^^-^ lawcolyen. dat .12. ste deel es .1.1^. ^ Newt asari. 

anijs. apie. elcs .3.5. squinanti. melanopip^'/'is. mirre. 

elx .2.3. ende .i.S. rebarbe. sofifraew. aristologia. elcs .2.3. coste. 

onder .8.3. canele. cassia lignee. elx onder .8.^. zee;« dats gnouch 

si. % Men saelt geve;? met dra;zke daerin gesodew es capparis. 

of scolopendrie nuchtens ende savonts. 



X) 



^7_ m^^^"^^ yayris heeft sine;z name na wortelen, die blade sijn 
gedae;? alse lisch ende draget witte bloeme;;. men 
heet^/ yreos. Hets goet de;;gene;? die men qualike 
heescheii * '^^'^' verstaen mach wat si seggew va;?, heescheide;?. 
^°^^*^ jege;? die hoeste die va« coude;? comi. Dat .12. 

ste deel es .3.1^. ^ Newt. yris .1.^. coelne. ysope. recolissie. elcs 
.7. gr^new of .7.3. dragant. amidi. pinee. canele. gingeb^re. peper 
elx .3.3. carnis dactilis. asar?/;;? '). enuclearum '). elcs .3.3 (?;zrt?é' .8- 
storacis rubei. elx .2.3. ende .8. zee;« dats gnouch si. Me;? saelt 
gevew savonts met warme;? wine. 



l) 1. passarum enucleatarum. 



53 

longe ') et rotunde aaron -) mabathematicon ^) asari ^) salvie rosé fol. lo r. 
bedellii^) aiï. gr. .xvii. *) epithimi polipodii opobalsami^) (fol. lo v.) ^o\. lo v. 
an grana .xiii. '•') elimpiados ^) ^) caparis -) aïï grana .xi. '') paucedani ^) 
absinthii aiï grana .vii. ^) anacardi savine '■') gentiane corticis '") 
mandragore an grana .xi. ") ") yreos grana .iii. et tertiam partem 
unius'^). mei quod sufficit. '*). datur in modum avellane capi- 
talibus passionibus cum apozimate lilifagi epaticis cum decoc- 
tione '^) absinthii vel eupatorii. spleneticis cum aqua caparis vel 
calamenti. nefreticis '*^) granorum solis vel macedonici. accipiatur 
summo mane et ieiunet usque ad horam nonam ") patiens. 
26. "i|f — >^ lacostum '■^^) dicitur a costo: quod ibi intrat '^). valet pro- fol. 10 v. 
prie spleneticis et ydropicis et leucoflegmaticis et 
yposarce que fit sine calore sunt '^). proprie valet 
spleneticis nefreticis et stranguiriosis optimum est 
.xii. pars. libra .i. ^°) Recipe anisi apii asari aiï .3.ii. et .9.ii.^') 
squinanti melanopiperis mirre aiï .5.ii.S. reubarbari croci aris- 
tologie rotunde et longe ^^) aiï .3.ii. et .9.ii. ^^) costi .5.1.8. cin- 
amomi casie lignee ^*) aiï .j.i. et .9.i.^''') mei quod sufficit. datur 
cum decoctione caparis vel scolopendrie^) sero et mane.^^) dosis 
est .5.ii. cum vino calido. 
28. '^ — "^ lairis^") dicitur ab yreos. prodest disnoicis^') -) arte- fol. 11 r. 
riacis^) tussientibus -). vocem perditam restaurat 
si fuerit ex frigiditate -^) .xii. pars est librae .iii. 
Recipe yris .^.i. pulegii ysopi liquiricie aiï .3.vi. 



D 



D 



i) Bij NM ontbreekt longe; er volgt na rotunde nog : brassicae sylvestris decoctae. — 
2) ontbreekt bij NM. — 3) van rotunde af ontbreekt in F,. — 4) NM : gr.xviii. ; er volgen 
dan ambar. gr.x., ossis de corde cervi .3. iii., ossis naris purpurae 3.1. — 5) L, : alipiados ; 
NM : laureolae, zie woordenlijst. — 6)Fi : gr.ix. — 7) 1. peucedani. — 8) in L.2, NM, Fi is 
peuc. absinth. an gr.vii. geplaatst achter de volgende rij simplicia zooals in MT — 
9) ontbreekt in F,. — 10) NM: fol. mandr. — 11) NM: siliquas .ii.S.; F, : gr.ix. — 
12) NM : gr.xiii.; et t. p. unius ontbreekt in F,. — 13) NM heeft nog: serici usti. gr.xii. — 
14) het volgende heeft NM korter en vóór ]^. — 15) in F] ontbreekt van hier tot 16). — 
16) in Li ontbreekt na nefr. : cum decoctione. — 17) F, : a tiercé. — 18) van Diacostum 
af ontbreekt in F,. — 19) sunt staat hier te veel. — 20) van ig) af ontbreekt in Fj. — 
21) F, alleen: .j.ii. — 22) F, alleen: rotunde. — 23) Fj : 3 i. ; Lj .5.i.9.ii. — 24) L2: 
casie fist. — 25) F^ alleen: .3.1.' — 26) het volgende ontbreekt in F^. — 27) 1. 
dispnoicis. — 28) voor de verg. met NM : zie woordenlijst. — 29) si fuerit ex frigiditate 
ontbreekt bij NM, ook wat hierop volgt tot Recipe toe. In de plaats daarvan vindt 
men bij NM : prodest ad collumellam quae veluti acus intus pertusa esse videtur, 
asthmaticos et diffic. spirantes. — 30) voor de verg. met F^: zie woordenlijst. 



fol. 12 V. a. b. 



54 



38. 



borst 

hoeste 

quatteine 



ï) 



yacalamENtUM heeft sine« name na calamé'wt. Hets 
goet jegew alle deren vander borst dat va« coudew 
comt. Ende jegew die quarteine ') meest in oude« 
lieden. Hets goet jegen hoeste die van couden 
cowt efide jegew die q«<a:rteine ^) genut na etene 

mei wine dat .15. ste deel es .2.'vè. % Nemt calamewtuw. coelne. 

melanopip<fris. sceli ^). pers\]n. elcs .4.5. apiesaet .1.9. ameos. thuri. 

dille, canele. gingebere. elcs .2.3. zeem dats gnouch si. Men saelt 

geve« alsoet vorseit es. 



fol 



12 V. b. 

39- 

coude 
lichamew 
bloetsucht 
me«isoe« 



ï) 



yacodion es goet jege;? alle coude lichamen enti 
moru sijn. &ïïde strewmet met regenwateren geso- 
de« of met spodiuwz of met rosewatere. of gesodew 
met wine eist goet iege/^ die bloetsucht. ende legen 
alle mewisoene. ^ Ne;«t va« olycrude .13. hoefde 
net te groene no te droge. en^<? ros^n .3.3. ende .8. acacia, sof- 
fraew. ricolissie. elx .i.§. boli .i.S.^. canele. symphiti. ypoq?^/sti- 
dos balaustie. elcs .1.3. mirtillorww .i.^- corael. wit ende root. 
sumac. drakewbloet. laccc. roris. sirici*): elx .1.3. semew portu- 
lace .8.3. ^ Dus salme«t vergadrew. legt die hoefde vaw de« 
olycrude 'm watere dat si bedect sijn. ende hullet wel de« pot 
bovew. e7ide latet also staew .3. dage«. Ende óerna. seldijt zieden 
tote dat t(?rdendeel versoden si. ende dan coleret. Ende hi die 
colatwre doet zeem onder .8.'H.'. ende mirtilli. ende doeter in die 



l) deze 3 woorden zijn in het HS weder doorgeschrapt daar zij later (zie 2)) 
weer terug komen; blijkbaar heeft de copiist zich vergist. — 2) zie l). — 3) 1. 
siceli. — 4) 1. siriaci. 



55 

dragaganti ') amigdalarum pinearum cinnamomi zinziberis piperis fol. ii r. 
an .^.iii. caricarum carnium dactilorum passarum emundatarum-) 
aiï .5.iiii.S.^) storacis rubee .3.ii. et 9.i. meH) quod sufficit. suma- 
tur sero cum vino calido^). 



D 



2Q. "~w ^ lacalamentum a calamento dictum est *^). valet precipue fol. ii r. 

ad omne vitium pectoris ^) ex frigiditate : '°) maxime 
hiis ^) qui in senili sunt etate. valet etiam tussien- 
tibus ex frigida causa et quartanariis: si ex eo 
utuntur post prandium : et post cenam in sero cum vino") cum 
duobus .9. dyagridii et euforbii .vi. in modum nucis ante duas 
horas accessionis cum apozimate pigani vel roris marini quod 
prestat quotidianariis .xv. pars est librae .ii. Recipe calamenti 
pulegii ysopi '-) melanopiperis siselei^) petroselini an .5.iiii. '^) et 
.9.ii. '*) levistici .^.i. '^) et .9.i. '*') apii seminis .9.i. '*^) ameos thimi 
aneti'') cinamomi zinziberis an .9.ii. ^ö) mei'**) quod sufficit. datur 
post prandium in cena^^): 

Hoc nimium confert ad ventris solutionem ^"). 

31. ""W — ^^ lacodion dicitur a codio: papaver nigrum interpre- fol. 11 r. 

tatur quod ibi intrat-'). proprie datur omni solu- 

tioni ventris maxime discintericis-^) cum decoctione 

aque pluvialis in qua sit spodium coctum^^) vel cum 

aqua rosarum et lientericis cum careno .xii. pars librae .ii. ^*) ■■^') 

Recipe capita papaverum non minis viridium nee nimis siccorum^°) 



D 



i) bij NM: volgt amyli. — 2) L.,: enucleatarum. — 3) Lj en NM: .s-iii. — 4) NM : 
meilis aut sacchari. — 5) bij NM: Datur cum decocto caricarum, sem. malvae, hys- 
sopi, carnis, palmularum et vino calido vesperi. — 6) van Diacal. af ontbreekt 
in F, en NM. — 7) Fj : poumon. — 8) 1. eis. — 9) ontbreekt bij NM. — 
10) tot Recipe heeft NM eenigzins anders. — ll) van hier tot .xv. pars ontbreekt 
in L2; tot Recipe ontbreekt in F,. — 12) ontbreekt in F, en NM. — 13) Lj 
en NM: .5.iii. — 14) Fj : alleen ^.ii. — 15) NM : 5.ii. — 16) Fj : alleen 5.1. — 
17) NM: anisi. — 18) NM: meilis aut sacchari. — 19) 1. et cenam. Fj : après 
mangier au soir ou vin ; NM heeft nog : probe confectam praebeto. — 20) Deze 
woorden alleen in L,. — 21) van Diacodion af ontbreekt in Fj en NM. — 22) NM 
heeft nog et febricitantibus. — 23) NM heeft nog rhus culinarium, myrtus. — 24) van 
23) af ontbreekt in F,. — 25) van lientericis af ontbreekt bij NM; bij hem volgt 
nog : et his qui vacant febre cum vino tepido praebetur. — 26) bij NM nog : cum 
exteriori cortice. 



fol. 12 V. b. 
fol. 13 r. a. 



56 

speciew wel gepulvert alsoet vorseit es. Knde alse dat zee;« ge- 
soden es salmew dat mirtilli zieden in wat^re. e?ide van dien 
watere seldi .iM. zieden m^/te;z zeeme al tote dwat^r al ver- 
sodew si. da^'rna seldi v^rsiedew die vorseide colatwre m^/te« 
zeeme. Knde alse dat zeew dicke gnouch es. so doeter in die 
vorseide poed^re. ende doet af en^i? miwget wel. 



40. 

mage 
walgew 
wint 
me«isoe« 



D 



yacitonitCN doet wel verteeven ende wed^rstaat wal- 
gen, ende verduwet wint. ende verwarmt die mage. 
ende es goet iegew menisoew da^'r die spise al on- 
Vi?rteert dore gaet. ende \\et maect goede roke. 
^ Newt citoniorum .1. luttel gespoelt \n wat^re 
ende gesuv^rt va« den scorssew ende va« de« notew. ende da;z 
gestampt. 'E.xide dan nemt zeem .^M. wel gescuumt. nochta;/ 'ware 
bet^r. suk^r genomen .4.3. ende .S. ende doet te viere. entie 
sitonie/z al te gadrre gestampt ende latet zieden dat dicke gnouch 
si. Knde daerna coler^/ dore enen dorgaettew lepel eist limech 
e7ide tay. so eist genouch: Dan doet<fr in dese species ^ Nemt 
canele. onder .8.^. peper .S-o- ricolissie. galigaen .8.^. naglew. 
notew muscatew. clx .3.5. ligni aloes. macis. cardamomu///. elx 
.2.3. zede ware .1.3. ^ Men sal .1. mar<^^rstee« besmeerew mei 
Tosewatere. ende sprayen d^rop muskeliaet. ejide gietew derop dat 
vorseide zeew ende suk^r. >/Z(^^ latf/ breidew optew steew. Enö^^ alst 
cout es sal me«t snidew lancs ende dweers gelijc at^rmewte. ^ Ende 
fol. 13 r. a. wilmen. (fol. 13 r. a.) dese conkxie makc« n\et te ptirgierne 
hu;//oren. so salm^r in mingen scamoneie also menech .5. alser 
menig .'S,', es van den andrew swaer, Ende simpel sond^r scamo- 
neye salmewt geven nuchte«s ende navowts met wine. 



57 

numero .xii ^). rosarum .^.iiii.S. ^) croci acacie liquiricie aiï .5.1. fol. 11 v. 
boli .^.S. cinnamomi simphiti ^) ypoquistidos balaustie an .5.!. 
myrtillorum .%.i. *) coralli rubei et albi" sumac sanguinis dracoriis 
lacce ■"') roris syriaci an .S.ii.S. ^) seminis portulace .3.8. ') Confi- 
citur sic: capita papaverum ponantur in tantundem aque plu- 
vialis quod bene coperiantur et per tres dies ibi dimittantur ^) 
et in ipsa aqua usque ad tertiam partem bulliantur: et postea 
colentur ^) et in colatura ponatur libram .i.S. '") meilis myrtini.") 
32. et in tali melle supradicta admisceantur. Confectio meilis myr- 
tini talis est : in duabus libras meilis dispumati ponatur una libra 
succi myrtilorum et coquatur ad succi consumptionem : et postea 
coletur. dosis eius .3.iiii. vel. vi. '-). 

Diacitoniten ''). - ■ 
r- "W ^ lacitoniten '^) dicitur a citoniis unde fit, valet ad debi- foi, 12 r. 
I B litatem stomaci si fuerit ex frigiditate. appetitum 

I m confortat si non deficit ex abundantia humorum. 

-^ vomitum abstinet, ventositatem precordiorum emen- 

dat. et bonum colorem facit: et debiiitatem stomaci reparat. 
lientericis prodest. valet etiam his qui nimiam solutionem habent. 
facit maxime delicatis hominibus et nobilibus. yliosis confert. 
bonum odorem et colorem prestat. nota quod si stomacus labo- 
rat ex debilitate virtutis digestive debet dari post cibum. si vero 
ex debilitate retentive ante cibum. Recipe citoniorum in aqua 
elixatorum a cortice exteriori et (fol. 12 v.) a nucleis interioribus fol. 12 v. 
mundatorum libras .iii. meilis dispumati libras .iiii.S. supra dicta 
citonia bene ut diximus mundata et fortiter trita in . mortario in 
caldario cum predicto melle super ignem ponantur : et cum spatula 
semper agirando bulliant donec inspissari incipiant. Si vis scire 
quando coctum fuerit: ponatur aliquantulum super marmor infu- 
sum aqua rosarum: si non inviscatur ut colligere valeas coctum 

l) Bij NM en F, : XIII. — 2) alle andere texten hebben 5.ii.S. — 3) ontbreekt 
in F,. — 4) F,: .3.1. — 5) ontbreekt in F, en NM. — 6) L2 en NM : .9.ii.; F,: 
j.ii. — 7) F, : 5-S. '1 van hier af tot conf. meilis myrtini heeft NM met andere woor- 
den. — 8) van et af ontbreekt in F,. — • 9) et post. col. ontbreekt in F,. — 10) F,: 
"iÈ.S. — 11) het volgende ontbreekt bij NM; tot conf. m. myrt. ontbreekt in F,. — 
12) van dosis af ontbreekt in Fj. — 13) alleen in L|.. — 14) vcor de verg. met 
Fj en NM zie woordenlijst. 



fol, 13 r. a. 



58 



41. 
borstsw^re 



42. 

coude 

ziech^/V 

hoeste 

spuwe« 

adem 

lo«gene 

le\ere 

mage 



t) 



yapapaVER es ene latuarie iegew die sw^re in die 
borst. ^ Ne;«t sop van ricolissiew. dragawt. go;«me 
va« arabie elcs .10.3. wit olisaet. penidew elx .20.3. 
soete amandelen .10.3. semew sitonii. saet van por- 
celeinew. elx .15.5. semew cucumeris. melonis. ci- 

trulli. cucwrbite. latuwe. maluwe, elx .8.3. Knde pulv(?rtse ende 

tempertsQ vaet cyrope vyolaet. 



ï) 



yadragaNtUM calidUM. dese latuarie heet na dra- 
ga«t. Si es goet in couder ziecheit. ende jege« die 
hoeste die va« coudew comt. ende die node uit- 
wé';'pe«. ^v\.de pawtysen entie ett^r spuwew. entie 
qz/fllec mogen harew adem varhalen. Ende jegew 
sw^rheit an die longene ende an die lev^re. ende fc/ïforteert die 
mage ende doet wel V(?rtere«. ^ Ne;«t canele. dragawt. elx .1.^. 
venigriec .i.^. amandelen, pinee. lijnsaet elx. ond^r .8.^. ginge- 
b^re. ricolissie. ende tsop van ricollissien. elcs .1.5. 



59 

est: et tune ab igne deponatur. et pulvis harum specierum cum fol. 12 v. 
spatula semper agitando superspargatur. Recipe cinamomi .*.S. 
zinziberis .^.i. galange piperis an .^.3. ') gariofilorum nucis mus- 
cate an -S-iii. spice ligni aloes macis cardamomi liquiritie an 
.3.ii. zedoarie an .^.i. deinde super marmor infusum aqua rosa- 
rum cum aliquantulo musci distemperatum super marmor spar- 
gatur: et cum infrigidatum tuerit cum cultello frustatim incidatur : 
et si laxativum facere volueris in unaquaque libra apponatur 
■o-S. scamonee trite. tamen cum fuerit calidum antequam supra 
marmor ponatur scamonea bene comisceatur. laxativum detur 
cum vino calido in sero. simplex autem detur mane post pran- 
dium et post cenam. 

30. "'W ^ lapapaver^') quod mirabiliter prodest ethicis thisicis fol. n. v, 
nimium vigilantibus-). confecta est librae .iiii. ^) Re- 
cipe succi liquiricie dragaganti gummi arabici an 
.5.x. ^) seminis papaveris albi penidiorum an .3.XX. *) 
amigdolarum dulcium mundatarum .3.x. '') amidi '') seminis cito- 
niorum portulace an .3.V. ') seminis melonis et cucurbite et cu- 
cumeris ^) lactuce malve aiï .3.viii. ^) fac pulverem. confice cum 
succo ^") violarum vel sapa. 



D 



i) L2 ^.S. — 2) Bij NM dient dit praeparaat niet voor de hier opgegeven ziek- 
ten maar: asthmaticis, peripuenmonicis, tussientibus, destillatione laborantibus et 
lienosis; hierna ontbreekt in L, : tertia pars; men vindt dit wel in L2. — 3) L2*. 
"tÈ-ii. — 4) bij NM alle simplicia van Recipe af tot amigdolarum aïï s-xv. — 5) NM 
5.V.S. — 6) 1. amili. — 7) NM : s.iii. — 8) bij NM volgt achter cucumeris: et ci- 
truli aïï 5.ii.; dan komt sem. lactuc. enz. — 9) Bij NM .5.S. dan volgt alleen 
nog: zucchari et drosati quantum satis videbitur. — 10) L2: syrupo. — ll) voor 
de verg. met F] : zie woordenlijst. 



fol 13 r. a. b. 



60 



43- 

lichame 

melawcolie 

col era 

fleumen 

bloet 

wint 

borst 

stewme 




lectuariuM die men heet catholicUM. dese es or- 
borlijc 'm alle ziecheidew daers te doene es. Het doet 
mtuurVike den lichame hebben, men maecht oec 
geven zieken ende gesonde/z die den lichame heb- 
ben bestopt. Me« maecht geven vore etene endem. 
etene sond^r enege spise te latene. Yiet pwrgiert melawcolie. ende 
coXere. ende fleume. ende suvert bloet. ende verdrijft wint. ende 
verlicht die borst entie ste;;2me. ^ '^emX zeem. cassia fistula. 
tamariwdi elc wel gesuv^rt. elcs .1.^, rebarbe. v'xolariim. spodii. 
anijs, ricolissie gesuv^rt. penijt. candijt. die .4. coude sade. elcs 
.1.3. soffrae;/. polipodii .2.% Ende z\edet lange i;? wine of i« borne. 
da« colevet ende doet^r in suk(?r .9.^. ende iernpert daartoe cassia 
fistula. ende tamariwdi. dit suldi ziedew dicke gnouch. Da;z doet 
af ende mi«gt daé'rin die andre species vorseit. En^^ geves .i.S-o- 
temale. 



44. 

colera 
fleume 
huwzorew 
fol. 13 r. b. 




lectuariuM dulce p//rgiert colera. ende fleume ende 
leid*?/ die \i\xtnoxen zoeteleke. 1[ Newt rosen. canele. 
gxngehere. semew melonis. elx .6.5. sandali wit ende 
root ende sw<frt. /«^rmodactilii. (fol. 13 r. b.) esule. 
elcs .1.^. scamoneye .2.g. ende .1.3. suki?rs .6.3. En</^ 
zeem dats gnouch si. 



45. 

colera 

rede 

huOTore« 




lectuariuM de SUCCO rosaRUM. \\et heeft sine;^ name 
na sop va« rosen. Het purgiert colera., ende es goet 
iege;z cotidiane ende \egen t^rtiane. En^^^ iegew bli- 
viwge va.n \i\xmoxen na der zïecheit. die pnrgetet. 
entie blive;^ na der hekeringeti van .1. ziecheit. Die 
\e\det uten lichame. Terdendeel es .2.11,'. % Newt sop va« rosen 
elx .i.lt'. van suk^re ende van rosen. ende oec .4.^. va« sandali 
wit ende root ende sw^rt. spodii. elcs .3.3. dyagridii .2.5. canfer 
.1.9. Men saelt teinpern nader ma«iere« van electuariew ende gevent 
met coude« cyropew of met warmen wati?re also grot alse .1. 
k^rstaewgie. ende gevet te midd<?rnachte. 



6i 

^3- ^ ^Atolicon •"') valet epaticis sple'neticis. datur in acutis et fol. 6 r. 

pèracutis quia mollificat digerit confortat. Recipe 

sene mundate medulle casiefistule tamarindorum ') 

reubarbari ellebori. an .g.iii, polipodii anisi liquiricie 

seminum communium candi penidii .^.i. syrupi quod sufficit in 

quo ponantur polipodii .^.viii. feniculi .^.iü. in libras .iii. aque 

et syrupizentur cum .9.ii. zuchari. 



C 



E 



42. ~^ "^ Lectuarium de succo rosarum*^) ab eodem succo die- fol. 15 r. 

turn est ^). expertum est contra guttam calidam. ^) 

coleram nigram *) purgat et convalescentes ex egri- 

tudine scilicet quotidianariis et tertianariis purgat 

sine molestia ^) et reliquias malorum humorum potenter educit 



i) L2 na tamar. : an .5.viii.; wat nu volgt ia L,_, wijkt te zeer af van L,, om het in 
noten mede te deelen; er volg-t: rheub. violar. polypo. anisi. an j-üü- liq- munda- 
tae, peni. candi. an 3. iii. quatuor se. frigidorum mundator .,5.i. Accipe iterum. li. 
.1. polyp. quercini, et tere modicum et in aqua diutissime decoque et ex colatura 
fac syrupum cum li .viii. zuc. In parte autem colaturae distempera cassiam et tama- 
rindos et in fine decoctionis serupi pone; deinde confice electarium imponendo 
pulveres aliorum. et dosis eius est ab. unc .S. usque ad. unc. .i, — 2) van rosar. af 
ontbreekt in Fj. — 3) calidam ontbreekt in F,. — 4) F, : alleen coleram; in L2: col. - 
ru. — 5) van hier af tot ]^ ontbreekt in Fj, — 6) voor de verg. met F] en NM : 
zie woordenlijst. 



fol. 13 r. b. 



62 



E 



63 

que remanserint. .iii. pars librae .ii. Recipe zucchari succi rosa- fol. 15 r. 
rum ana libram unam et uncias quatuor '). sandali albi et rubei 
et citrini ^) ana drammas sex. spodii drammas tres. diagridii 
drammas duodecim ^). camphore scropulum unum *). tempera ad 
modum electuarii cum syrupe facto de eodem zucharo et succo 
rosarum. datur cum aqua calida in mane ad modum castanee. 
43. ~W ^ Lectuarium frigidum secundum Cophonem^) quod op- fol, 15 r. 
time tercianarios et quotidianarios et erraticas febres 
purgando sanat : et etiam habentibus stomacum coleri- 
cum familiare est. tertia pars confecta est librae 
quatuor. Recipe sandalorum alborum et rubeorum et spodii dra- 
gaganti gummi arabici amili rasure eboris reubarbari sene rosa- 
rum violarum seminis fumiterre berberis sebesten seminis portu- 
lace maratri anisi ^) ana drammas tres ^). emblici unciam unam. 
Conficitur sic: psillii uncie (fol. 15 v.) octo ponantur in sufificienti fol. 15 v. 
aqua ferventi in qua bullierit libra media polipodii quercini 
viridis mundati et triti omnes herbe diuretice violarum et pru- 
norum : et tamdiu dimittantur donec bene congelentur. deinde 
coletur fortiter per saccum. ad meliorem vero mucilaginis con- 
strictionem intromittatur in saccellum aliquantulum aque ferven- 
tissime : et colature addantur scamonee uncie sex pulverizate: 
prius tarnen cum aqua frigida inter manus fricate et bene cum 
eadem mucilagine fricentur manibus. deinde apponantur zuchari 
libre quatuor dissoluti prius cum sufficienti aqua decoctionis 
polipodii cerarum ^) herbarum diureticarum. et colati deinde 
super ignem positum bullire permittatur. cumque ad medium 
decoctionis pervenerit addantur uncie due tamarindorum et uncie 
due casie fistule dissolute prius in sufficienti aqua decoctionis 
prunorum et predictarum herbarum diureticarum et per caciam 
colate usque ad perfectam coctionem bullire permittatur. signum 
autem decoctionis est: si super marmor positum et infrigidatum 
aliquantulum viscosum fuerit et digito adheserit: motione tarnen 

i) in Fj ontbreekt: .o.iv. — 2) et citr. ontbreekt in Fj ; in de plaats daarvan: 
gummi arabici. — 3) F, : 3.iii. — 4) F, : 5.i. — 5) van 4) af ontbreekt in F^. — 
6) L.j heeft nog: sem. papaver, liquir. sem. lactucae. — 7) in Lj votgt nu eerst: 
myrob. citr. belliric. capill. vener. ana. g.S. — 8) 1. ceterarum. — 9) voor de verg. 
met Fj en NM : zie woordenlijst. 



fol. 1"? r. b. 



64 



46. 

colere 
rede 
levere 
geelsuchl 



mage 

wint 

lanke« 

lendenew 

steen 



^■■^l lectuariUM cillicicUM heeft sine« name na silliu;;^. 

M^^^j Hets goet iege« rode colere ende iege/^ t^rtiane. ende 

^ - 1 iegen dagelikew corts. ende iegew levi?re ende geel- 

^^-<^l sucht. % Ne;«t sandalen wit ende root. spodii. rosen. 

^ rebarbe. dragawt. gommi arabice. dyagrz'dii. berb^-ris. 

vïolarum. elx .i.S-o- saet va« portulace. scariole. elx .4.3. 51 Dus 

Vé-rgad^rt mewt. legt sillium .3. ft', in warme« wat^re .3. dage. 

dan p?/rger^/ dwat<?;' ute ende doet^r in suk^r. ende \ditet staew 

:2. dage daarna zxedet dicke gnouch. Da« doet af efide mincté'r 

in die poedrew v^rseit vande« specie;?. In den zomer salmewt 

geven in den ierstew slaep. In den winter te middernachte. ende 

m beiden tidew met vjervaen wat^re also groei als .1. haselnot. 

^■"^I lECtuariUM ducis es goet iegew onverteerlich^//. e7tde 

^^^^1 iegew wint vander mage/? ende ïn die darmew. ende 

W 1 iegew pine 'm die lawkew ende 'm die lendenew. ende 

^—^1 iegew dew stee;?. ^ Newt anijs .2.3. e?ide .15. granen. 

^ mastic. ricolissie elx .1.5. ende .5. granen, camedrei. 

gi;?gebere. canele. galigae;?. venkelsaet carvis. elx .i.lj). ende .15. 

granen. calam<?«t. silocassie. perUec. wit "pieper ende la«c. siperi, 

sqwmawti. dauci. yrei. amomi. folie, asari. elx .1.9. soflraew. spijc. 

go^wmi arabici. dragant. dille, calami. aromatici. cubebe;?. nagle;?. 

lovessce. carpobalsami. alexandrini. geniv^re. silleris. mo;?tani. 

pe;?tafilon. seme ^) zsperz.g\. citri, radicis achori. radicis 3.sper- 

agi. amer. rebarbe. netelen. re;?po;?ti ^). nucis maristicis ^). ligni 

aloes. s^;'pe;?ti;/e. gr^mil. bevenelle. dauc;/j-. citrulli. melonis. 



l) 1. samen. — 2) 1. reupontici. — 3) 1. miristice. 



65 

baculi ab ipso decoctionis principio non cessante. Cumque coctum fol, 15 v. 
fuerit ab igne deponatur. et in mortario posito pulvis predictarum 
specierum super spargatur et cum. 

^) (fol. 16 r.) pistello bene conterantur fol. 16 r. 
usque ad ipsius ius^) cositatis ^) et gummositatis remotionem. deinde 
recondatur: detur colatura casiefistulae in sero vel media nocte. 

EMplastrum ^) psilliticum a psillio dictum probatum fol. 16 v. 
contra coleram rubram. tercianariis acute febri epa- 
ticis yctericis omnino subvenit. medietas est libra 
.i. Recipe psillii libras .iii. et in aqua ferventi pone 
per triduüm, postea coletur: et in colatura admisceantur scamo- 
nee .^.iü. et zucchari libras .iii. et per duos dies dimittatur: et 
postea coquantur. deponantur ab igne et pulvis istarum specie- 
rum admisceatur qui ^). Recipe sandali albi et rubei rosarum reu- 
barbari spodii draganti gummi arabici violarum berberis, an .3.8. *) 
seminis portulace scariole. aiï .3.iii. in estate detur apud som- 
pnum: in hyeme circa mediam noctem. in utroque tempore cum 
aqua calida ad modum castanee. 

E"^ Lectuarium ducis dicitur quia abbas de curia illud fol. 14 r. 
J composuit ad opus ducis Rogerii filii Roberti vis- 
cardi^") propter indigestionem et ventositatem stomaci 
■^ et intestinorum : et ilii ") dolorem ") : et vitium lapi- 
dis ■"'). Recipe (fol 14 v.) anisi .5.11. et .gr.xv. ^) liquiricie masticis an fol. 14 v. 
.9.ii. et grana .v, ^) '^) camedreos zinziberis cinamomi galange mara- 
tri karvi an .9.i. grana .xv. '^) xilocasie ") calamenti") dauci piretri 
piperis albi et longi ciperi squinanti '^) yreos amomi folii ") asari '^) 
aiï .9.i. '^) spice croci gummi arabici dragaganti seminis aneti 
calami aromatic! cubebe gariofilorum carpobalsami ^) ^') iuniperi 
alexandri '') sileris pentafilon seminis sparagi citri ") acori radicis 



1) hier is een geheele regel druks open gelaten; er ontbreekt echter niets. — 2)1. 
viscositatis. — 3) 1. Electuarium; voor de verg. met Fj en NM zie woordenlijst. — 
4) Lj : 5.S. — 5) Lj heeft nog : xii pars conf. ii'.i. — 6) Lj : gr. xvi. ; F, : s.ii. — 7) Lj : 
.3.i. gr.v. — 8) in L.2 en F, volgt : levistici. — 9) overbodig of corrupte plaats ? — 10) van 
El. duc. af ontbreekt in Fj. — ii) ontbreekt in F,. — 12) Fj : 5.ii. — i3)Fi:.3.i. 

5 



fol. 13 V. a. 66 

fol. 13 V. a. cucurbite. portulace. scariole. />ersijn. storax, camite ') (fol. 13 v. a.) 
cardamomi elx .15. granen, penidiew .8.^. ende .1.5. ende .1.9. 
zeem dats gnouch si. Men saelt geven met vfervaen wine na etene. 
of alse men geten heeft. 



48. 

melawcolye 

mage 

herie 

owmacht 

grot evel 

//^/ssenen 




lectuariuM pluris. Dats ene volmaecte medicine. 
Si es goet jege;^ die pine vaw melawcolien. ende 
iegen gr^ete crawcheit vand(?r magew ende vandor 
herteji entie g,?;'ne \n owmacht vallen. ¥.nde scarpet 
de;/ sin. ¥.nde es goet iegew .3. maniere» vande;/ 
groten evele. ende bet<?;'t alle die crawcheit vande;/ herssenew. 
dat .8,ste deel. es .i.lb'. ^ Neet ^) canele. nagle. gingeWre. ligni 
aloes. spijc. galigaew. notemuscatew. mastic. spodii. sqz/manti. 
ciperi. \\olarum, rosen. elx .1.3. ende .5. granen, folie recolissie 
storax, sansucc//.?. s.?rpe«tine. macr^pipéris. mirtilli. corticis citri 
elx .1.5. ende .15. granen, gowmi arabici. beonaP). corael. cerici 
combusti elx .i.9. ende .1. graew. musci .8. granen ende .i.S. bal- 
samite .1.5. ende .15. granen, canf^r .15. granen, cyroop rosaet 
dats gnouch si. 



i) 1. calamite. — 2) 1. Nemt. — 3) 1. been al. 



ameos reubarbari indi") urtice reupontici nucis miristice ligni aloes fol. 14 v. 
basilici ''') milii solis saxifrage seminis citroli melonis cucumeris et 
cucurbite scariole petrosellini been albi et rubei storacis ^) calamite ^) 
cardamomi. aiï gr. .xv. penidiorum .^.S. et .3.ii. et .8. ^^) mei quod 
sufficit: datur post prandium et ad ') cenam cum vino calido. ^^) 
si datur contra lapidis vitium sumatur cum decoctione millisolis 
vel scolopendrie. 



E 



41. "^ ^ Lectuarium pliris arcoticon ^) pliris est completa medi- fol. 14 v. 
cina arcoticon principium interpretatur ^) valet tris- 
tibus •') melanconicis^): et ad magnam "^) stomaci 
debilitatem ') et cordis .i. sincopim "^). memoriam re- 
parat. sensum acuit. epilenticis ^) avaleticis °) achatalecticis pro- 
dest '°) et omnem debilitatem cerebri reparat .viii. ^') pars libra 
.i. Recipe cinamomi gariofilorum ligni aloes galange spice nucis 
muscate zinziberis spodii squinanti ciperi ^^) rosarum violarum 
an .3.1. et gr.xv. '^) folii '-) liquiricie masticis storacis sansuci bal- 
samite '*) basiliconis cardamomi macropiperis et leucopiperis '^) 
mirtilli corticis '^) citri an .y.ii. et gr.v. ") gemmarum '^) been '^) 
albi et rubei coralli syrici combusti an .9.i. et gr.ii. ''•') musci 
gr.vii. et .8. ^^) camphore grana .v. syrupi rosacei ^^) quod suffi- 
cit "). detur febricitantibus '-) cum aqua ^^) mane et sero : ^^) non 
febricitantibus cum vino. 



i) L^: post. — 2) van hier af tot 3) ontbreekt in F,. — 3) NM vertaalt pleres 
archonticon door implens principale. — 4) tot ]^ ontbreekt in F,. — 5) ont- 
breekt in P',. — 6) trist. melanc. ontbreekt bij NM. — 7) NM heeft hier: calorem; 
er volgt nog: prodest cibum evomentibus. — 8) ontbreekt bij NM. — 9) 1. anhe- 
liticis. — 10) van hier tot recip. heeft NM anders. — ll) L.2- -vü. pars. — 12) ont- 
breekt in F,. — 13) in F, alleen: .s.ii. — 14) NM en F,: balsami. — 15) ontbreekt 
in Fi en NM. — 16) NM: fol. citri. — 17) F,: .5.1. — 18) NM : hermodact. al. 
et ru. In de noten zecht Fuchsius: intellige been al. et ru. Latini Nicolai codices 
habent been al. et ru. Hier worden blijkbaar de texten van NM en van NS dooreen 
gehaald. — 19) NM: .3.i, gr.ii. S.; F, alleen: gr.xv. — 20) F,: gr.v. — 21) Bij NM 
nog: et sacchari. — 22) van hier af tot het eind ontbreekt bij NM. — 23) F,: eve 
tiede. — 24) het volgende ontbreekt in F,. — 25) F,: 3.S, 



a.b. 

49- 

mela«colye 

appetijt 

^^rssenen 

oren 

]ippe« te 

clove« 

ha«de 

voete 

venijn. 




fol. i.^ V. a.b. t)8 

sdra heeft sinew name na esdras den prophe/e diese 
ierst va«t. Hets goet iegen mela«colie. ende die qua- 
de« appetijt hebben, entie colew ete« ende leew. 
ende scalen van eyeren. Hets goet iegew v^rcoudde 
/lerssenen. ende iegew lopewde orew met warmew 
wine gedrowkew. of \n die ore« gedrupt. Y.x\de iegew te clovene 
lippew vaw de« mo^/de. ende iege clove« an die voetew ende ane 
hande«. Hets goet dewgenew die venijn heeft gedrowkew of getew. 
hets goet jegew venij;? va« s^rpente« ende jege/^ bete« van ge- 
venijnde« beestew. of crupende wormew. gesoden vwet wine efide 
mei mewte^sope geplaest(?rt optie wonde of optie bete. ^ Neemt 
alipte: ') muscate. ^), mirre, suk^r. ruutblad^re. apiesaet. camedrii. 
ve«igriec. elx. onder .8.3. ebrois ^). pigani. wilde rute, saet van 
lilifagi. origani, balaustie. radices mali gr^nati. elx .1.3 ende .8. 
gr^new. giwgeb^re. canele. nagle. spijc. sillobalsami. aloes. zede- 
ware. lacce. go;«mi arabici. rosemarini. capparis. coelne. averone. 
melanopipiÉ'ris. ossiu;« dactilis. persijn. elx .1.3 ende .8.9. ende 
.4. granen, galigaew. soffraew van oriewt. anacardilitos ^). sperma- 
tis ^). mandragore. acor ^). pyonie. w^/'pond dats thus masculi. 
fol. 13 V. b. ysope. roris siriaci: (fol. 13 v. b.) serpentine, dauci. cretici. ve«- 
kelsaet. en^*? tsaet va« dew musemaluwe, olye va« olivew. goet 
oudew wijn. elx .1.3 ende .1. graen. folie, galie. sofifrae«. muscate. 
coste. calami. aromatici. cassia lignee. naerdi. mirabolani. celtice. 
sillobalsami. dragawt. wit corael ende root. bev^rcul. rebarbe. 
bedellii. galbanu/«. oppopanac. aspaltu;/^. té-rbentine. mastic. tyriace 
adriani. re«po«tici. aristologia lo«ga. asari /z^rmodactili. meu. 
yrei. pertrec. pe;^cedani ^). epithimi. v'iolarum. byvoet. symolee 
folior«;« citri. laureole. mewte malabatri. qwmtefolie. anijs, carpo- 
balsami. amomi. ciruw ^). ruconis ^). wit olysaet. ozimi. sermon- 
teyne. rutesaet die \n die hove wast. bakelare. drakewbloet. zeil- 
stee;?, lapides agapis. dbeew vandor herten vandew hert. muske- 
liaet. elcs .1.3. canf^r .7. granen, amber. per\en vnet gatew ende 
sonder gatew. blacte. bisance. adec. storax, calamite. serapini 



i) conf. alipte muscate. — 2) 1. eboris. — 3) 1. anacardi. litospermatis. — 4) 1. 
acori. — 5) 1. peucedani. — 6) 1. cimini miconis. 



E 



69 

39. '^ "^Sdra') dicitur quia Esdra propheta in babylonia in fol. 13 v. 
exilio positus eam primo invenit ^). datur melanco- 
nicis timidis: et quibus inest malus appetitus pro- 
dest. valet etiam comedentibus carbones et tuffos^) 
et testas ollarum : et ad nimiam cerebri frigiditatem ^). valet 
ad dolorem et putredinem aurium ex reumatica causa •"') si hoc 
modo fuerit aptata. fac licinium de panno vel bambace : et in 
capite licinii pone parum olei muscellini : et supponatur esdra 
et in aurem patientem immittatur. ad difficilem partum mulieris 
satis valet: si cum succo artcmisie fuerit distemperata vel savine 
utroque latere ab umbilico inferius inuncta. prodest ad tussim 
veterem vel humidam distemperata cum succo ptissane vel amidi*"). 
valet ad scissuras labiorum si ex ea fuerint inuncta. valet contra 
venenosos morsus animalium serpentum ranarum ^) et aliorum 
reptilium : et contra morsum canis rabidi. prodest toxicatis homi- 
nibus si trium annorum vel .iiii. fuerit **). data cum succo mente 
distemperata supra vulnus inunctum satis confert .xl. pars con- 
fecta est libra .i. ^) Recipe alipte muscate mirre zuchari foliorum 
rute apii seminis camedreos fenugreci. an .j.i. et .^.1. et gr.i. ''*) 
eboris limature pigami lilifagi golene balaustie an .^.i. et gr.vii.S. 
et parum plus"), cinnamomi gariofilorum xiloaloes ') spice ze- 
doare lacce '') rosarum caparis pulegii abrotani melanopiperis 
petroselini ossium dactilorum aiï .y.ii.S. et gr.iiii. '^) galange ^) 
zinziberis croci ortensis anacardi litodemonis ^) mandragore acori '^) 
peonie thimi ysopi roris syriaci ') basilici dauci feniculi (fol. 14 r.) fol. 14 r. 
altee '■') olivarum seminis^*): vini veteris optimi an .3.8. gr.i. '') 
balsami croci ') orientalis ^) folii ') costi gallie calami aromatici 
casie fistule mirobalanorum nardi celtice xilobalsami ^) dragaganti 



i) Zie omtrent de vergelijking van den text met NM, bij Esdra in de woor- 
denlijst. — 2) van Esdra af ontbreekt in Fj. — 3) tuffos ontbreekt in Fi. — 
4) In Fj volgt nog : donee au soir en qiiantité d'une noicelle ou (av'ec) vin chaut. 
— 5) ex reumatica causa ontbreekt in F] 5 daar vindt men: destempree ou vin 
chaut et mise dedenz; zie 6). — 6) van 5) af tot hier ontbreekt in Fj. — 7) ont- 
breekt in F,. — 8) van 7) af ontbreekt in Fj. — 9) .xl. p. conf. e. ffi.i. ontbreekt in 
F,; in L.2: ü'.iii. — 10) Fj alleen: 5.!. — 11) F, alleen: 5.1. — 12) Fj : g.ii. et 
demie. — 13) Lg- ^e. alteae. — 14) F, alleen: olives. — 15) F,: g.i. et demie; 
L2 nog 3.S. 



fol. 13 V. b. 70 

levende sulfer, armowiac. betonie. cabali marini. ypoqz^zstidos. 
macis. sqz«na«ti. hêrho. siriace. floris coriandri. marobie. suffer '). 
alsene Jfersijn van alexandriew. dille ^). saet. van cardew ^). amer. 
lovessce. citri. leucopip^ris. macröpip^ris. nigle ^). saet van ci- 
trulle. tr^meerbloemew. levende water, elcs .i.S.3. ende .2, gra- 
nen, litargiruw. opiu;« tebaycuw. calami. aromatici. beilde. elx 
'7- granen, zeem dats gnouch si. Men saelt gevew nucht^rn 
me^ wine. 



50. 

dieren 

huut 

gescort 

borst 

lowgene 

mage 

lev^re 

rebbew 

geswil 

wonde« 

zeouwew 

musew 

adrew 

venijn 

fistel 

canker 



y^"^j mplaustruM apOStoliCUM es goet geleit op clierew 

^ I die swé-ren het rijpse énde scoortse. ende suvi?rt se. 

^^^^J EnrtV doet wel huut wassen sond^r linke. Si opent 

^^-..^ die gaetkine vandor huut da^r die materie verga- 

^ dert es. ende trect die materie uut in waseme. Knde 

heilt dat gescoort es. Knde apostemew 'm die borst of in die 

lowg^re of op die mage of andie lev^re of in dyafragma of 

ond^r die rebben. In dese steden daarop geleit trecse ende rijpse 

ende scoorse. Ende geswil of die harth^// vandor leveren doet 

se scedew. F.nde sweren of geswil dat van reumatikew co;«t in 

die knien doetse drogen, ende alle v^rsche wondew of oude 

wondew. Ende zenuwen die gesnedew sijn. of muse;/ van arme«. 



l) 1. sulfer? — 2) men kan ook denken aan onnauwkeurigheid van den afschrijver 
en hier lezen : dillesaet. cardamomi. wat met Lj en Lj en Fj overeenstemt. — 
3) 1. nigelle. 



71 

coralli albi et rubei confïte rubee castorei oppopanacis bdellii fol. 14 r. 
galbani aspalti terbentine masticis tyriace *) adriani ') spienis 
pultri ') ventris merguli ') reupontici aristologie longe asari ') 
hermodactili meu ') yreos piretri paucedani gentiane epithimi 
violarum artemisie cimole ') foliorum citri ') laureole mente mala- 
batri ') quinquefolii ') carpobalsami ') anisi amomi cimini mico- 
iiis ') seminis ozimi ') platocimini ') seminis rute ortensis bacca- 
rum lauri sanguinis draconis lapidis magnetis ') lapidis agapitis-) ') 
ossis de corde cervi muscelei ') muscellini^) *) petrolei *). an .5.1. ^') 
et terciam partem alterius *^). camphore ambre margaritarum per- 
foratarum et non perforatarum ') blacte bizantie sambaci ') sto- 
racis') calamite ^) serapini sulfuris vivi ^) antimonii armoniaci ®) 
acatie herbe syriacp floris oleandri fu marubii sulfurace °) ab- 
sinthii alexandri ') euforbii ') cardamomi seminis aneti amei ^) git "') 
levistici seminis citri ^) leucopiperis macropiperis ") nigelle uzifur 
corticis nere mabathematicon aque vitis, an .9.8. et gr.ii. litar- 
giri amidi opii iunci ') radicis ') calamenti iusquiami an .gr.vii. 
mei quod sufficit. datur in sero in modum avellane cum vino 
calido '•^). 



E 



.. ~^ — '^ Mplastrum apHncon *'). emplastrum id est dura con- fol. 16 r. 
fectio. aplincon '^) id est superpositum vel supra mis- 
sum interpretatur. quod tumoribus et inflationibus 
ad lucem inductum et super positum saniem ex- 
cludit. optime facit ad nimium cervicis dolorem. valet proprie ad 
subtiliandam cicatricem in quacunque parte corporis fuerit. sa- 
gittam vel lanceam vel aliquid aliud tale in membro infixum 
sine dolore extrahit. valet etiam dolori ex decursione innata in 
ipsa parte ubi antea fuerit vulnus atrahendo humores et putre- 
dinem: et valet dolori renum si superponatur .iii. pars confecta 



i) ontbreekt in F,. — 2) l..^- gagatis. — 3) ontbreekt in L.^. — 4) F, : perresil, 
— 5) L.j: 9.i- — 6) et teit part. alter, ontbreekt in F,. — ■ 7) vivi ontbreekt in Fj. — 
8) ontbreekt in L^; in de plaats hiervan vindt men er: hypocystidos macis licii 
squinanti. — 9) van acatie af heeft F, : betonic. mirob. — ^10) ontbreekt in F, ; 
in de plaats daarvan girofle. — 11) van hier tot opii ontbreekt in F,. — ■ 12) F, 
alleen: vin. — 13) 1. apostolicum (zie Empl. ceron. waar empl. apostolic genoemd 
wordt); voor de vergelijking met NM zie woordenlijst; het voorwoord van F, is 
korter dan dit. 



fol. 13 V. b. 72 

fol. 14 r. a. 

of adrew of steke of bete van gevenijwdew dierew. Si ganst 
alle dese properXékQ. ende leit die hmnoren entie corruptie ute 
fol. 14 r. a. ende trect etté-r bove« ter wondew uut diepen (fol. 14 r. a.) 
gate«. ende vultse met goede;? vleesche. ende doet wel huden. 
'Ende. trect gescutte ute. ende so wat dat in de lede;z es sou- 
der swerew. Ende heilt festele;/ ende cankere?/ ende droechse. 
^ Ne»2t litargiru;/2 .6.§. root was. ende wit magedij« was. ^) 
visci quercine. dats .1. maniere va;z wortele;? vint me« in die 
apotekew. elcs .1.^. lapides ^) armoniac. ^) calamentis ^). elx .6.5. 
manijs. dats cleine wierooc. anijs, elx .6.3. t(?rbe«tine. bedelli. 
galbani. mirre, sarcocolle. calidos ^). calc. ^) dy^tTiinmis. aristo- 
logia lowga. groene marobie. oppopanac. elcs .3.5. : ^ Dus sul- 
dijt v^rgadre/z. sta;;zpt. oppopanac. galbanu;« armoniacu;^. ende 
daarna so legse .1. nacht in wine. ende hullet tvat wel. Nuch- 
ters suldise doe« smeltew. ende zier dore enew dorgaetten lepel 
da^;' die onsuv^rheit \n blivew mach. Dan suldi die gommen 
entew wijn anderwerf te viere doe«. ende siedewt tote dattie 
helft van den wine v^'rsodew si. Dan nemt litargirum wel cleine 
gepulv^rt ende olye datt^r gnouch si. Dit so suldi zieden in .1. 
ander vat allene ende altoes roerew dat nel enderne. Teken dat 
gnouch si. \atet druppen op .1. steew. Knde eist also dicke bina 
alse was. so suldire dan was in doe« ende doet smelten ende die 
vorseide go;«me« metten wine, JLnde óa?i al dat v^rsiedew tote 
dat dicke si. Dan doet^r in terhentine. JLnde alsi gesmolte;? es. 
so doet af ende nimcter in die vorseide pulvere vandor andere 
speciew. ende altoes roeret. dan so gieter op coude;z borne. ende 
dan nemet ute ende walk^/ tussche;; u handew dat wat^r ute iege;? 
tfier. Ende dan suldijt malexerew met olyen van baye«. etide 
formerewt ront magdalionew. ende dan bestadet. 



l) in Additio onder. Empl. Apostol. in L.^ staat, dat sommigen hier verkeerdelijk 
cera alba gebruiken, „boni aromatarii hoc ponunt propolim." — 2) 1. armoniac. 
lapidis calaminaris. — 3) 1. lapid. calcis. 



73 

est librae duae ') Recipe litargiri .^.vi. cere rubeae colofonie an fol. 16 r, 
.^.ii. ^) populei ^) visci quercini aiï .^.i. *) armoniaci lapidis'^) cala- 
minaris "') an .3.vi. ^') masticis •") muniie '). an .3.8. terbentine gal- 
bani bdellii mirre calcucemenon ^) sarcocolle lepidos calcis ^) 
diptami aristologie rotunde '^) prassii viridis ^') opopanacis an 
.3.iii. '^) Conficitur sic oppopanacum et armoniacum et galbanum 
aliquantulum tusa^'') ponantur per noctem in vino ita ut coper- 
iantur. et mane bulliant donec liquefiant : et per catiolam co- 
lentur: et iterum bulliant ad vini consumptionem. litargirum in 
pulverem subtilissimum redactum cum sufficienti oleo in caldario 
distemperetur et super ignem ponatur : et cum spatula iterum 
agitetur tamdiu donec super lapidem positum in modum cere '*) 
inspissetur: et statim addatur cera : et liquefacta cera addatur 
colofonia. postea (fol. 16 v.) addatur mastix et olibanum. deinde fol. 16 v. 
mirra ponatur '•^) et facto intervallo ponatur bdelium. deinde 
viscus quercinus. liquefacto visco ponatur terebentina '^). lique- 
facta ea caldarium in terra ponatur et tune in ipso gummi po- 
nantur paulatim et igni iterum super ponatur et cum spatula 
semper agitando aliquantulum permittantur bullire. postea addatur 
sarcocolla et lapis calaminaris. facto intervallo ponatur flos eris 
et lepidos calcis. post hec calcucemenon semper cum spatula 
agitando donec incipiat aliquantulum rubere. ad ultimum dipta- 
mum et aristologia rotunda. postea infundatur in aqua frigida 
et ab aqua extractum manibus exprimendo et malaxando ita 
tractetur: ut tota aqua inde exeat. et inunctis manibus oleo 
laurino magdaleones informentur et usui reserventur. 



i) L.,: tlMii. — 2) L2: o-iii. — 3) L2' propoleos; ontbreekt in F,. — 4) van 2) af 
ontbreekt in NM. — 5) ontbreekt in F,. — 6) na mastix behoort nog olibani te 
volgen zooals in L.,; het wordt in L| later ook genoemd. — ^ 7) zie E. A. in de woorden- 
lijst; Fj heeft: mauves; NM: manna thuris. — 8) L2 voegt toe: id est aes ustum; 
ontbreekt in F,. — • 9) 1. lapidis calcis; ontbreekt in F, en NM. — 10) NM heeft: 
arist. long. — 11) ontbreekt bij NM. — 12) NM heeft nog: olei veteris, het vol- 
gende is in P", korter. — 13) L, : tonsa. — 14) van donec af ontbreekt in Ft. — 
15) deinde mirra ponatur ontbreekt in F,. — 16) Fj voegt hierachter: chaude et 
remise; het volgende in F, korter. 



fol. 14 r, a. • 74 



51, .^"""^l mplaustrUM seroniuM heeft s'meji name na was. Si 

scoudre;/ M I <^s goet iegew die pine va« den scoudrew ende vaw- 

^^^^^ ^ I der borst dat van coudew co;«t. ^nde van hufnoren. 

, ^-i^l Knde optew coeke die vand^;' meltew comt dïen 

walge« 1 ^ 

\eve;e ^ morwweL Hets goet iegew walgen dat van coude« 

moeder cow^t. ILnde an de levere doet tselve dat an de melte doet. Ende 

optie coude moeder wedi?rstaet si die pine. Dat .3.deel es .2.*^. 

^ Ne;«t sceppec. wit was. elx .1.^. ende .4.3. serapini .2.^. ar- 

mowiac. t^rbenti«e. colofonie. soffraew. elx .1.5. ende .4.3. aloës. 



75 

ELectuariuni laetificansJ) Recipe melissae, corticis citri, 
garyophyllorum , galliae muscatae, masticis, croci 
Orientalis, cinnamomi, nucis muscate, cardamomi, 
neheremisch, id est semen paeoniae, ben albi et 
rubei, zedoariae, doronici, loco eius ponitur semis pondus ga- 
langae, seminis ocymi maioris, et ocymi garyophyllorum, omnium 
ana unciam .8. musci quantum est .x. pars unius supradicta; 
deinde sumantur chebuli .xx. emblici .xxx. et terantur in tribus 
libris aquae, coquantur donec ad unam redeant: et coletur; in 
colatura vero mittatur libra .i, meilis, deinde bulliant donec 
consumpta sit aqua; postea ex hoc melle conficiatur pulvis prae- 
dictarum, quod in triplum sit mei ad species; de quo cum necesse 
fuerit; sumatur ad magnitudinem avellanae. medicamen laetitiam 
et coloris pulchritudinem et digestionis bonitatem operatur et 
canos retardat, 

ELectuarium laetitiae Galliae. ') Recipe succi pomorum 
dulcium et odoriferorum, succi cytoniorum aromati- 
corum, vini veteris, succi boraginis, florum basili- 
conis, aut seminum eius, croci, zedoariae, x}'lobal- 
sami, garyophyllorum, corticis citri, galangae, macis, nucis mus- 
catae, styracis calamitae ana drachmas .ii.S. ambrae, muschi, 
camphorae ana drachman, .8. anisi, rasurae eboris, thymi, epithymi 
ana drachmam .i. margaritarum .3.1. ossis de corde cervi drach- 
mam .8. limaturae auri, lunaturae argenti, ana 9.8. zucchari albi 
quod sufficit. frat electuarium. 



E 



46. ~^ ^Mplastrum ceroneum a cera dictum precipue valet fol. 16 v. 

(fol. 17 r.) ad omnem dolorem spatularum ^) et pee- fol. 17 r. 

toris ex frigiditate. et si humor frigidus illuc fecerit 

discursum mire solvit. ^) splenem remollit. valet ad 

ydropisim de frigida causa: epaticis de eadem causa*): matricis 

frigiditati superpositum multum resistit. tertia pars confecta est 

libre .ii. ^) Recipe picis navalis bene colate. cere an .^.ii. et 

l) Dit praeparaat is uit Lj overgenomen; het ontbreekt in L|. — 2) 1. zie woor- 
denlijst. — 3) van pectoris af ontbreekt in F,. — 4) epatic. de eadem causa ont- 
breekt in Fj. — 5) tert. pars conf. est .iX'.ii. ontbreekt in Fj. 



fol. 14 r. b. 7^ 

mirre, w^rpond elx .1.5. oppopanac. galbanuwz. calamite '). veni- 
griec. storax, alwit. elx .6.3. bedelli. corumbri elx .3.3. litargiru;« 
onder .8.3. Die men pulveren mach salmew pulveren met enew 
herden stampere. Dan nemt serapini. galbanu;«. armo;«iacuw. 
oppopanac. dese suldi stoten ende leggewse in wine te weyke .1. 
nacht, ende smorgews suldise smeltew optfier ende derna. colerew 
dore .1. dorgaettew lepel, ende dan doet weder op tfier vnetien 
gommen, ende alst begiwt te ziedene. so doet^r in was ende pee. 
'Ende alse dat gesmolten es. so doet af etide doet^r in terbentiwe 
ende voeret tote dat gesmolten es. dan doet^r in die poed^re. 
ende daarna gieter op coudew borne ende coe\et. Y.nde da^-rna 
besmeert u handew met olio laurino ende met soffrane ende ma- 
lexeret iegew tfier. ende formerew magdolionen. ende dan bestad^/. 




mplaustrUM OXicrociUM. die suldi v^-rgadrew alsoet 
vorseit es. Si es goet op te brokew bee«. ende iegen 
sweriwge di^re toe slaet. Ende op herde apostemew 
w^rdat es \\et doetse sceden. Die surgine van saleerne 
leidewse op te brokew bee«. efide op geswil 'm alle 
sake«. ^ Ne;;üt sceppec. sofifraew. colofonie. wit was. elx .4.^. ter- 
bewtine. armoniac. mirre, galbanuw. wierooc. mastic. elx .1.^. 
ende .4.3. Die specie// die me« poedrew mach sal men poedrew. 
ende dand^r salmew stawzpew. ende dan legge;;se \n aysine .1. 
nacht, ende da^/'na smeltew. ende derna colerew. ende dan wed^r 
te viere doe«. ende was ende pee wel gesuv^/'t, Ende alsi ge- 
smolten sijn suldire in doe« die t^rbentine ende die poedre«. da« 
suldise coelew n\et coudew borne. ende d^rna malexerew iege« 
tfier. gesmeert u handen met oleo laurine ende xnet soffrane. ende 
dan formeren magdalionen. 



i) behoort bij storax dat 2 woorden verder staat. 



n 

3.iii. ') serapini .f^ss.. armoniaci terbentine colofonie croci. aiï .^.i. fol. 17 v. 
et .3-i"- ^) aloes thuris mirre, an .^.i. oppoponacis galbani storacis 
calamite ^) masticis aluminis *) fenigreci. an .5.vi. ^*) confite rubee 
bdellii. an .5.iii. litargiri .5.1.8. ^) Conficitur sic serapinum *) ^) 
galbanum ') armoniacum opoponacum aliquantulum tunsa ^) po- 
nantur in vino^) et preparentur ut in apostolicon dictum est. ^°) bul- 
liant ad vini medietatis'^) consumptionem.^j et stagnato super ignem 
posito : cum inceperit bullire pix navalis bene colata addatur : et 
cum spatula semper agitetur. liquefacta pice addatur cera: et 
ea liquefacta "*) ponatur colofonia : ^) et postea storax cum pistello 
calido trita frustatim in stagnato ponatur ^^). post hanc ponatur 
mastix et olibanum. deinde mirra cum bdellio *) : et intervallo 
facto ponatur terbentina: et sequenter alumen: et litargirum "): 
et ad ultimum fenum grecum: et cum coctum fuerit fundatur 
super aquam tepidam : et extracto ab aqua manibus exprimatur 
donec tota aqua inde exeat. ^) deinde pulvis aloes super marmor 
inunctum cum oleo laurino malaxetur. deinde cum croco pul- 
verizato "^) et inunctis manibus cum eodem oleo magdaleones in- 
formentur '^). 



E 



47. ^w "^ Mplastrum oxicroceum. dicitur ab oxi grece latine fol. 17 r. 

(fol. 17 V.) acetum: oxicroceum ex aceto et croco fol. 17 v. 

nomen habet '^). valet precipue ad fracturas ossium 

et ad membra que dolore aliquo affiiguntur, apo- 

stemata dura°) in quacumque parte corporis fuerint ^*') remollit et 

dissolvit. unde antiqui cirurgici salernitani in fracturis ossium et 

cicatricibus attenuandis et tumoribus '^) nullo alio emplastro 

utebantur .iii. pars libre .ii. '•^') Recipe ^^) picis colofonie cere. an 

.^.iiii. •') terbentine galbani armoniaci mirre olibani masticis. an 



l) Fj alleen ; .5. ii. — 2) Fj alleen: .,3.1. — 3) Stor. cal. ontbreekt in F]. — 4) ont- 
breekt in Fj. — 5) F,: .ö.vii. — 6) van 5) af ontbreekt in F,. — 7) L2 heeft, 
waarschijnlijk wel foutief, in plaats serap. galb. : cera alba. — 8) 1. tusa; aliq. tusa 
ontbreekt in F,. — 9) zie 10). — 10) van 9) af ontbreekt in Fj. — 1 1) van tere- 
bint. af ontbreekt in F,. — 12) De laatste 2 woorden ontbreken in F,. — 13) van 
Empl. oxicr. af ontbreekt in Fp — 14) van salernitani af ontbreekt in Fp — 15) .iii. 
prs. ll'.ii. ontbreekt in F,; van het begin tot hier ontbreekt bij NM. — 16) hierna 
ontbreekt in Lj croci, wat in alle andere texten wel voorkomt. — l?) Fj : 3. iii. 5 NM 3.ii. 



fol. 14 r. b. 
fol. 14 V. a. 



78 



53- 

geswil 

zenuwe« 

wonde;/ 



fol. 14 V. a. 

pissen 

steen 

lendenen 

niere 

blasé 

lev^e 

mei te 

lanken 

ziden 



^—^ mplaustruM diaquilon es goet iege« geswil va« 

^^^^1 handew ende vaw voete« ende ane andre leden ge- 

^ I miwct vaet olyew van rosew. of vc\et olie« vaw camo- 

^^-^1 mille. Sijs goet op zenuwew die gecrowpew sijn. ende 

^ drog^/ wonde//, en^^ wultse vs\et goede« vleesche. 

ende doet wel hudew. ^ Ne»«t oude olye .40.^. litargiruw 'Z^'^- 

hoomsch wortel, lijnsaet. vewigriec. Die hoomsch wortel seldi 

staw/pew ende siede«. dat lijnsaet ende venigriec suldi poedrew 

ende ziedewt te hope m^/ borne .1. wile. d(!?rna coleren ^«<i^ d^-rna 

stelle» op tfier olie ende litargiruw ende ziedewt al te hope dat 

dicke gnouch si. 

^^■^^^tfilanttRopos bediet tsme«sce« vriewt owtf^rmich. Het 

B t es he« goet die vaet pinew pissen, entie dew steew 

I I hebbew ende verstopte lendenew. ende iegew pine 

^1^^^ I vandor nieren e^ide in die blasé. Y.wde iegew hart- 

^ \\eit va// der leveren, vand^/' melte//. vande// lanke//. 

va// den zide//. Y.nde wil me//t doe// laxere//. so doet^r toe dya- 

gr/diu/;/. ond(?r .8.5. Dat ./.ste deel es .i.'tK'. ^ Ne/«t folie, sq///'- 

nanti. cyperi asari. enfolie '). thimi. pers\]ïs. va// alexand^r. dille. 

gremil. lapis lincis. elx .2.g. ende .8. canele. calamite ^) aromatici 

polipodii. philupe/zdule. melanopip^/'is. lovescesaet. persijn. netel- 

saet. citri. lite ^) spermatis ''). bacce hedre. elx .1.5. galigaen zede- 



i) I. euforbii. — 2) 1. calami. — 3) 1. litospermatis. 



79 

.^.i. et .^.iii. ') Conficitur sic: galbanum armoniacum aliquantulum fol. 17 v. 
contusa : ponantur in sufficienti aceto per noctem : et mane mit- 
tantur super ignem et eliquentur. et eliquate per catiam ^) co- 
lentur: et iterum coquantur donec pars aceti consumetur ^). tune 
pix navalis ponatur bene colata. liquata pice addatur cera: et 
ea liquata ponatur colofonia. deinde terbentina; et facto inter- 
vallo ^) ponatur mastix et olibanum et mirra '*) cum spatula semper 
agitando. ad ultinium cum bene fuerit coctum *") in aqua frigida 
infundatur: ') et ab aqua extracto manibus exprimatur. ut aqua 
inde exeat : et super marmor inunctum oleo aureo laurino cum 
pulvere croci malaxetur et factis magdalionibus usui reservetur. 



F 



^^' "W ^lloantropos ^) amicus hominis interpretatur. proprie valet fol. 17 v. 

stranguiriosis nefreticis. calculos in renibus habentibus 

et in vesica mirabiliter frangit: et fractos expellit. 

valet etiam ad duritiem spienis et epatis. dolori iliorum 

subvenit datum cum .3.1.8. diagridii .xii. pars libra .1. Recipe folii 

squinanti ciperi asari euforbii thimi (fol. 18 r.) petrosellini mace- fol- ï8 r. 



i) F,: 5.ii. ; NM 3.8. et 5.1.8. — 2) per catiam ontbreekt in F,; NM heeft: 
per saccum extenni linteo factum. — 3) van colentur ontbreekt bij NM. — 4) facto 
interv. ontbreekt in F, en NM. — 5) van hier af ontbreekt bij NM. in de plaats 
daarvan : deinde funde super marmor, et croco in pulverem trito in sperso, ipsum 
subigito. — 6) c. bene f. coct. ontbreekt in F|. — 7) het volgende ontbreekt 
in F, ; in de plaats daarvan : puis soit apraint et formé mandalions. — 8) voor de 
vergelijking met NM en Fj : zie woordenlijst. 



fol 14 V. a. 
fol. 14 V. b. 



80 



ware valeriane. betonie. meu. speragi. cardamomi. apie. rute. 
venkelsaet. cynapis. orobi albi ende rubi. elx .8.3. nagle. ginge- 
bere. cassia lignee. coste. pertrec. celtices. mirabolani. wierooc. 
leucopip^ris. carpobasami. carvi. comijn. bakelare. silleris. elcs. 
onder .8.9. olei nardini. olei pulegini. olie va« vlied^re. olei mu- 
selini. elcs .15.. granen, zeem dats gnouch si. Men saelt geven 
des avonts me/ warmew wine. 



55" 

hoeste 

lowgene 

walge// 

bloet 

mage 

lev^re 

melte 

geelsucht 

la«cevel 

lendenew 

blasé. 



^■^■"-^^iloniuM maius betert die hoeste met wine ejtde met 

I J musa ') genomen. Het es goet iege;? apostemew \n 

■ I de lowgene. genome« met sope va« polyone. End?*? 
^Êl,^ I hets goet genomew met gesodene« wine iegew wal- 
^ gen ende '\egen die bloet spuwew. ende doet wel ver- 
tere;/ in de mage. En^^ es goet iegew weedoew vandor levé'ren 
ende vandé*;' meltew. '^wde \egen die geelsucht. jege« lawcevel. 
jegew die lendenen svjere. 'Ende iegew die cause vawd^r blasen 
met mulsa genomew. dat .3. deel es .i.ft'. ^ Newt lewcopip^ris ^). 
beilde. elx .5.3. opii .2.3. ende .1.8. cassie fistule. apie. elcs .1.3. 
persen, dauci. venkelsaet elx .1.3. ende .5. granen, soffraew. . . . ^) 
ende .1.9. naerdi /^rtr^<:. zedeware. elcs .15. g?'öne«. sulke doewre 
toe canele ond^r .8.3. euforbii. coste. elx .1.3. zeetn dats gnouch 
si. Me« saelt geven 'm de gr^te va;/ .1. bone« daers te doene es. 



56. 

walgew 

rupsenew 

melte 



© 



ariofilatis in den mont gehouden es gesonden lieden 
goet. Ende bedwinct walgen gesoden met borne ende 
gedronken. En^^ doet wel digereren ende rupsenen. 
ende opent de melte. dat .8.ste deel es .1. ft'. ^[ Ne;nt 
fol. 14 V. b. canele. gariofili, ricolissie gingebere. (fol. 14 v. b.) 

rosen elx .2.3. ende .15. granen, mastic. ligni aloes. galigaen. noten- 
muscaten. \\o\arum. naerdi. zedew^re. elx .1.3. ende .8. granen 
ribarbe. macis. soffraen. alipte. coste. cyperi. cardamomi. eboris. 
anijs, serpentine, lovesce elcs onder .8.9. ende .4. greinen, zeew 



i) 1. mulsa. — 2) 1. leucopiperis. — 3) open plek in het HS. 



8i 

donici aneti ^) miliisolis lapidis lyncis aiï .9.ii, et .8. cinamomi fol. i8 r. 
calami ^) aromatici polipodii fisalidi melanopiperis seminis levis- 
tici et petrosellini et urtice seminis citri litospermatis bardane ^) 
baccarum edere aiï /S.ü. galange nardi zedoarie betonice fu meu 
sparagi cardamomi apii maratri eruce sinapis orobi albi et rubei 
aiï .5.8. gariofilorum zinziberis. casie lignee piretri costi spice 
celtice mirobalanorum corticis olibani leucopiperis carpobalsami 
carvi cimini baccarum lauri sileris. aiï .3.1.*) vel .9.1.*) olei 
nardini pulegii sambucini muscellini aiï .gr.xx. '*) mei quod suf- 
ficit datur cum vino calido *"). 

49. ^U" ^Ilonium maius ') id est novus amicus ^). tusses cum vino fol. 18 r. 
datum et mulsa emendat, periplemoniam cum ydro- 
melle : sanguinis sputum cum succo poligonie ^) : indi- 
gestionem stomaci et vomitum cum pusca vel ydro- 

melle: dolori epatis et spleneticis ac vertiginosis cum ossimelle 
subvenit. soliacis '°) cum apozimate pigani. pleureticis yliacis 
nefreticis et causis vesice cum mulsa. colicis peculiariter curat 
vel ^') medetur .iii. pars libra .i. Recipe leucopiperis iusquiami 
aiï .g.v. opii .g.ii.8. casie fistulae '•^) .g.i. et .8. '^) '*) seminis apii 
.g.i. petrosellini maratri dauci cretici aiï .3.ii. et gr.v. croci '^) 
.5.8. "') nardi piretri ^*) zedoarie. an .gr.xv. alii addunt cinamomi 
.5.1. et .8. ''^) euforbii costi aiï .g.i. mei quod sufifïcit. datur in 
modum fabe egyptiace '^). 

50. ^^""^^ Ariofilatum ^) dicitur a gariofilis qui ibi intrant. gario- fol. 18 r. 
fili ore retenti '^) singultum stringunt. cocti et (fol. 
18 V.) bulliti '^) in aqua et bibiti vomitum '*) stomaci fol. 18 v. 
et subversionem mirabiliter '^) reprimunt. valet pro- 

prie-") accide eructantibus: et digestionem optime ^") celebrat. 



H,1L uaLui 

F 



iiouuiii lao 

G 



i) L2: anisi. — 2) Lg'. calamenthi, wat wel verkeerd zal zijn. — 3) L.2 : sem. bar- 
danae. — 4) Lg heeft alleen: 3.i. — 5) L2: gr.xv. — 6) L2 heeft nog: laxativum 
vero cum aqua calida. — 7) voor de verg. met NM zie woordenlijst. — 8) i. e. n. a 
ontbreekt in Fi; het voorwoord in Fj is ongeveer als in Lj; het heeft nog: a dolor 
de chef; het is moeilijk met dit te vergelijken. — 9) I^-j • poligoni ; F, : poligonie. — 
10) 1. coliacis. — ii^ curat vel ontbreekt in Lj. — lü) Fi : lignea. — 13) F, : s.ii. et 
.8. — 14) zie 15). — 15) van 14) af ontbreekt in Fj. — 16) F, heeft 5. i. et .8. — 
17) F, heeft nog: soit donnée au soir ou (avec) vin chaut. — 18) van Gariofilatum 
af ontbreekt in F,. — 19) cocti et buil. ontbreekt in F,. — 20) ontbreekt in F,. 

6 



fol. 14 V. b. 82 

dats gnouch si. Me« saelt geve;/ savowts na etene me^ wine also 
grot alse .1. haselnot mei rodew stomacuw ') of m^/ couden borne. 




gya es propevleke goet iegew reume van den tant- 
vlesce. ende iege« swerheü ende sw^re van de« 
tandeiz. En(af<? betert donk^rheit va« oge«. Dat .8. 
ste deel es .i.*S. ^ Newt beilde. opii. elx .2.3. coste 
.1.5. ende .15. gr^ne/z. mirre, oppopanac. scordei. 
origani. elcs .1.5. ende .10. gr^ne;/. storax, calamite. galbanuw. 
agaricwj. gentiane. sticados. marobie. cardamomi. elcs .1.5. ende 
.8.9. balsami. soffraew. sqw/nanti. thimi. maratri. armowiac. ter- 
bentine. cassia lignea. mandragore. uringi ^) radices. wilde saelie. 
rosew. euforbii. melanopip<?ris. dauci. venkelsaet. oppobalsami. elcs 
.1.3. zeem dats gnouch si. Men saelt geve« savo/^ts vi\et wine 
also groet alse ene haselnot. 



1) zie rodostoma in de woordenlijst. — 2) l. yringi. 



83 

pororum opilationem et spiritualium meatus ') aperit .viii. pars fol. i8 v. 
est libra .i. ^) Recipe cinamomi gariofilorum zinziberis liquiricie 
rosarum an .5.ii. et gr.xv. ^) ligni aloes galange cardi ^) miristici ■') 
nardi zedoarie violarum an .5.i. et gr.vii. et .8. *^) reubarbari 
macis ^) croci alipte costi ciperi cardamomi basilici anisi ') levis- 
tici eboris limature an .ö.i. et .8. et gr.iii. et .8. ^) meilis quod 
sufficit ^). datur post prandium in sero cum vino vel rodosto- 
mate post cenam in modum avellane '°). 



H 



51. ^^ ""U^Ygia greca "). '-) hygia id est salvatrix. greca dicitur 
quia a grecis fuit inventa '^). valet proprie ad reuma 
gingivarum et dolorem dentium fricata super eos 
'■■^)ore sepe abluto cum aceto caiido : et sordidas ne- 
bulas ab oculis aufert .vi. pars est libra .i. '^) Recipe iusquiami '^) 
seminis '*) .3.ii. et .9.ii. ^^') opii .3.11. et .'SA. ''^) costi .3.1. et gr.xv. '') 
storacis '**) calamite '^) galbani ^^) agarici ^^) mirre opoponacis scor- 
deon origani an .3.1. et gr.x. '^) gentiane pigami ^) sticados ') 
prassii cardamomi an .9.ii. et .8. ^'^) balsami nardi. croci squinanti 
thimiamatis *) armoniaci ■^') terbentine casie lignee ''^^) mandra- 
gore yringi radicis -^) rosé eupatorii ') euforbii melanopiperis 
levistici dauci feniculi trifolii seminis aiï .9.ii. ^^) mei quod suf- 
ficit. datur cum vino caiido in modum avellane. 



i) spirit, meat. ontbreekt in Fj. — 2) .viii. prs. e. ffi.i. ontbreekt in F,. — 3) et 
gr.xv. ontbreekt in F,. — 4) ontbreekt in F,. — 5) Lj nucis myristicae ; ontbreekt 
in F,. — 6) et gr.vii. et s. ontbreekt in F|. — 7) ontbreekt in Fj. — 8) Fj heeft 
alleen: 5.i. et demie. — 9) meilis q.s. ontbreekt in F,. — 10) F, heeft in plaats 
van het volgende : soit doné en quantité d'une noiz menne ou eve rosé ou o eve 
freide. — 11) voor de verg. met NM zie woordenlijst. — 12) tot 13) ontbreekt in Fj. — 
13) zie 12). — 14) Fj : squinantum. — 15) Lj en F,: 3.ii. — 16) Fj alleen: 5.ii. — 
17) et gr.xv. ontbreekt in Fj. — 18) stor. cal. galb. agar. behoren in L2 tot de 
volgende rij simplicia, met het zelfde gewicht dus als gentiane pigani enz., waarvóór 
zij geplaatst staan; in Fj komt stor. cal. niet voor. — 19) Fj alleen : 3.1. — 20) F, : 
5.ii.S. — 21) ontbreekt in Fj; L2 heeft: amomi. — 22) Fj: cass. fist. — 23) Fj 
heeft ia plaats radicis : raiz de l'arthant. — 24) Fj : s.ii. 



fol. 14 V. b. 



58. 

qMarteine 
rede 



84 

'drocopiON es goet /röperleke iegen den .4.de« dach 
corts. ende iegew dageliken corts. die bi nachte 
comt. Men saelt geven ene wile vor den acces also 
gr^et als .1. haselnot mei lauwe« vvat^re. Dat 
.I5.ste deel es .i.®. ^ Nemt cynamomi .3.3. ende 

.1.9. ende .16. granen, sofifrae/z .3.3. wierooc. naerdi. mirre. opii. 

mandr^gore. ameos. ma^r^pip^ris. anijs, beilde. lijnsaet '). silleris. 

elx .2.3. ende .8. granen, zeem dats gnouch si. Me« saelt gevew 

met wermeji wat^re. 




59- 

stee// 
la//cevel 



I 



'UStinuM es goet die de« steew hebbew ^«^^ iegew lawc- 
evel. entie mei pine« sine orine maect. Dat .8.ste 
deel es .2.'H>*. ^ Ne;«t canele. coste. naerdi. folie, cas- 
sia lignee. aristo/o^-ia \onga. ende rotuwda. ysope. pu- 
legii. elewmpnii. bivoet. q^/mtefolie. le?/copiperis. 
orobi. per^\]n. lovesce. nasscade. netelsaet. gremil. citri. bevenelle. 
geniv^re. s/^ragi. sileris. apisoet. dille, pigani. venkelsaet. bacce 
lauri. elcs onder .8.3. zeem dats genouch si. Me« saelt gevew vnet 
vvine der'm gesoden es gr.fmilsaet ende venkel, smorgews ende 
savo«ts. 



l) de afschrijver heeft blijkbaar in plaats van selini gelezen se. lini. 



85 

52. Ydrotopicon ') plane subsistit quotidiane. foi. ig v. 

Ydrocopion -) olympiacum. ydrocopion id est potus 
(fol. 19 r.) contra rigorem, olympiacum ab auctore fol- 19 ^• 
dictum, confert proprie quotidianariis: et quarta- 
nariis et note ^) tertiane. sudores etiam in diebus 
criticis provocat: ante horam accessionis ad modum avellane cum 
tepida data ,vi. libra .i. Recipe cinamomi .^.'n'u et ,9.i. et gr.xvi. 
croci .5.ii. et .9.ii. nardi mirre olibani opii mandragore macro- 
piperis anisi ameos selini ■^) sileris iusquiami an .^.i, et .9.ii. et 
gr.viii. mei quod sufficit. datur ad modum avellane ante horam 
accessionis cum calida. 



J.USI 



lustinum multum mingentem reddit vultum.^) fol. 19 r. 

53. "]|^Ustinum "^j dicitur quia a lustino imperatore primo fuit 

inventum. precipue ^) datur calculosis : ^) et patientibus 

dolorem ilii. valet stranguirie et dissurie: et his qui min- 

gunt mucos .vi. pars librae .ii. ^) Recipe cinnamomi folii "^) 

costi nardi casie '°) aristologie longe et rotunde elempnii ^^) ysopi 

pulegii '-) artemisie pentafilon leucopiperis orobi "^) petroselini 

levistici oxilatri "^) seminis urtice seminis granorum solis ^^) saxi- 

fragie iuniperi sparagi "^) seminis sileris '^) apii '*) aneti pigani '*^) 

seminis citri ''^) seminis feniculi anisi baccarum lauri an .3.1.8. 

mei quod sufficit. detur cum vino in quo coctum fuerit milium 

solis veP*^) saxifraga "^). 



i) 1. ydrocopion*, deze geheele zin ontbreekt in L2. — 2) voor de vergelijking 
met F| en NM : zie Ydrocop. in de woordenlijst. — 3) Lj heeft non. — 4) ont- 
breekt in L2. — 5) deze geheele zin alleen in L,. — 6) voor de vergel. met 
NM zie woordenlijst. — 7) van 6) af ontbreekt in F,. — 8) zie 9). — 9) van 8) 
af ontbreekt in Fj. — 10) Fj : cas. fist. — li) L2: helenii; ontbreekt in Fj. — 
12) na pulegii heeft F,: aïï .3.ii. — 13) behoort in Fj tot de volgende groep sim- 
plicia met hetzelfde gewicht als aneti; zie 14). — 14) na apii volgt in Fj: aïï 
.5.1. — 15) ontbreekt in Fj en Lj. — 16) ontbreekt in Fj. 



fol. 15 r. a. 
60. 

humoren 

cokre 

fleume 

adie» 

lawcevel 

wint 



61. 



steen 
lanké» 



E 



86 

'artaticUM ^) imperiale bediedt lacsere«. Alle lac- 
sativa mach men wel hete/^. kartaticu;«. Hei ijdelt 
huwzoren vaw coleren die v^rbernt sijn. "Ende óerna. 
die humoren van fleumew. Ende oec so eist be- 
q/z^me adre^^ ende leitse sond<?r quetssinge die vet 
sijn ende verstopt. Hets zere goet iegew dlawcevel bovew ende 
benedew. ende dwinct den wint vandor mage«. ende in die dar- 
me«. die helft es .i.'Vè. ^ Nemt dyagr/dii. suk^-r. elx .4.5. ende 
.8. canele. naerdi. polipodii. saxifrage. elx .1.3. esule. ond<?r .8.3. 
gariofili. spice, celtice. gingeb^re. melanopip^ris. macropiperis. 
cardamomi. amomi. elx onder .8.3. mirabolani. //^rmodactili. 
zee;« dats gnouch si. Men saelt gevew nuchtews. ende navews met 
warmew wine. o{ wermen watere also groet als .1. haselnot temale. 






itontripON brect de« stee« in de blasé, ende in de 
lendenew. Knde hets goet jegew die pine vande;/ 
lankew. % Ne;«t naerdi. gingeb(?re. sillobalsami. acori. 
canele. pewcedani ^). meu. melanopip^ris. macr^pi- 
p<?ris. lewcopiperis ^). saxifrage. saet van serpentines. 

saet va« netelew. citri. elcs .2.3. ende .8. ende .15. granen, folie. 

nagle. soffraew. sq«ma«ti. cassie. lignee. bedelli. mastic. yrei. 

amomi. lovessce. gr^na solis. persi]n. sileris. cardamomi. anijs. 

euforbii. lapis lincis. olei. naerdini. muscelini, elx .1.9. meu .3. 

cornen. zeem dats gnouch si. Men gevet met wermew wine 

savonts. 



i) dezelfde fout in F,. — 2) 1. peucedani. — 3) 1. leucopiperis. 



K 



87 

Sume kutarticum namque coleram purgabit utranque ^). foi. 19 r. 

54. "W^ "W' Atarticum imperiale ^) id est laxativum pro imper- 
atoribus factum et pro aliis delicatis hominibus. 
ducit enim sine lesione. hec '') precipue confert pin- 
quibus hominibus qui semper sunt constipati. valet 
multum iliosis. iuvat eos qui ex ventositate stomaci et intestino- 
rum laborant, medietas (fol. 19 v.) libra .1.*) Recipe diagridii fol. 19 v. 
zucchari an .5.iiii.S. '') cinamomi nardi saxifragie polipodii an 
.5.11.'^) mirobalanorum citri hermodactili polipodii^) aiï .g.ii. ^)^) 
gariofilorum zinziberis celtice '") melanopiperis macropipecis car- 
damomi amomi aiï .5.1.8. '■^') mei quod sufficit. sumatur cum vino 
calido^^) vel aqua calida '^) mane vel sero. 



L 



Hec lapidem renum pertundit et inde repellit '). fol. 19 v. 

55. ^w' Itontripon pertundens lapidem interpretatur. hoc pro- 

prie lapidem frangit et expellit si in renibus vel 
vesica fuerint. hac medicina utentes. nee dolorem 
ilii nee lapidis vitium incurrunt. stranguiriam et dis- 
suriam sine mora solvit .viii. pars est librae .ii. ") Recipe nardi 
zinziberis xilobalsani '^) acori cinamomi peuzedani '^) meu mela- 
nopiperis leucopiperis macropiperis saxifragie an .3.0.8. opobal- 
sami '^) gariofilorum costi reupontici liquiricie ciperi draganti 
alexandri '*) camedreos '•^) seminis apii ^^) sparagi '^) basiliconis 
urtice '^) seminis citri '^) '^) an .3.1. et gr.xv. '^) folii '^) croci squi- 
nanti casie lignee bdelii masticis ^°) seminis granorum solis petro- 



i) deze zin alleen in L,. — 2) voor de vergelijking met NM zie woordenlijst. — 
3) in L2 staat: et. — 4) L2: .©.ü.", in F, ontbreekt van 2) af; in de plaats 
daarvan: vaut a constipatium, a ventosité et purge sanz moleste. — 5) F, : 5.iii. 
et .8. — 6) zie 9). — 7) ontbreekt in Lj. — 8) \.^\ .g.iiii. — 9) van 6) af ont- 
breekt in F,. — 10) ontbreekt in F, en Lj- — ^^) ^^'^ voorwoord bij NM is 
ongeveer hetzelfde; in Fi is het verkort tot: Litrontripos vaut a pierre oü el soit 
en rains ou en vessie. — 12) ontbreekt in Fj ; Lj heeft (misschien wel foutief): 
xyloaloes — 13) ontbreekt in Fj. — 14) ontbreekt in F,; NM heeft sinoni. — 
15) F, heeft ameos in plaats van camedreos. — 16) L.2 en Fj hebben alleen: apii; 
bij NM volgt nog: ameos. — 17) L2 en NM hebben sem. urtic. — 18) NM heeft 
sem. irionis. — 19) et .gr.xv. ontbreekt in Fj. — 20) F, en NM hebben hierna 
ireos. amomi. levistici. — 21) in F, volgt: esule .,5.i.S. rriirob. citr. %.^. 



fol. 15 r. a. b. 



88 



62. 

coude 

melawcolie 

ogen 

oren 

tawtvleesch 

ta«tsw^;-e 

mont 

mammen 

hoeftsw^re 

menisoen 

venijn 

rede 



fol. 15 r. b 



^^l^'V etridatUM es moeder hoven aWen medicinew, Knde 
M ■ ^ es goet iege« alle sakew die va« coudew comew. 
^ I W ende meest van melawcoliew. JLnde iegew pine 
^^ ^ ^^ vande;^ oge«. ende iegen geruut va« den oren. 
Knde iegeti apostemew va« de« tawtvleesce. ende 
iegen ta.jttswere. Ende iegen alle derew van den roeste bovew. 
ende so wat dat de« monde dere;/ mach. Knde iegen die ma;«- 
mew eist dat ment derop leit optie sw^re eist buten of van bin- 
nen. Ende ane de« slaep iege« hooftsw<fre. ende iegen men^soen 
daer die spise al geheel dore gaet ') mei drawke daerin gesodew 
es balaustie. Jege;/ venijn sal me«t gevew met sope van me;«te«. 
Knde men saelt plaest^rn op bete« va« gevenijwdew dieren. Knde 
hets ^röperleke goet iegew .4. dach corts in de wile vore de« acces 
met wine d^-rin (fol. 15 r. b.) gesodew es piganu;« .2y.ste deel es .^M. 
^Ne^«t storax. calam,?wte. elx .2.3. ende .8. nagle. naerdi. sillo- 
balsami. orobi. lentisci. dragantum. gommi. cedrii -). mumie of 
aspalti. bevercLil. bedelli. terre figuli. meliti ^). lapdanu;?^. oppo- 
panac. armo«iac?^j- *). opii. levewde sulfer, nitri. ricolissie. ypo- 
q«/stidos. achatie. rosen. aristolo^/a lo«ga. epithimi. pe//cedanum. 
sanctorie. camedrios. yperici. averone. pyonie. ysope. elve. ori- 
ganuw. ramicedri. romei. laurei. rorismarini, radicis yringi. lovessce 
balaustie beilde. vewigriec. venkel, comijn. cardamomi. semew 
miconis. cicelei. apie. dauci. raepsaet. dawnetele. amomi. elx. 1.3. 
gladie. assavi ^). illafeos. capparis. flos agni ^). herts hoorne. elx 
.2.3. valeriane. canele. coste. soffraen. mirre, gingebere. sq?/2na«ti. 
t^rbentine. wierooc. folie, cassie lignee. celtice. agaricus. renpofi- 
tice. ^) yrei. asari. dypta;«n?^j-. marobie. interiorum sticados. sca- 
moneie. bijvoet, calamentum. scordei. radix lasari. camepiteos. 



i) zie lienteria in de woordenlijst. — 2) 1. cedri. — 3) 1. meliloti. — 4) 1. armo- 
niaci. — 5) 1. cassami. — 6) NM : seminis agni. — 7) 1. reupontice. 



89 

selini ') seminis ^) sinoni ^) cardamomi aneti seminis euforbii fol. 19 v. 
lapis lincis olei nardini muscelini aiï .3.i. minus *) gr.iiii. ^) mei *') 
quod sufficit. detur in sero cum vino calido. 



M 



Multis adest datum renibus aptum hoc metridatum ''). fol. 19 v. 

c5 ^m M'Etridatum ^) id est mater omnium antidotorum sive 
a Metridato rege dictum faciens ad omnes passiones 
capitis virorum et mulierum si fuerint ex frigiditate. 
maxime melancolicis et timidis epilenticis mania- 
cis fantasticis: mirabiliter prodest cephalargicis emigraneis (fol. 
20 r.) dolorem cilii patientibus et lachrymantibus oculis: et fol. 20 r. 
ad omnia capitis vitia vel aurium subvenit. dentium doloribus et 
palato et omnibus vitiis oris et maxillarum medetur si super 
locum dolentem ponatur : et iterum ad modum emplastri ponatur 
in temporibus unde fit discursio. squinantiam solvit et apoplec- 
ticis cum cerusa acceptum facit, tussientibus et asmaticis emo- 
toicis peripleumonicis et omnibus doloribus qui intra corpus 
humanum fiunt succurrit. ciliacis ^) discintericis et lientericis 
optimum est: si detur cum decoctione balaustie. extensionem 
humerorum thethanos sive spasmos patientes et paraliticos sine 
mora curat. diafragmati ypocondriis subvenit. renibus et vesice 
opitulatur. calculos frangit. menstrua provocat: omniaque vitia 
matricis excludit. selirosim patientibus et podagricis singulis '^) 
presidium est. precipue datur ") contra venenum impositum sive 
bibitum cum magna admiratione emendat: et contra morsum '^) 
rabidi canis vel alicuius '^) reptilis ^*) si distemperatum fuerit : et ^^) 
cum succo mente potetur vel supponatur. quottidianariis et 



i) ontbreekt in F,. — 2) Ljt sileris. — 3) F, en NM: senemontain. — 4) NM 
heeft: musci. — 5) L2: gr.iiiij.; van euforbii af ontbreekt in Fj ; bij NM volgt vóór 
meilis: stillatitü rosar. — 6) NM: meilis aut sacchari. — 7) alleen in Lj. — 8) zie 
in de woordenlijst voor de verg. met F, ; het voorwoord bij NM is veel korter dan 
dat van Lj, maar omvat met andere woorden toch wel het meeste van wat men in 
Li vindt. — 9) 1. iliacis. — 10) 1. singulare (zooals in L2). — 11) zie 12). — 

12) L.2 heeft van 11) af: contra venena omnia, reprimit venenatos morsus, sive. — 

13) Lj: cuiuscunque. — 14) in Lj volgt nu: impositum sive bibitum cum magna 
admiratione emendat. — 15) ontbreekt in Lj. 



fol. 15 r. b. 90 

leucopiperis. melliloti '), ozimi. /(frsaet ^). sumac. malacui ^). quin- 
tefolie. elx .1.9. ouden wijn .1.5. zeem dats gnouch si. ^ Men 
saelt geven met wine da^r saelie in gesodew es also gr^et alse 
.1. haselnot temale. 'Ende 'm cortsse;? met wermen borne. 



i) behoorde te zijn melanopiperis. — 2) 1. persijnsaet. — 3) 1. malabatri. 



91 

quartanariis etiam ante horam accessionis datum mirifice prodest fol. 20 r. 
cum vino tepido. xxvii ^). pars confecta librae iii. Recipe stora- 
cis calamite*) .3.1. et .9.1.^) gariofilorum nardi xilobalsami oro- 
boni ^) lentici ''') draganti masticis galbani gummi cedri aspalti 
castorei olphei *^) bdelli terre figuli melliloti laudani opopanacis 
armoniacis ^) apii sulfuris vivi liquiricie nitri ypoquistidos acatie 
rosarum camedrei ypericon abrotani pionie ysopi origani elempnii 
rami cedri ^) et dampnicon (fol. 20 v.) aristologie longe epithimi fol. 20 v. 
peucedani centauree rorismarini yringi radicis balaustie cimarum 
mirre ^) psidie '") romei squille carpobalsami git anisi iusquiami 
cimini feniculi cardamomi siselei tesapii ") amei sinoni levistici 
seminis rute seminis miconis apii dauci seminis rapé rnacropi- 
peris ozimi amomi aiï .^.i. '2) acori illafeos cassami filis *) zucco- 
zarie catariaci '^) aiï .'S.n. balsami cinamomi croci costi squi- 
nanti zinziberis folii terbentine mirre libani '*) casie agarici spice 
celtice reupontici yrei asari diptami prassii interioris '^) sticados 
artemisie calamenti scordei silfïi '*^) camapitheos leucopiperis me- 
lanopiperis ozimi '') seminis petroselini seminis anagodam '^) ma- 
labatri cardamomi pentafilon aiï .9.i. dampnocri '^) tertiam par- 
tem .y.i. et .gr.vii. ^'^) vini vetustissimi .g.i, mei quod sufficit. 
datur in sero in modum avellane cum vino in quo cocta sit 
salvia ^'). 



l) L.-,: xxviii. — 2) NM heeft: .5.i.9.ii. — 3) 1. orobi. — 4) ontbreekt bij NM. 
— 5) 1. lentisci; NM laccae. — 6) I.j: offei. — 7) ontbreekt in Lj. — 8) NM : 
ligni iuniperi. — 9) 1. mirte, zooals in L25 NM : folior. myrti. — 10) NM : absinthii. — 
11) NM heeft sinapi. — 12) NM: .g.l.S. — 13) NM : plumbi usti. — 14) 1. olibani. — 
15) in L2 en MM volgt op interioris: coloquintidae. — 16) Lj heeft silfii en scordei 
in omgekeerde volgorde. NM in plaats silfii: sylvestris, symphyti.' — 17) ontbreekt 
bij NM. — 18) sem. anag. ontbreekt bij NM; daar staat: thois, culinarii. — 19 1. 
dampnococci. — 20) Bij NM: bacc. lauri. 9.i. — 21) in Lj volgt nog; non febri- 
citantibus, et febricitantibus cum aqua tepida. 



fol. 15 r. b. 
fol. 15 V. a. 



63- 



rede 

urine 

sweet 



m 



92 



USSa enea es goet iege« den .4. dach corts. Me« 
saelt gevew .1. wile vore den acces met warme;? 
wine. also gr^et als .1. haselnot. of .2. of .3. 
'Ende es goet den genew die gene orine makew 
en mogew mei sope va« sinsune. getempert ende 
gesmeert ane den puls ende andew slaep. 'E.nde doet swete;? in 
^^rnende cortsse. Ex\.de en sweet hi wiet. so es hi doot. tfieren- 
deel. es .lS'. ^ Ne;«t wit pe/^r .17. gr^new. thus masculi dats 
moru wierooc. beilde. gentiane. mirre, elx .2.3. opii .4.3. minus 
.6. granen, sofifrae;? .4.5. euforbiuw. zx'xsXoXogia lo«ga. elx onder 
.8.3. mandrrtJgore .2.3. zeew dats genouch si. Me« saelt gevew 
alsoet vorseit es met olyen va« rosew om swetew \n cortse die 
bi wilen lange geduren. 



64. 
spenew 
torcioew 
darmew 
mewisoe// 
fol. 15 V. a. 



m 



icleta es goet iege;^ spenen. e7ide \egen torcioew. 
ende ro;;/melinge \n die darmew. Ende met rose- 
waté're so eist ene opiate iegew alle mawiere vaw 
mewisoene. dat .8.ste deel es .Lft*. ^ Nemt miro- 
bolani. citrini. indorum. (fol. 15 v. a.) kebuli. mu«- 
dsitoriim. elx .2.3. ende .8. venkelsaet comijn. anijs, elx ond^r 
.8.3. dese seldi poedrew. ende leggense .1. dach ende .1. nacht in 
aysine daarna doet^r toe spodiuw. balaustie. sumac. mastic. go^^^mi. 
elx .1.3. ende .15. granen. Me« sal se wrivew met rosen ende 
temperen met cyrope mirtino. "Knde gevent met regenwatere 
nuchtews te middasfe ende savonts. 



M 



93 

Musa facit sanum patientem quotidianum '). foi, 20 v. 

-7. "im M"Usa enea '•^). Musa a peritissimo philosopho inventa : 
faciens ad omnes accessiones periodice febris in quo- 
tidiane tertiane quartane si ante horam accessionis 
in modum avellane cum vino calido detur et acu- 
tarum ^) angustias tollit. tarnen cum dederis considera virtutes 
eorum qui patiuntur quia statim medelam sentiunt: et etiam si 
cum tepida distemperetur : et ex ea in acutis et peracutis pul- 
sus et tempora inungantur: et si sudorem provocat erit signum 
evasionis: si vero non mortis, inflationem stomaci emendat. sus- 
piriosis ptisicis. et his qui putredinem screant subvenit. ydropicis 
spleneticis et colicis (fol. 21 r.) subvenit. lapidem in vesica frangit fol. 21 r. 
et his quibus penitus urina denegatur. Recipe piperis albi .gr.xvii. 
thuris masculi mirre gentiane iusquiami aiï ..^.vi. opii .3.iiii. croci 
.5.iiii. ^) musci ^) gr.vii. euforbii aristologie longe an .3.i. et .9.i.*') 
mandragore .3.i. et .'S.i. mei quod sufficit detur ut superius in 
laude diximus. 



M 



Tortio quem ventris cogit est micleta iuvame'n ^). 

58. n^L M^Icleta ^) -) id est experta, proprie valet ad emorroydas 

et ad ventris tortionem et rugitum lienterie et dis- 

interie : et optima est omni solutioni ventris. me- 

dietas est libra .1. Recipe mirobalanorum citrinorum 

indorum kebulorum mundatorum assatorum an -s.ii.S. nasturcii 

.3.ii. ^) bellericorum emblicorum assatorum .3.ii. cimini anisi 

ameos carvi '°) an .3.i. et .8. infusa in aceto die ac nocte dimit- 

tantur et assata pulverizentur. tune adde spodium balaustias 

sumac masticem gummi arabici an .3.i. et .gr.xv. fricentur omnia 

cum oleo rosarum et temperentur omnia mirtino syrupo. dentur 

cum aqua pluviali mane meridie. et sero. 



i) alleen in Lj. — 2) voor de vergelijking met NM en F] zie woordenlijst. — 
3) Lj heeft na acutarum nog : febrium. — 4) Lj : -S-iü. — 5) ^2 : minus. — 6) 55 
.g.i. et .9.i. ontbreekt in Lj. — 7) alleen in Lj. — 8) er staat Mideta. — 9) Lj: 
3.S. — 10) Lj nog marathri. 



fol. 15 V. a., b. 
65. 



94 



m 



el rosaceUM heet in griex rodomel. ^nde men ma- 

k^/ dus. 1[ Ne;«t zee;« wel gescuumt etide wit 

.10. tl', sap vaw nuwew rosew .1.^. ende doetse \n 

enen pot. Da« doet de« pot in ene« ketel. ^«0?^ 

doet ziedew op tfier. e?ide alst begiwt te ziedene 

so doetiV' in .4. rose« cleine gesneden me/ .1. messe. ^«(ii? zied^/ 

tote dat sop va« de« rose;z v^rsoden si. ende roevet al die wile 

dat ziedt dat niet en herne. Dan so doet in .1. fiole. Ende so 

mage me«t zoet^r houdt soet bet^r es. ^ Hei suv^rt de mage ende 

conforteert met warmen vvat^re. Ende het stopt met coudew wa- 

t^re. *[] Men saelt gevew nuchters ende te middage. Ende men 

machg<?r met mingen dyamargarietow. ende gariofilatew. ende rubea 

tröciscata. ende andre ^^«ficierew aldtts ^ Hets oec bet^r gesta?«pt 

met rosen .i.ft". wel vaste in .1. mortier. Dan nemt zeem .4..^. 

wel gescuumt. en^^ minget wel te hope. ende doet in .1. pot 

of in .1. fiolc ende sett^^ in de zonne .40. dage. ende roevet .2. 

vferï sdages. Op tfier en salmews niet doen want het soude de 

cracht van den watere verteren. Ende stopp^/ tvat wel datt^r 

66. die zowne niet in en come. ^ Mei Vyolaet suldi oec make« in 

cortse aldie selve ma^ziere dat me« maect Mei rosaet. Ende hets goet 

v^rverscht '^^ cortse. ende laxeert, ende v^rverscht. Hets goet iegen droge 

borst borst genomew m^-t lauwew wat^re. 



67. 



Diere// 
lawcevel 
stee« 
mewstrua 




efrocataRUM es also vele alse p?/rgieringe va« den 
nieren, ende es goet iegew lawcevel. ende die met 
pinen pissew gedrowkew met drawke daerin gesode;/ 
es gremil. genut also gr^et alse .1. haselnot. ende 
Vi^^'drijft den stee« va« der nierew. ende vandor 
blasew. gedrowkew met drawke derin gesodew es bevenelle. Ende 
yegen lawcevel da<?ri« gesodc;^ es costu;/2. Ende jegew menstrua 
dat bestopt es genome» met drawke daerin gesodew es bijvoet. 
Dat .16. deel es .i.lt:. ^ Ne;;^t lapidis lincis .2.3. e7ide .12. gra- 
nen, soffraew .6.3. ende .18. granen, mirre, giwgeb^re. euforbiu;/z. 
wierooc. die blasé vandew ever. of die stee;/ die in die lev^re 
leecht gepoedé-rt. beildewsaet ende tcruut comijn. persi]n van 
fol. 15 V. b. alexandre. citri. semen eruce. (fol. 15 v. b.) elx .1.3. ende .6. 



M' 



95 

Mei roseum stomaco confert nimium sane sumptum '). fol. 21 r. 

El rosaceum -) quod greci rodomel vocant ^) sic fit. in 
.X. libris albissimi et purissimi meilis dispumati succi 
recentium ^) rosarum libra una ponatur in cacabo 
ad ignem posito ^): et cum bullire inceperit viridium ^) 
rosarum cum forficibus vel cultello incisarum libras .iiii. addantur : 
et tam diu bulliant quod ad succi consumptionem veniat:etdum fol. 21 v. 
bullierit semper agitetur. et in fictili vase posito. quamdiu magis 
tenebitur tanto melius erit. stomacum confortat et mundificat ^). 
cum frigida confortat^) et constipat^). cum calida mundificat. 
datur mane et meridie. de eo conficitur diamargariton gariofila- 
60. tum et rubea trociscata ^). Eodem modo fit mei violatum quod 
valet tepide *) febrientibus ^) cum tepida *). corpus humectat et 
relaxat. valet ad siccitatem pectoris cum tepida ^). 



Iliacis prodest lapidemque frangere solet. ^) fol. 21 v, 

NEfi"Ocatarticum '°) id est purgans renes, expertum est 
iliosis. difficultati urine si cum apozimate miliisolis 
sumatur in modum avellane. de renibus et vesica 
lapidem potenter expellit cum apozimate saxifragie 
sumptum. menstruis imperat cum decoctione artemisie. colli tu- 
morem sedat. cum decoctione costi .xvi. pars confecta libra ^') 



i) alleen in Lj. — 2) voor de vergelijking met NM zie woordenlijst. — 3) van 
2) af ontbreekt in Fj. — 4) ontbreekt in Fp — 5) van ponatur af ontbreekt in F,. — 
6) van addantur af ontbreekt in Fj ; in de plaats daarvan : et soit tot dis (tou- 
jours) meu, et de tant oom il plus boillira, tant sera il nieillor. — 7) Fj : conforte 
Ie ventrail. — 8) van mundificat af ontbreekt in Fj. — 9) Fj : fievres interpolates 
(non continues). — lo) dit recept ontbreekt geheel in F,: het voorwoord bij NM 
is korter, — 11) open ruimte waar .i. behoort te staan (gelijk in Lj), 



fol. 15 V. b. 96 

granen, naerdi. costi. sqwmanti. cassie lignee. re?/powtici. elve. 
marobie. sansuccus. gliconis. roris marini. gentiane. gomm.\. tdere. 
cypressi. amawdrew, pertrec. wit pe/^r ende sw^rt. rutesaet. 
genivéTC. elx onder .8.3. e7tde .4. granen, balsami storax, dbloet 
vanden boe. dbloet van .1. vogel die eyser heet. wilde colen. 
gladie. asari. valeriane. aristologia lanc ende ront. betonie. dauci. 
persijn. elx .2.3. saet van netelew .8.9. ende .3. granen, succi 
s/>eragi. brusci. elx .6. granen, zeem dats gnouch si. Hets ge- 
nomen .3.3. temale. 



68. ^"""^ pilectuariuM geeft men properleke in hitten, of in 

hitte M ^k cortsew die va?i bloede come?i. of in óernenden on- 

cortbse ^ m Qemaken. Men saelt dri«ke« nuchters, ende te mid- 

steecte ^. W 

gjj^^g ^mm^ dage met coudew wat^re also groet alse .1. ker- 

staewgie. Hets goet iegen steectew vandor leveren. 

Ende iegen die ethyke sijn vandifr hoeste. Dat .lo.ste deel es 

.3. 'S*. 1[ Newt prume« van damas .2. 'S,', ende zAedtse in .^.'vè. waters 

toter helft. Dan ne^ntse uten watere. ende smeert die hant mei 

smere. efzde wrijft die prume« so lawge dat dmarch al ute si. 

ende ond^r u ha«de« doet staew .1. scotele. daer dat march in 

valle. Knde int wat^r da^r die prumew in gesode« warew doet 

ond^r .8.^. vyoletten. ende ziedew dat tote dat niet vol sodew en 

es. Dan doet^r in suk^r .2.ft'. ende dan ziedet wel dat dicke si 

in die wise van cyropew. ende doet^r in scamoneye .4.^. cassia 

fistiila .2.5. beide gesodew ende gesuv^rt vaet xosewaUre. ende 

colerew dit dore .1. vat Tnet gaten. Dan doetifr in dat vorseide 

cyroop. Ende alst dicke es so doet^r in tsop vandor prumew 

garnaten .8. 5. ende ziedet dermel. ende altoes voevet. Ende alst 

wel gesodew es so doet af ende minder in die vorseide ') poedre 

van der vorseidé'r species. % Ne;«t sandali beide wit ende root. 

spodii. elx .4.3. porceleine .6.3. berberis, dragawt. rosen. elx .2.3. 



l) dit woord is in het HS doorgehaald ; het is ook overbodig. 



97 

Recipe lapidem lyncis .^.ü. et .gr.xv. croci orientalis ') .3.i. et fol. 21 v. 
gr.xviii. ^) zinziberis euforbii mirre olibani ^) vesice apri lapidis 
in epate vel in vesica porci inventi ^) cimini seminis ^) iusquiami 
seminis macedonici citri omnium decem an .3.i. gr. vi. nardi 
squinanti costi piretri casie reupontici prassii elempnii sansucci 
gliconis roris marini gentiane saxifrage gummi edere cipressi 
pullularum ^) baccarum dampnidis piperis nigri et albi seminis 
rute et iuniperi omnium an ,3.8. et .gr.iiii. balsami storacis san- 
guinis hirci ') sturci ^) anseris ^) acori fu meu aristologie longe 
et rotunde betonice fisaliadis '°) s ") dauci '*) petroselini seminis 
eruce '^) omnium an .gr.ii. '^) seminis urtice .9.i. ^^) et .gr.ii. et 
.8. succi sparagi et brussi an .gr.v.8. "^) mei quod sufficit. dosis 
eius sit .5.111. et cum vino tepido. 



i) NM: cnlcus, d. i. wilde saffraan. — 2) NM: gr.xv. — 3) tot 4) bij NM : 
lapid. vesicae apri. — 4) zie 3). — 5) ontbreekt in Lj en NM. — 6) Lj heeft 
foutief: pilularum. — 7) NM: suis sylvestris. — 8) ontbreekt bij NM; daar staat: 
sem. cardamomi. — 9) L2 heeft assari, teekent daarbij aan, dat anderen anseris 
hebben; ook NM heeft asari. — lö) zie fisial. in de woordenlijst. — 11) waar- 
schijnlijk is deze s overbodig, maar zij zou ook „seminis" kunnen beteekenen; 
zij staat alleen in L,. — 12) NM heeft in de plaats hiervan: sinapi albi. — 13) ont- 
breekt bij NM. — 14) NM: .3.ii.S. gr.ii.S. — 15) Lj: .3.S.; NM: 3.Ü.S. — 16) NM: 
.gr.xv. ; het volgende bij NM anders. 

7 



fol. 15 V. b. 98 

fol. 16 r. a. 

Ende wil mewt makew laxerende, so sal men in elc M. doeji 

scamoneye .7.3. En^'é' men maecht makew 'm wise van cyropew. 

Men saelt gevew nuchters emie te middage. 

69. y^-^ ppopira magna es goet iege« juchtech^// vandew 
juchtech^/^ M M ogen. ende vandew mo;/de. ende vandor to;/ge«. ende 



O 



ogen. ^^ ^_ 

mowt M W vandor kelew. ende in handen, ende in voeten, ge- 

voeten ^..^ drowkew mei drawke daerin gesodew es salie ende 

hande« , , . , , ,. . . 

la«c evel bev^rcul. entie mei der tongen lispew m harew wor- 

fol. 16 r. a. den. Yiet geneest lawcevel da^riw gesodew es polipodium, (fol. 16 r. a.) 
^ Ne;//t opii tebaici .2.3. ende .i.S. ende .4. grane?i. canele. nagle. 
galigaew. naerdi. sofifrae«. coste. zedewa^r. gingehere. sillobalsami. 
re«po«tici piretr/. corael wit ende root. dragant. mirre, bev^r- 
cul. i^eper wit ende sw^rt. ende lancpeper. elx .2.3. ende .it,. gra- 
nen, musci. ligni aloes. cassie lignee. sq«/na;zti. storax calamite. 
galbanu;«. serapini. mastic. asari. melliloti. aristoiogia lanc. ende 
xont. S(?rpentine. ellebori nigri. meu. pyonie. rafani. peucedani 
gladie. mandr^gore. betonie. ge«tiane. colene. camedrios. sanc- 
torie maior ende minor, celtice. alsene. spinate. capillis ven^'ris. 
goudbloeme. s,mte Jans cruut. marobie. pigani. nesebloede, cala- 
menXX. cardamomi. carpobalsami. anijs, lovesce. beilde. venkel- 
wortel, lupini. orobi. bacce lauri. sileris. elx .1.9. ende .13. gra- 
nen, zeem dats genouch si. 



99 



Opopira phisis ') mire pellit paralisim ^). fol. 23 v. 

O Popira magna ^). opopira dicitur a succo : et igne. opos 
enim grece latine succus pir idest ignis. inde opo- 
pira idest ignitus succus. proprie valet contra gut- 
tam que oculum et linguam et labium distemperat 
ut recte sermonem non proferat aut non loquatur. peculiariter 
curat paralisim oris et gutturis: et manuum et pedum atque 
crurum: et totius corporis optime medetur cum vino ubi cocta 
sit salvia et castoreum et costum in sero in modum avellane. 
prodest tremulosis cum eadem decoctione bibitum: contractioni 
nervorum subvenit. colericis cum '*) decoctione polipodii. epilen- 
ticis multis ■'"') et maniacis cum decoctione thuris masculi auxi- 
liatur. tussientibus in omnibus doloribus pectoris et stomaci cum 
decoctione calamenti et cimini : epaticis cum apozimate apii : et 
eupatorii : spleneticis cum decoctione caparis et absintii : pleu- 
reticis cum apozimate ysopi et pulegii ....'') (fol. 24 r.) et pu- fol. 24 r. 
legii''): yliosis cum decoctione yris et macedonici : calculosis cum 
apozimate saxifrage et ozimi. tipice febrientibus cum decoc- 
tione pigami nasturcii piretri prodest et ad multas corporis pas- 
siones facit .xv. pars confecta librae .ii. Recipe opii thebaici '°) 
.3.ii. et .9.i. et .gr.iiii. ^) cinamomi '°) gariofilorum nardi galange 
croci costi zedoarie zinziberis ") xilobalsami '°) reupontici piretri 
coralli albi ^") et rubei '°) draganti mirre castorei '^) opoponacis "') 
piperis nigri albi et longi an .5.ii. et .gr.vi. '^) rasure eboris '"^) 
lilifagi herbe paralisis an .5.1. et .gr.xiiii. '^) balsami musci xiloaloes '") 



i) 1. phthisis. — 2) alleen in L,. — 3) voor de verg. met NM zie woordenlijst; 
de voorrede is in F, veel korter n. 1. : Opopira vaut a paralesie d'eux (yeux), de 
bouche, de langue, de goitron, de mains et de piez, boiue en vin oü sauge soit 
cuite et castor, doné en quantité d'une noiz de coudre (noisette). — 4) colericis 
cum ontbreekt in L.2. — 5) L., : melancholicis. — 6) open plaats in den text. — 
7) overbodig. — 8) typice behoort bij febrientibus. — 9) Fi • opium .5.ii. — 10) ont- 
breekt in Fj. — 11) in F, volgt op gingimbre: ana 5.1!. rasure d'iveure. — 
12) F,: .g.i. — 13) F,: .5.1. 



fol. i6 r. a. 



100 



lOI 

squinanti casiefistule storacis calamite masticis confite rubee fol. 24 r. 
galbani serapini asari ') ^) melHIoti ') aristologie rotunde dragon- 
tee assari ') ellimpni ') meu ') peonie raphani corticis peucedani 
acori mandragore betonice gentiane camedrei pulegii centauree 
maioris et minoris ') celtice ') absinthii proserpinace ') blactei ') 
capillorum veneris sponse soHs ypericon vincetoxici ') prassii '^) 
pigami millefolii ') cardamomi calamenti carpobalsami ^) anisi semi- 
nis levistici iusquiami seminis lupini et poUinis orobi ^) alexan- 
drini ') baccarum lauri maratri sileris montani an .9.i. et .gr.xviii. ^) 
mei quod sufficit *^) detur ut superius diximus. 

Cum calida calidis oxi valet addere morbis '). fol. 24 r. 

OXi ^) dicitur ab acetoso succo malorum granatorum : 
qui ibi ponitur. datur proprie contra sinocham et 
causon et contra omnes acutas et peracutes egritu- 
dines cum frigida. prodest etiam pleuresi ethice febri 
puncture epatis. si tamen ethica sit cum tussi addatur confec- 
tioni .^.i. liquiricie et succi eius (fol. 24 v.) .^.S. veteri et non fol. 24 v, 
recenti cum scamonea confecti '•') librae ,ii.^) Recipe prunorum 
damascenorum '") librae .iii. ") et decoquantur in libras .v. aque 
usque ad medietatem. deinde ab aqua extrahantur et ponantur 
in cribro et catino subterposito. tamdiu in manibus fricentur 
donec pulpa exeat tota : et in aqua ubi cocta sunt pruna bulliat 
.^.S. violarum : et postea fiat syrupus cum duabus libris zuchari 
et .8. '^) addito succo prunorum predicto '^) bulliat ad spissitu- 
dinem. et postea addantur .^.iiii. tamarindorum et .^.ü. casie 
fistule mundate et dissolute cum aqua rosarum et colate. cola- 
tura namque ponatur in syrupo: et cum inceperit inspissari po- 
nantur ibi succi utrorumque granatorum .^.viii. et quamdiu ad 
perfectum venerit coctionem agitando cum spatula semper adde 



i) ontbreekt in F,. — 2) Lj'. plantae assae foetide. — 3) in F| volgt achter 
prassii ; aiï .5.i. — 4) In L2 volgt nog eboris, waarbij het volgende alexandrini zou 
behooren. — 5) et gr.xviii. ontbreekt in Fj. — 6) het volgende ontbreekt in F,. — 
7) alleen in L,. — 8) voor de verg. met Fj en NM zie woordenlijst. — 9) L2 : 
confectio est .T.iii. — 10) in Lj volgt: siccorum. — 11) Lj: lï.ii. — 12) et .S. 
ontbreekt in L^. — 13) L^: praedictorum. 



fol. i6 r. a. 102 



O 



70. ^""^ xisaCRA maect men aldus. Nemt suker .i.'K*. ende 
tsop vandor prumew görnatew .8.^. aysijn. .4.^. ^'/^öfi? 
doet op tfier in .1. vat van tenne. ende yAeóet tote 
corts 'V^i.^iX die v<?rsch,?zV welna v<frsode« si. ettde dat dicke si. 

rede Hets goet iegew .3. dach corts die van zouter fleu- 

men comt. Me« gevet lau nuchtens. 



O 



71. ^^"^ ximel maect men aldwi". Ne///t zee;« wel gescuu;«t. 
ende starkew edec eics ond^r .S.K*. ende ziedt daerin 
die wortele van mj^rradec .i.S.^. wortele va« ve«- 
kele .2.^. Dit seldi ziede^z tote .r. ponde. so dattie 
sope versodeji sijn. ende ziedet met sachtew viere 
fleume ende altoes roevet. Dit doet dig^rerew ende scedew fleume. ende 

leitse ute. Me« gevet nuchters met warmen watere. 



I03 

pulverem harum specierum quod. Recipe ') pulverem sandalorum fol. 24 v. 

alborum et rubeorum spodii aiï .3.iiii. portulate -S-vi. rosarum 

draganti aiï .3.ii. Si vero laxativum facere volueris in unaquaque 

libra pone .3.vii. scamonee pulverizate. tune scilicet quando ab 

igne deponitur. et diaprunis '^) si laxativum facere volueris eodem 

modo facias. detur mane simplex: meridie cum frigida: laxativum 

detur summo mane cum calida in modum castanee. 

OXizaccare ^) dicitur ab oxi quod est acetum et zucharo fol. 24 v. 
dicitur *). valet tertiane ^) acutis et quartane non 
vere '^). coleram in stomaco existentem purgat ^). Re- 
cipe zuchari libram .i. succi malorum granatorum 
.^.viii. aceti .^.iiii. ad ignem in stagnato vase pone: et tamdiu 
bulliat cum spatula semper agitando donec ad quantitatem zu- 
chari deveniat: ut in (fol. 25 r.) pisside portari possit. detur in 
mane cum calida .^.i. et .8.^). 

OXimel ^) sic fit. Recipe meilis despumati libram .i. aceti fol. 25 r. 
fortissimi libram .i. et .8. in quo bulliant radices 
feniculi ,3.ii. ^) radices rafani .5. 8. '°) radices apii 
petroselini macedonici sparagi bruxi frage '^) an ,^.iiii. 
polipodii .^.viii. omnia ista bulliant in libras .ii. aceti '^). deinde 
coletur: et colatura '^) supradicto melli '^) addatur. in stagnato 
vase semper agitando cum spatula '^) tamdiu lento igne bulliat 
donec ad consumptionem succi '^) deveniat. valet ut oxizaccara: "^) 
digerit dividit ^^) et flegma mirabiliter purgat. datur in mane 
cum calida. 



l) L2: recepit; de text schijnt hier wat corrupt. — 2) zie bij diaprunis bladz. 
29 reg. 4 V. o.. — 3) NM heeft hetzelfde praeparaat wat anders beschreven; zie 
woordenlijst. — • 4) van 3) af ontbreekt in F,; dicitur ontbreekt in Lj, het is 
overbodig. — 5) in Fj ook nog: a cotidianes. — 6) non vere ontbreekt in F,. — 
7) het voorwoord heeft F, na het eigenlijke recept. — 8) 5.1. et .8. ontbreekt 
in Fj. — 9) L.J en Fj : g.ii. — 10) van hier tot 12) ontbreekt in L.2 en F,. — 
11) 1. saxifrage. ■ — 12) vóór deinde coletur in Lj nog: bulliat usque ad tertiam 
partem; in F, als in MT n.1. : et bouillent jusque eus reveinent a .1. livre. — 
13) L„: colaturae supradictum mei. — 14) van addatur af ontbreekt in Fj. — 
15 L2: aceti. — 16) vóór digerit in F, nog: il desfait la matere. — 17) ontbreekt in F,. 



fol. i6 r. a. 104 



O 



72. ^""^V lye rosaet maect men dus. Newt groene rosen .i.S'. 
ende brecse .1. luttel, dan legse m .^M. olyew. Me« 
owtfaet in .1. glasew vat ettde sett^/ 'w die warme 
zonne .40.^) dagen, ende alle dage roerÉ"/ 'mei .1. 

spatule. so dat die zo«ne zoetelike ziede. Knde na 

73. de .40. dage suldijt colerew. % 'Ende aXdus maec me« olyc Van 

slapen vyolctteil. Entie bri«ct in zoetelike slapew. Si es goet iegew die 

, ^ hoeste ende v^rverscht die borst- 

borst 



i) NM .XXX. dagen. 



105 

Oleum rosatum '). fol. 22 r. 

5. ^ ^ Leum rosatum -) virtutem habet frigidam et stipticam 

■ ■ ^^ ^^^^ ^d dolores capitis ex febre seu ex calore 

M^ W solis optimum est : ardores autem ^) et calores quando 

^' — ^ stomachus coleribus plenus suam ventositatem *) in 
toto seu in parte capitis aufert. doloribus qui fiunt ■'') quandoque 
in capite toto vel in parte confert: si ex ipso inungatur caput. 
confert etiam doloribus existentibus in stomaco seu in intestinis 
ex acredine humorum mixtum cum masticis drammis "^j duabus: 
et sufficienti cera in ipso solutis ^) et postea locis inunctis. ad 
erisipilam est utile: quibus in superficie non apparet: et ad alia 
huiusmodi multa. et istud oleum ^) sic fit. In duabus libris olei 
communis ^) et ad nostram doctrinum abluti ^^) libra una et media 
viridium ") rosarum aliquantulum contusarum ponatur '^) in olla 
plena in caldario pleno aqua suspensa: '^) et tamdiu bulliant 
quousque ad tertiam partem veniant. ''*) quod demum albo panno 
lini immissum torculari exprimatur : et liquor reservetur. *'^) 

63. Eodem modo fit sambucinum, violaceum et myrtinum 

64. oleum. Que scilicet olea valent in acutis; et paracu "') (fol. 22 v.) fol. 22 v. 

65. inuncta super epar : pulsus: tempora: ^^) et plantas manuum et 
pedum calorem omnino extinguunt. 

Oleum mandragoratum *®). fol. 22 v. 

5. ^ ^ Leum mandragoratum '^) quod facit ad nimios dolores 

Ê m capitis et freneticis male dormientibus fronti illini- 

^ W tiim et naribus iniectum summe opitulatur. pulsi- 

^* — ^ bus brachiorum inunctum et plantis pedum illinitum 

quocunque modo vigiliis factis cum omni celeritate soporem reddit. 

l) alleen in Lj. — 2) van hier tot 8) ontbreekt in Fj ; voor de verg. met NM 
zie woordenlijst. — 3) tot 4) L2 heeft als volgt: ex calore, quos stomachus plenus 
sua ventositate. — 4) zie 3). — 5) qui fiunt ontbreekt in Lj. — 6) L, : g.ii. — 
7) 1. soluta. — 8) zie 2). — 9) van hier tot 10) ontbreekt in F,. — 10) zie 
9). — 11) ontbreekt in Fj. — 12) van hier tot 13) ontbreekt in F,. — 13) zie 
12). — 14) F,: et boille jusque la tiercé partie soit degastee. — 15) van 14) af 
heeft F| anders. — 16) 1. peracutis; ontbreekt in F,. — 17) van hier tot het eind 
ontbreekt in F,. — 18) alleen in L,. — 19) In F, volgt direct '!^. NM heeft tot 
]^ alleen : phreneticis, febricitantibus et vigilantibus conveniens. 



fol. l6 r. a. 



io6 



107 

Recipe olei libras duas. succi malorum ') mandragore ') uncias fol. 22 v. 
quatuor. iusquiami albi succi uncias duas. papaveris nigri ortensis 
capitum succi uncias tres ^). violarum recentium cimarum succi 
cicute ^) ambarum ana unciam unam *). opii storacis ana unciam 
mediam. Conficitur sic in oleo omnes succi mittantur: et per 
decem dies ad solem bene admisceantur : undecimo vero die ad 
consumptionem succi coquantur. Cumque coctum fuerit ab igne 
deponatur : et cum infrigidatum fuerit coletur : ^) et in parte ipsius 
olei opium et storax soluti '^j medicamini supermittantur : ') et 
bene commixtum in vase reconditum usui reservetur. hoc vero 
unguentum ^) contra calefactioncm epatis sepe inunctum mirifice 
valet. 



Oleum camomellinum ^). 

OLeum camomellinum ^°) salubre ad fervorem et dolo- fol, 23 r. 
rem capitis: et stomaci. causas ex colera rubea sine 
aliquo calore commotas compellit. articulisque pro- 
ficit: et ad alia multa facit. Recipe olei dulcis uncias 
decem et cocto. florum camomille mense iulii collectorum libram 
mediam. Conficitur sic: flores in oleo communi mittantur in 
diebus canicularibus in vitreo vase ad solem suspendantur : et 
bene obturato. et post quadraginta dies in lento loco ponatur. 
et usui reservetur. 



i) NM: mali punici acidi, succi mandragorae radicis; F,: jus de mandragloire. — 
2) van hier af tot 4) ontbreekt in F,. — 3) NM : canchryos .i. Ubanotis. — 4) zie 
2). — 5) van hier tot opium ontbreekt in F, ; van hier af tot het einde ontbreekt 
in NM ; hij zegt alleen nog: utere in fronte et temporibus. — 6) ontbreekt in F] . — 
7) tot 8) niet in Fj. — 8) zie 7). het volgende heeft F,: a feivre ague; oint ou 
front et es temples et es pus (pouls), il amaine (emmène) dormiz (sommeil) et 
oste chalor. — 9) alleen in Lj. — 10) voor de vergelijking met NM en F, zie 
woordenlijst. 



fol. i6 r. a. b. I08 



hitte 



O 



74. ^""^^ leuM frigidissimuM maect men dus. Ne;;zt gemeine 

iege» alle ^ ^ olye wel gedwegen .4.*l^. ende die croppe^z van bre;«- 

bladrew '). ende bladew van vyolettew. m^rcuriael. 

donderböi^r. v^rnicularis -). nasscade. blade van swer- 

ten olycrude. beilde. mandragore. crassula maior. 

ful. 16 r. b. dats sm^re wortel (fol. 16 r. b.) of gr^etorpyn. porceleine. latue. 

bardana. dat sijn grote docke//. elx .3.^. stampse al. ende doet 

se in die olye. ende laetse staew .3. dage. ende derna doese zie- 

de« op tfier tote datse gnouch si. dan coleertse dore .1. doec. 

ende persse wel dore .1. linen cleet. ende doese 'm .1. te;me« vat. 

ende dan hestadet. ^ Si es goet geplaestert iegew de?i dagelikew 

rede rede. of gesmeert an de« slaep entew rugge bovew totew lende- 

ne«. entiew lichame entie palmew vander ha«t entie planten va;^ 

die« voeten. Wa//t het wed^-rstaet alle hitte ende ongetejnpertheit. 



75. ^^"^^ orcio sanctipauli es gehete/^ na sente pauwelse 

groei ex c\ ^"^M^^W o;/<!dat hise te gadere sette entie romeyne hete/zt 

^^^^ ■ ^-^ potio magna. Het es goet jegew tgrcet evel. ende 

^^^-^^ \egen dmiddelste. ende legen dmiwste met wine ge- 

dro«ke« daerïn gesodew es pyonie. ende geminct 

met esdra: Me« saelt gevew in den herfst ende te wintre. Het 

geneest quarteine met wine genomen, daarin gesodew es gewtiane 

in die wile vore de« acces. Oec eist goet met wine genut daerin 

gesode// es salie ende bev^rcul. Dat .I5.ste deel es .2.'ll>'. ^ Ne^wt 

nitri .3.5. ende .8. bev^rcul. antimonii. dat gleite met gelikew 

tenne. Me« vind<?/ in die apoteke. apie. dampnotti. sileris. per- 

sijn. venkel, dauci. stafisagrza. elx ond^r .8.5. armowiac .1.3. ^«</^ 

.3.9. calami. aromatici. mirabolanti. ricolissie. dragant. pyonie. 

pertrec. coste. elx .1.3. aristologia lowga. holeworte. rosew. asari. 

lilifagi. gladie. dyptawnus. s^rpewtine. bcrewortte. balsamite. ori- 



i) 1. braembladren daar in Lj en Lj rubus genoemd wordt; het is onwaarschijnlijk 
dat de afschrijver hier de bladeren van de bremstruik (Genista) heeft bedoeld. — 
2) 1. vermicularis. 



109 

Oleuni frigidissimum '). foi. 23 r. 

OLeum frigidissimum -) viride sic fit. Recipe olei com- 
munis albi et abluti libras quatuor. cimarum rubi 
tenerrimarum foliorum violarum vermicularis cimba- 
larie sempervive solatri foliorum papaveris iusquiami 
mandragore crasule maioris portulace lactuce bardane omnium 
ana uncias tres. ^) hec omnia insimul bene terantur: et in supra- 
dicto oleo mittantur per tres dies. post tertium vero diem super 
ignem ponatur. et usque ad spissitudinem bulliat. postea coletur. 
deinde in fictili vase ponatur super ignem: et bulliat ad succi 
consumptionem. tune ab igne deponatur: et permittatur residere. 
et illud clarius quod supernatat coUigatur: et usui reservetur. 
valet in acutis et peracutis: fronti et (fol. 23 v.) temporibus inunc- fol. 23 v. 
tum. valet et retro inunctum per dorsum a nucha usque ad cau- 
dam inunctum: et per ventrem similiter: et vole manuum et 
plante pedum eodem modo contra omnem calorem potenter 
medetur. 

POtio sancti Pauli -). dicitur potio a potando. sancti Pauli: fol. 25 r. 
quia sanctus Paulus eam composuit. hec eadem a 
romanis potio maior vocatur: quia Paulus magnus ^) 
interpretatur. datur proprie epilepticis catalepticis ana- 
lepticis stomaticis ^) cum vino in quo coctum sit tus masculum 
vel pionia mixta. hec eadem cum exdra *^) datur hyemali tem- 
pore et vernali quartanariis : et sanat cum vino in quo cocta sit 
gentiana vel saliunca et castoreum ante horam accessionis. me- 
detur etiam arteriacis et paraliticis cum vino in quo cocta sit 
salvia vel castoreum .xv. pars est libra .i. Recipe nitri .3.iii. ^) 
et .l^.i. castorei antimonii sinoni folii dampnocri sileris apii petro- 
selini maratri dauci stafisagrie an .3.1. et .y.i. ^) calami aromatici 
mirabolanorum liquiricie draganti pionie piretri aiï .9.iii. ^) costi 
coloquintide agarici masticis aristologie longe et rotunde rosarum 



1) alleen in L]. — 2) voor de verg. met F] en NM zie woordenlijst. — 3) L2: 
.5.iii. — 4) L2 teekent hierbij aan, dat andere maior hebben. — 5) 1. stomachicis. — 
6) 1. esdra. ■ — ■ 7) L2: ó-üü. — 8) in L2 volgt nu: sal. ammon. epithymi ana .5.1. 
et .9.8. — 9) Lj: 3.ii. 



fol. i6 r. b. I lO 

fol. i6 V. a. 

gani. colene. camedreos. ysope. satureie. ^eper wit ende sw^rt. 
la«c ^Qper. rutesaet. elx .1.9. ende .18. granen, thus masculi. 
cardamomuw. elx .1.9. ende .4. granen, naerdi. soffrae/z. squi- 
na«ti. balsami. cassia. mirre, oppopanac. levende sulf<?r. mandra- 
gore. gentiane. bracceos. euforbii. amomi. anguinis '). mewguli. ') 
canele. nagle. gingebere. sillobalsami. re«po«tici -). pewcedani ^). 
carpobalsami. storax, calamite. serapini. asaris. drake«bloet. olei*) 
viti ^). droge hasebloet. die gallc van .1. bere. sanguinis anatis. 
petr<7lei. dats olye van tiechelen. elx .1.9. ende .4. cornefi. /lerba 
paraUsïs .7.3. ende .4. grane?i. zee;« dats gnouch si. 



76. ^^^ aulinuM vivuM magnuM antidotuM heetmewt. 

hocste ^"^Ï^^W ^^^ heeft grote macht in sinew werken. Men gevel 

borst ■ v.^^ iegen oude hoeste ende nuwe. die co;//t va?i toevalle 

^iM^m^^ \an de« hoefde t^rborst. Y,xide \egen pine van (fol. 
fol. 16 V. a. 16 V. a.) der borst die van coudew co;;2t vaet war- 

mem wine alse me« slape« gaet. geiempert en sal mens niet 
geven. Men maect^r af pillulew. ende geefti?r .9. of .11. vaet opio. 
'Ende wilmewt sonder opio lacsatijf maken. Mew geves .2.5. ende 
xmncier \n .1.5. scamoneyew. ende daeraï maect pillulen. dat 
ptirgeret thooft entie mage entie sw<frheit van den oge« pur- 
ger^/ wondirlike zere. dat .4. deel es .i.®. ^ Newt aloes .11.5. 
ende .15. granen, coste. sofifraew. anacardi. agaricwj'. corael. mirre. 
armo«iacu;«. serapinu/;/. galbanu;;/. t^rbentine. oppopanac. confi- 
seruca. ^') lemite. ^) storax, yreos .5.5. opii. olibani. mastic. bedellii. 
coru;«bri. elx .2.5. ende .15. granen, balsami. folie, elx ond^;' 
.8,3. mellisce .2.3. ^[ Dus salnv/zt vergadren. die gommen die me« 
niet poedrew en mach die salmew breken. i« .1. mortier, ende 
leggewt .1. nacht in sterken wine. ende nuchters teviere doew 
tote dat es gesmolte//. D^vna colerew. ende doewt weder te viere. 
ende doet^r toe zeem wel gescuuwt .3.^. efide zAedet tote dat 
dicke w^Tt. Dan doet^r in storax, calamite. rute. cyrimbrum. 



l) 1. sanguinis merguli. — 2) 1. reupontici. — 3) 1. peucedani. — 4) 1. coaguli 
vituli. — 5) 1. confite ru. calamite < storax calamite >. 



III 

mabathematicon asari lilifagi aaronis diptami basiliconis brance fol. 25 r. 
ursine balsamite (fol. 25 v.) origani pulegii camedrei vel ysopi fol. 25 v. 
saturegie piperis albi et nigri et longi seminis rute an .y.i. et 
gr.xviii. cardamomi turis an .^.i. et gr.iiii. balsami nardi croci 
squinanti casie mirre opoponacis sulfuris mandragore gentiane 
braccei euforbii amomi ') sanguinis merguli an .9.i. cinamomi 
gariofilorum zinziberis anacardi xilobalsami reupontici peucedani 
carpobalsami ') storacis calamite serapini asari sanguinis draconis 
coaguli leporis coaguli agni et caprioli et vituli : et fellis ursini 
sanguinis anatis petrolei an .9.i. minus gr.iiii.^) herbe peralisis 
.5.vii. gr.iiii. mei quod sufficit. datur capitalibus passionibus in 
sero ad modum avellane : vel cum decoctionibus supradictis. 



P 



74. "^ ^Aulinum ^) antidotum "*). Paulinum id est magnum, an- fol. 25 v. 
tidotum id est contradatüm : quia magnum virtutem 
et efficatiam habet ''). datur proprie veteri et nove 
tussi : que fit ex discursione reumatis *") a capite. valet 
contra vitia pectoris ex frigiditate in sero **) cum vino calido. 
sed si distemperatum accipere non poterit : fac inde pilulas .viiii. ') 
vel .xi. ') facto cum opio. sed si confectum fuerit sine opio: et 
laxativum facere volueris da .3.ii. cum .9.ii. ^) scamonee in pilulis 
factis. caput et stomachum ex flegmate et malicia ^) purgat: '°) 
et oculorum gravedinem toUit. quarta pars est libra .i. quia in 
unaquaque receptione ponunt libram .1. et .8. meilis dispumati "). 
Recipe aloes .^.xi. et gr.xv. '^) croci costi anacardi agarici coralli 
mirre armoniaci terbentine galbani serapini opoponacis (fol. 26 r.) fol. 26 r 
confite '^) rubee '^) storacis calamite yrei an .3.iiii. et .8. opii 
olibani masticis bdelii cozumbri. an .3.ii. et ,gr.xv. '*) balsami 
folii an .^A. et .8. melisse .3.ii. Conficiantur sic. galbanum sera- 
pinum armoniacum opoponacum. iste gumme aliquantulum terantur 



l) ontbreekt in Lj. — 2) T.2: gr.iii. — 3) van hier tot 5) ontbreekt in F,. — 
4) voor de vergelijking met NM zie woordenlijst. — 5) zie 3). — 6) ontbreekt in 
F,. — 7) Lj*. .viii. vel .ix. — 8) .9.ii. ontbreekt in F,. — 9) Lj en Fj : melan- 
cholia. — 10) tot 11) ontbreekt in Fj. — ll) zie 10). — 12) et gr.xv. ontbreekt 
in F,; Lj: gr.xx. — 13) ontbreekt in F,. — 14) et gr.xv. ontbreekt in Fj. 



fol. i6 V. a. 112 

wel gesta;«pt met .i. hetew stamp^re. da^-rna doeter toe t^rben- 
tine. teken dat gnouch si. Dus proeft ment lat^/ druppew op .i. 
marberstee?i. bliv^/ tegadere sond^r vlotew so eist gnouch. Dan 
doet af ende doet^r in mirre, bedelli. mostaert. wierooc. costz/j. 
anacardi. corael. agaricus. yreos. opiu;«. folie, mellissa. Alle dese 
gepulvfrt ende daartoe gemiwct me^ pulv^-re va.fi aloes. ende met 
soffrane. ende malexere;? dat. Me;/ saelt nuchtews gevew also gr^et 
alse .1. haselnot met warmen wine. 



y/. ^^"^ ancHRiSTum antidotUM es goet iegen alle cortse 
rede ^"^B^^w ^^^ ^^ wilen comew. genomew vaet mulsa ende mei 

menst/ua ■ V^^ ydromelke genome», doet me«strua hebbew sond^r 

^Jl^"^^ letten, dat .ó.ste deel es .i.ft'. ^ Ne;«t opii tebayci. 
.5.5. sofifraew .2.3, ende .1.3. ende .i.S. cicelei .2.3. 

calami aromatici. bevercul. carpobalsamu;«. cardamomu;^. persijn. 

elx. ond^r .8.3. cassie. gingeb^re. serapini. wit peper, belde '). 

apisaet. venkelsaet. elcs .2.9. naerdi. piretri. meu. euforbii. anijs. 

clavere. dauci. cretici. elcs ond^r .8.9. zeem dats gnouch si. Men 

saelt gevew i« die g^'^tte va« .1. bonen met warmew wine. 



l) beilde. 



113 

et in albo et odorifero ') vino sufficienter ') nocte una imponan- fol. 26 r. 
tur. mane vero super ignem ponantur: et bulliant -). postea adde 
meilis dispumati .^.iiii. ^) et dimittantur bullire quousque inci- 
piant inspissari. tune storax^) calamita confita rubea et cozumbrum 
cum pistello calido optime trita ponantur in caldario semper 
agitando cum spatula donec liquefiant. ^) et postea addatur ter- 
bentina : et si probare volueris utrum coctum sit : pone aliquan- 
tulum supra marmor: et si statim ad modum meilis se coagulaverit*"): 
caldario mox ') in terra posito addatur mirra cum bdelio, deinde 
mastix et olibanum. postea costum anacardum agaricum coralli 
yreos opium folium melissa. omnia simul pistata et pulverisata 
*)in caldario mittantur : ''') et hoc totum supra marmor inunctum 
prius oleo laurino ponatur : et cum pulvere aloes ') malaxetur 
simul crocum cum speciebus terunt : et ad ultimum cum croco 
orientali ^) magdaliones informentur. detur')^) in modum avel- 
lane*^) cum vino calido. 



PAncristum antidotum '^) '*) id est totum cristi id est fol. 26 r. 
crismate unctus. '^) typice febrientibus datum cum 
mulsa mirabiliter subvenit. cum ydromelle distempe- 
rato '^) (fol. 26 V.) sine mora menstrua provocat .vi. fol. 26 v. 
pars est libra .i. Recipe opii thebaici .3.vi. '*) zuchari. '^) 5.ii. et 
/S.i. et .8. siselei .3.11. calami aromatici castorei carpobalsami 
cardamomi petroselini an .3.!. et .3.i. zinziberis casie serapini 
piperis '*') albi '*') iusquiami seminis lini '^) seminis rute agrestis 
maratri "^) an .3.9.ii. '^) anacardi '^) piretri meu euforbii anisi 



i) ontbreekt in F,, — 2) Fj voegt toe: jusque il soient remis. — 3) Fj geeft 
geen hoeveelheid op, — • 4) van hier tot 5) ontbreekt in F,. — 5) zie 4). — 6) in 
Fj volgt: cuit est. — 7) tot 8) ontbreekt in Fj. — 8) zie 7). — 9) in Fjnog:au 
matin. — 10) L^ heeft voor hetgeen hier tot 12) staat: pan, id est totum, christon, 
id est bonum; voor de verg. met Fj zie woordenlijst. — 11) Tot ^t- bij NM anders ; 
hij verwijst voor de indicaties naar een ander recept, waarvan de voorrede veel uit- 
gebreider is dan deze. — 12) zie 10). — 13) !• distemperatum, als in L2' — '4)^2 
en NM: .5.V. — 15) L., heeft in de plaats daarvan croci, evenals NM. — 16) ont- 
breekt bij NM. — 17) NM: apii. — 18) L^ en NM alleen: .9.ii. — 19) Lj en 
NM: nardi. 

8 



fol. 16 V. b. 



114 



fol. 16 V. l 

78. 

scotomie 
mage 
lichaew 
lev^re 



^ 



Otio muscata maior heet men na muskeliaet o;«- 
dat es pencoser ') hoven alle speciew. Hets goet 
iegew hertevel. ende iegen scotomie. ende iegen cranc- 
heit \/a.nóer magew. ende verlicht al den lichame. 
ende es goet iege« alle derew \a.nder leveren, dat 
.3. deel es .i.ft'. ^ Newt spice. folie, lancpeper. gingeb^re. zede- 
waer. cojtüteru. ^) ^r^wfite muscate. gariofili. sillo. aloes ^). rosew. 
wiolarum. anacardi. acori. corael. coste. lovessce. notewmuscatew. 
scavelinge van yvore. perlen met gaien ende sond^r gate«. anto- 
fali. amomi. rebarbe. ossis de corde cervi. soffraew. wit ^eper. 
ossium dactillo;'?/;«. bellirici. marini. spodii. sandali wit ende root. 
macis. ricolissie. canele. alipte. anijs, dragant. bacce bisance^) 
cardamomi. saet van ser^enünen. limatwre auri ende argenti. 
dat sijn scumew van goude ende van zelv^re. ende oec heet me«t 
litargiru;«. elcs .1.5. musci. canier. amber, elcs .1.9. suk<fr. can- 
dijt. elcs .2.3. Cyroop rosaet dats gnouch si. Men saelt gevew 
nuchters ende navens ende te middage iegew crawcheit van ogen 
enen lepel vol met wine. Y.nde iegew zïecheit in de longere sal- 
me«t gevew met sconew wat<?re. 



i) 1. precioser. — 2) 1. confite rubee. — 3) 1. silloaloes. — 4) 1. blacte bisantie 



trifolii acuti *) dauci cretici an .9.1. et .8. mei ^) quod sufticit. fol. 26. v, 
datur in modum avellane ^) in sero cum vino calido. 



P 



Pigra Galieni*). fol. 26 v. 

76- ~^ ^Igra Galieni •'^) "^). pigra id est amara. Galieni ab inven- 

tore dicitur. ^) valet mirabiliter ad omnem '°) capitis 

frigiditatem: et stomaci indigestionem^) procurat ^). vo- 

mitum stringit. frigiditati matricis subvenit^). concep- 

tionem adiuvat: detur in balneo si fieri potest : vel eunti dor- 

mitum cum vino calido .vii. est libra .1,^) Recipe aloes optimi **^) 

.3.xiii. '^) et .8. cinnamomi nardi costi croci squinanti silobalsami 

casiefistule masticis asari rosarum amomi absinthii ^'^) aiï .3.!. et 

.gr.vii. mei quod sufficit. '^) datur ut supra diximus. 



P 



Cardiacis quoque '*) solet potio muscata iuvare '■'). fol. 26 v. 

yj. ""W ^Otio muscata"') maior. muscata a musco dicitur: eo 
quod muscus preciosior est et odorosior sit aliis spe- 
ciebus. ") valet cardiacis scotomaticis et ad omnem 
stomaci debilitatem et corporis confortationem '^): et 
ad vitia pulmonis. '^) pars .iii. confecta est librae .ii.-°) Recipe 
spice optime -') piperis longi zinziberis zedoarie (fol. 27 r.) ^) fol. 27 r. 
confite rubee confite muscate^) gariofilorum ^^) xiloaloes^^) ro- 
sarum violarum anacardi acori coralli costi levistici nucis mus- 
cate rasure eboris margaritarum integrarum et perforatarum an- 
tofali '") reubarbari ^^) amomi ossis de corde cervi ^^) croci piperis 



l) acuti ontbreekt bij NM. — 2) NM voegt toe: aut sacchari. — 3) het volgende 
ontbreekt bij NM. — 4) alleen in Lj. — 5) Deze naam ontbreekt in Ljj tot 6) 
ontbreekt in Fj. — 6) zie 5). — 7) Lj heeft: digestionem provocat. — 8) tot 9) 
ontbreekt in Fj. — 9) zie 8). — 10) ontbreekt in F,. — 11) L.j en Fj : .s.xiiii. — 

12) in Fj worden geen hoeveelheden opgegeven daar volgt nu: miei soffeisant. — 

13) van hier af tot het eind ontbreekt in Fj; daar staat nu, wat in L, vóór [^^ staat : 
Soit doné en bain ou quant il se vait jesir (se coucher) ou (avec) vin chaut. — 

14) Lj: quae. — 15) alleen in L| en L2. — 16) voor de verg. met NM zie woor- 
denlijst. — 17) van 16) af ontbreekt in Fj. — 18) et corp. confort. ontbreekt in 
Fj. — 19) tot 5" ontbreekt in F,. — 20) zie noot 19); Lj : if.i. — 21) optime 
ontbreekt in L2 en F, ; na spice volgt nog in beiden : folii. — 22) in Fj na gar. : 
ana .5.ii. — 23) in F, : fut de basmier. — 24) in Fj volgt na reub. : ana .5.1. 
et .8.. — 25) in F] volgt nu: ana .3.!. 



fol. i6 V. b. 



ii6 



la«cevel 






79. ^^"^ illulen vaN aloes vaN mastike. Ne;;?/ aloes.i.S.^. 

ogen ^'■^^^ mastic .2.5. nagle;^. rosen. elx .2.3. soffraew. dya- 

grid'n ,i.9. Men saelt ^ö;/ficiere;^ me^ ve;ïkelsope. 
Dese pillulen claren die ogen. et purgant stomachum 
secure ')• 



80. ^^"^ illule sine quibus esse nolo es goet iege;? cata- 

ogen ^^B^^w '"acte;^ vande;z ogen. ende purgiert thooft va;^ fleu- 

^°°^* I ^-^ me;;, ende va« coleren. etide van melawcoliew. En^^ 

wacht die oge« van hu;;/ore«. ende es goet iegew 
dla;^c evel. ende sacht die pine vande;/ ore«. Dmid- 
delste deel es .3.^. ^ Ne;/«t aloes .1.^. ende .5.5. wel gewegen. 
mirabolani. citrini. kebuli. emblici. indi. bellirici. rebarbe. mastic. 
rosé;/, violette;/, senie. agaricz/i-. cuscute. of vinaria. &\yi .\ .'^. ende 
tempert met venkelsope ende met scamoneye;/ gepulv^rt .6.3. 
ende .i.S. ende dat geduw^/ dore .1. line;/ cleet eiide gemiwct 
metten vorseide;/ specie;/. Da;/ suldijt formeren m^/ uwe;/ ha«de« 
gesmeert m^/* olye« va« violette^, of met gemeind^r olyen. Me« 
saels geve;/ .11. of .13. ende men geefse met eyerew te nuttene. 



1) door eene andere hand in het HS geschreven. 



albi ossium dactilorum beliculi ') marini ') spodii sandali albi et fol. 27 r. 
rubei macis -) liquiricie cinnamomi aliptc ') anisi draganti blacte ') 
bisantie ') cardamomi ozimi ') seminis basilice^) limature auri et 
argenti omnium^) xP) aïï .L^).ii.^) musci camphore ambre omnium ') 
trium ') ail .^.i. "') zuchari candi aiï .5-ii- 'O syrupus rosatus quod 
SLifficit. datur') mane et meridie et sero*^) scotomaticis et debi- 
litatis^) coclearium unum cum vino. patientibus in pulmone cum 
aqua ordea. 



P 



Ilulae '") de aloë et mastice. Recipe aloes unc .i. mas- 
ticis unc .8. gariofilorum, rosarum rubearum, aiï dra. 
.i. croci, diagridii, an scrup .ii. confice cum succo 
foeniculi vel absinthii. 



i liUlC 3 

P 



Pilule sine quibus "). fol. 27 r. 

2'8. "W — pilule sine quibus esse nolo '^). pilule a rotunditate dicte. 

sine quibus esse nolo : propter summam efficaciam 

quam habent. sive quia superiores purgant humores. '^) 

valent proprie ad cataractas ') et obscuritates et cali- 

gines ^) oculorum. caput mirabiliter a colera flegma '*) et malitia '^) 

purgant. ab omnibus pravis humoribus visum custodiunt. iliosis 

mirabiliter conferunt. aurium dolorem sanant. in sero .x. vel 

.xiii. '^) sumantur cum ovo vel farinata'^). medietas est .^.iü. '^) 

Recipe aloes epatici abluti et odoriferi '^) .5.xiiii. mirobalanorum 

citrinorum kebulorum belliricorum emblicorum^) indorum reu- 

barbari masticis absinthii rosarum violarum sene agarici cuscute^) 

aiï .3.1.^°) temperentur cum (fol. 27 v.) succo feniculi scamonee foi. 27 v. 

bene trite et pulverisate -S.vi. et .8.^') admisceantur ita tantum 



i) ontbreekt in f',. — 2) Fj heeftin plaats macis: lignum aloes. — 3) ontbreekt 
in Lj. — 4) F, : 5.ii. — 5) L2 : .9.ii. ; F, g.i. — 6) L.j heeft in plaats an .5.ii. : ana- 
cardi. — 7) tot 8) ontbreekt in F,. — 8) zie 7). — 9) ontbreekt in F,. — 10) dit 
recept is uit Lj overgenomen 5 zie woordenlijst. — 11) alleen in I^|. — 12) voor 
de verg. met NM zie woordenlijst; tot 13) ontbreekt in F,. — ■ 13) van hier tot 
18) heeft F, sterk verkort. — 14) 1. flegmate. — 15) L2: melancholia. — 16) Lj: 
xiiii. — • 17) 1. farina, zooals in L,. — 18) Lji ó-iü. ; zie 13). — 19) F, alleen: 
aloes bien lavé. — 20) Fi : 5.ii. — 21) van hier af korter in F,; volgens deze 
text geeft men 9 of 1 1 van deze pillen „faites a quantité de poivre." 



fol. i6 V. b. 
fol. 17 r. a. 



118 



«I. 

hooft 
fol. 17 r. a. 
oge« 
wint 
mage 
darme 



^ 



illule auree om die redene vandéT rooth^üV heet 
ment pillule auree. ende heeft sinen name va«de« 
goude. Het (fol. 17 r. a.) purger^/ thooft. entie 
ogeti. ende scarpet dHcht van de« ogew. En<a?(? ver- 
drijft de« wi«t vandéT magew ende van den darmew. 
dmiddelste deel es .2.^. ^ Ne^«t aloes. dyagridii elx .5.^. ende 
.i.S. sofifraew. int<?rioris. elcs .1.3. Men saelt formeren also gr^et 
alse erwetew m,et watére daarin gesodew es dragawt. Me« salre 
geven .11. of .9. vaet mulsa of vaet wine. 



82. 

juchtech^// 
ogen 
tanden 
coude pisse 



® 



illule dyacastoree die hebbew hare« name na be- 
vt'rcul owdat mewt da^-rin doet. Hets goet iegew 
j uchtech<?/A ende in oudew passiew die van ziechei- 
dew comew .2. of .3. getemj>ert met wermen wat<?re 
ende in dett nese gedaew bi enen viere averecht 
liggende, ende derna. gewent entiew mo«t geope«t. entie fleume 
ute« tnowde gelaten lopew. Dit suvert die ogen. ende drog<?/. ende 
betert die zere tanden, ende sceedt die coude pisse die van cou- 
den hu;«ore/z cowt ende van reumew. Terddendeel es onder .S-o- 
^ Nemt castorie dats bev^'rcul. opii. sofifraew. gingebere. pertrec. 
euforbii. elatterii. mabathemi '). leucopipms. bolle, stafisagrie. 
epithimi. spice. elcs .1.5. Men saelt vergadren mei sope van 
vleesce. ende formerent dan in die gr^ete va« erwetew. 



i) 1. nabathematicon. 



ii9 

quod pulvis scamonee per pannum cum ipso succo sit expressus. fol. 27 v. 
et sit tanta succi quantitas que sufficiat ad confectionem pilula- 
rum : et manibus primo inunctis oleo violarum vel communi se- 
cundum nostram doctrinam abluti formentur in modum ciceris. 



1 JIUIC <x 

p 



Pilule auree '). fol. 27 v. 

79. ""W "pilule auree. ^) pilule a rotonditate dicte. auree ab ex- 

cellentia auri dicuntur. sicut enim aurum inter cetera 

metalla preciosius habetur : sic pilule iste inter alias 

meliores approbantur. proprie ^) purgant caput. lu- 

men oculorum acuunt. ventositatem stomaci et intestinorum ex- 

pellunt et sine molestia purgant. *) medietas est librae .ii. et 

.^.ii. •'*) Recipe aloes diagridii an .g.v. rosarum apii seminis an 

.^.ii. et .8. anisi seminis feniculi aiï .^M. et .8. *') croci coloquin- 

tide interioris ^) masticis ') aiï .5.1. informentur in modum ciceris '^j 

cum aqua infusionis draganti. dentur in sero .ix. vel .xi.^) cum 

mulsa: aut cum vino. 



P 



Pilule diacastoree prosunt paralisi '*^) ''). fol. 27 v. 

80. ^IT — ^ïlule diacastoree") a castoreo dicte sunt : quod intrat. ''■^) 

paraliticis mirabiliter prosunt. una vel tres '^) distem- 

perate cum aqua calida naribus iniciantur. '^) ita ut 

supinus ipse patiens iaceat iuxta ignem parvum '^) 

aliquantulum vertat se : et ore aperto sinat flegma exire. oculos 

mundificant et dentes lapsos (fol. 28 r.) confirmant "^). strangui- fol. 28 r, 

riam curant. dolorem cilii ex aliquo frigido reumate solvunt .iii. 

pars est libra .i. et .8.'') Recipe castorei apii '*^) croci zinziberis 

piretri euforbii elacterii nabatematicon ') leucopiperis nigelle stafi- 



i) alleen in Lj. — 2) ontbreekt in L.2; voor de verg. met NM zie woordenlijst; 
tot 3) ontbreekt in ï",. — 3) zie 2). — 4) zie 5). — 5) van 4) af ontbreekt in F,; 
in L.2: ,5ii- ^t .5.ii. in plaats van icii. et g.ii. — 6) Lj en Fj : g.i. et .8. — 7) ont- 
breekt in F,. — 8) Fj : poivre; het volgende ontbreekt in F",. — 9) in de LTGl staat : 
dantur xv vel xx. — 10) in Lj in de marge genoteerd. — 11) voor de verg. met 
NM zie woordenlijst; tot 12) ontbreekt in Fj. — 12) zie 11). — 13) una v. tres ont- 
breekt in Fj. — 14) narib. inic. ontbreekt in Fj. — 15) iuxt. ign. parv. ontbreekt 
in Fj. — 16) tot Recipe ontbreekt in F,; in de plaats daarvan: et tolent les dolors 
de fleume. — 17) L.j: ^.i.S. — 18) 1. opii, zooals in L2, MT, Fj. 



fol. 17 r. a. 120 



83. ^^-"V illule eptomERe ^) es va« .8. speciew. hel purgiert 

huworew ^^B^^w dicke humoren va« den hoofde, ende claert die 

°sen B ^"""^ ogew ende verweert cataracten. Die paertie es.i.g. 

^tMÊ^m^^ ^ Ne;«t aloes. dyagridii .2.3. interioris. epithimi. 

stici'-). agaricus. mastic. rebarbe. alsene. elcs .1.5. 

Dese suldi pulveren ende vergadren meiten sope van der nacht- 

scadew. ILnde da« formerewse in die gr<?te van erweten. Ende 

gevewre .9. of .11. nuchters ende te vespertide met wine. 



Ê 



84. ^ ^^""^ illule es van .5. dinge;/ of van .5. manierew van 
mirabolanew. ^ Nemt alle die mirabolanew. agaricus. 
dyagridii. march van der coloq?/mtide. senie. elcs. 
onder .8.3. epithimi. anijs, turbith. mastic. vewkel- 
saet. lapis lasuli. elx .2.3. ejtde .i.S. ende .5. gra- 
nen, aloes. citrini. elx .1.8.3. Men saelt v^^gadrew met sope van 
venkele. of mei sope van alsenew. 



i) 1. octomere, zooals in I.j. — 2) 1. cretici? 



121 

sagrie epithimi ellebori ') albi ') spice an .3.1. Confice cum succo fol- 28 r. 
bete et informa in modiim ciceris'-^). 

Pllule artetice ^) valent contra arteticam et podagram. fol. 28 r. 
Recipe hermodactili turbiti agarici aiï .3.iiii. casie 
lignee *) gariofilorum xilobalsami carpobalsami ■'^) zin- 
ziberis masticis ^) feniculi anisi salsifrage ^) semen 
sparagi bruxi rosé granorum solis sal gemme an .3.8.^) aloes ad 
pondus omnium. Conficitur cum succo '*) feniculi '"). 



Pilile optomere "). fol. 28 r. 

82. '^ — pllule optomere^) id est de .viii. speciebus. humores spis- 

sos de capite deponunt: et visum clarificant: et cata- 

ractas oculorum prohibent. Recipe aloes diagridii an 

.3.1. '^) coloquintide interioris epithimi dauci cretici 

masticis agarici kebulorum absinthii omnium .vii. an .3.1. teran- 

tur et cum succo stringni '^) distemperentur et in modum ciceris 

formentur. dentur ex eis .viiii. mane vel vespere cum vino. 



p 



p 



84. "^ — pllule de quinque generibus mirabolanorum '*). Recipe fol- 2i 
mirabolanorum citrinorum chebulorum beliricorum 
emblicorum indorum agarici dyagridii coloquintide 
sene anisi '^) an .^.S. "^) turbit anisi maratri '^) masti- 
cis lapidis lazuli '^) aiï .3.ii. et .8. et grana .vi. ^^) aloes .^.i.^'^) 
fiant pilule. valent^') arteticis podagricis spleneticis: et ad visum 
clarificandum. coleram purgant adustam. 

i) ontbreekt in L^ en F|. — 2) Fj : poivre. — 3) voor de verg. met Fj en NM 
zie woordenlijst. — 4) in L2 volgt nardi. — 5) in L2 volgen nu macis, galang. — 
6; in L2 volgt: asae foetidae. — 7) 1. saxifrage. — 8) Lj'. 5.11. ; daarop volgt : scam- 
monee 5.1. — 9) ontbreekt in Lj. — 10) in 1-2 volgt nog: vel ivae. — 11) alleen 
in L|. — 12) 1-2: ö-ü. — 13) !• strigni; in L2 staat hierbij in de marge „foeniculi" 
aangeteekend. — 14) voor de vergelijking met F| zie woordenlijst. — 15) ontbreekt 
in L2 en NM; staat hier waarschijnlijk te veel; zie 2de woord na .5.8. — 16) NM: 
.5.ii.9.i.S.; hierop volgt epithymi daarna turbit enz. — 17) ontbreekt bij NM. — 
18) NM : litzi id est viridi. — 19) L2: gi'.v. ; NM: .5.1. et gr.xvi.; dan volgt rhei 
barbari. exag. i. — 20) NM : 3.S. ; dan volgt: succi foenic. q.s. — 21) bij NM wor- 
den zij gebruikt ad stomachicos melancholicos, lienosos, inflatos, ad duritiem viscerum; 
dantur pro viribus IX — XV. 



fol 17 r. a. b. 122 



3? 



85. ^""^^ illule stipticie es goet iege« alle menisoew. ^ Newt 

memsoew ^^H^^^ mirtilli. balaustie. psiedie, senie. simphiti. drake«- 

bloet. boli. achacie. ypoqw/stidos. rosen. tartari. 

sumac. galie. muscate. sofifraew. galigaew. canele. 

spodii. macis. go;«me va« arabie//. elx .1.3. opii. 

fol. 17 r. b. tebaici .1.8.3. ^^n saelt tempern (fol. 17 r. b.) met sope va« 

mirtwj ende van lovesscew. ende formerent dan 'vi die grote va;z 

erwete7^ En*^^ geve«re .9. of ,11. met rosewattre of met regew- 

wat^re. 



86. ^^"^W illule regis claert die ogew. ende drog^/ lopende 

ogen ^"^B^^^w o""^"' H Ne;«t calami aromatici. cubebew. note«mus- 

o'"^^ I ^-^ catew. macis. spice. soffraew. ligni aloes. epithimi. 

^itMLm^gg carpobalsami. squinanti. mastic. asari. gariofili. elcs 

.1.3. alle mawierew vandew mirabolanew. .1.3. senie 

.1.9. aloë also vele alse alle d^rand^re speciew gewegen. ^ Men 

saelt v^rgadren met sope vandor balsamitew of va« venkele. Knde 

wilme/it make« lacserende. so salm^r toedoew scamoneye ende 

olye va« bayen. 



123 

Ad ventris fluxum faciunt hae pilule multum '). fol. 28 r. 

3^. "W — pilule probate contra fluxum ventris^) maxime lienteriam 
et disinteriam •''). Recipe mirtili balaustiarum psidie*) 
simphiti^) sanguinis draconis boli acacie ^) ypoquis- 
tidos rosarum ^) tartari sumac ^) trocisci *) galie *) mus- 
cate*) galle cinnamomi spodii masticis^) gummi (fol. 28 v.) ara- fol, 28 v. 
bici an .3.i. opii thebaici *) .3.8. cum succo cimarum mirti lentisci 
tempera: et fac pilulas in modum orobi. dentur .ix. vel .xi. cum 
aqua rosarum vel pluviali. 



P 



P 



85. W 'pilule cinoglosse^) multum sunt utiles ad acre et tenue fol. 28 v. 
reuma, plurimos enim scio quamvis longo tempore 
reumatizantes his subsceptis proculdubio esse cura- 
tos. Recipe cinoglosse opii seminis iusquiami- omnium 
trium an .3.iiii. mirre trocliten '^) .3.vi. olibani .3.V. gariofilorum 
.3.ii. cinnamomi .3.ii. et cor. cubri '') .3.11. temperentur cum ro- 
dostomate idest cum aqua rosarum : et formentur pilule ad mo- 
dum ciceris ex quibus dentur .v. vel .vii. eunti dormitum. 



i) alleen in L,. — 2) ook F, noemt ze stiptice, evenals Luminare maius ; voor 
de vergelijking met NM zie woordenlijst. — 3) F, heeft nog: et a tot flus de 
ventre. — 4) ontbreekt in Fj. — 5) F,: jus de prunelles; zie acacia in de woor- 
denlijst. — 6) F, : ros marin in plaats rosarum. — 7) L.2 en F, hebben na sumac 
nog : croci. — 8) Fj heeft in plaats masticis : flor de noiz muscade. — 9) Deze 
pillen komen niet in F, voor; de P. cynogloss. van NM verschillen nog alwat 
van deze; NM beveelt ze „ad dolorem dentium" aan. — 10) 1. trogloditice. — 
1 1) 1. corumbri. 



fol. 17 r. b. 124 



^ 



87. ^^""V illule ante cibuM. Ne;//t ligni aloes. naglen. galigae//. 

notewmuscaten. spijc. cardamomi. cubebew. gingc- 
bere. canele. sofifrae;/. zedeware. elx evewvele. rc- 
barben also vele alse der andere speciën sijn. e?i(/i- 
also vele aloes alse rebarben. dese suldi pöedre// 
dats pulveren, ende v^rgadrew mei goedew witten wine. efu/c- 
formerewt also groet alse pepercoorne. 



125 

16. ^^"^^Ilule ante cibum'): et post cibum ad digestionem con- fol. 28 v. 

fortandum et virtutem digestivam. Recipe cinnamomi 

gariofilorum galange nucis muscate macis zinziberis 

cardamomi xiloaloes storacis calamite an .^.i. reubar- 

bari ad pondus omnium supradictorum aloes ad pondus omnium 

supradictorum. Confice cum vino. sumantur ante cibum .vii. et 

post cibum .v. 



P 



P 



87. ^W—^^Ilule arabice ') contra omnem dolorem capitis. etsi per fol. 29 r. 
c. annos duraverint. purgant mirabiliter omnes humo- 
res: et generant leticiam : et auferunt tristiciam. men- 
tem acuunt. visum reddunt. auditum restaurant, me- 
moriam tribuunt. scotomiam vertiginem emigraneam oculos dentes 
gingivas stomacum splenem sonitum aurium omnibus humoribus: 
etatibus: omnibus temporibus sine molestia in viris et mulieribus 
purgant. Recipe aloes .^.iiii. brionie mirobalanorum citrinorum 
belliricorum indorum kebulorum emblicorum masticis diagridii 
asari rosé an .^.i. Confice cum succo feniculi : vel absintii croci 
.3.1. castorei -ö-iii. 



P 



Ilule de elacterio '). Recipe aloes .^.ii. masticis .^.i. fol. 29 r. 
elacterii .^.iii. Conficitur cum succo siccidis vel cum 
succo accis-) vel como'): et da .iii. vel .v. suaviter 
ducunt: et principaliter malitiam^) et flegma pur- 



gant sive coleram rubeam. 



P 



gg ""W — ^ Ilule cotie'^). G. '') probate ad emigraneum dolorem sto- fo]. 29 r. 
maci et ilium ''). Recipe aloes absintii pulpe colo- 
quintide scamonee equale pondus: masticis dimidium 
unius predictorum. Confice cum succo feniculi vel 

absintii vel solatri : et fac pilulas. dentur secundum quantitatem 

virtutis. 



i) Deze pillen ontbreken in F, en NM. — 2) 1. actis zie woordenlijst. — 3)1^: 
chamaeactis. — 4) Lj- nielancholiam. — 5) deze pillen komen niet in F, voor; de 
P. cochiae van NM zijn geheel anders dan deze. — 6) Lj : Galeni. — 7) 1. ilii. 



fol. 17 r. b. 



126 



88. 

hyge« 

rotele// 

pantysen 

adem 

reume 

mage 

lendenen 



Uadrimeron es also vele geseit alse van .4. speciën. 
Het es he« goet die hygen. ende rotelen. ende pan- 
tysen. entie corttew adem hebbew. ende iegew reume. 
Hets oec goet iegew coude mage. ende iegew pine 
in de mage. ende doet wel v^rtere«. \\et es goet 
jegew cra?/ke lendenew ende v^rlichtse. Dat .lo.ste deel es .i.ïj?. 
^ Newzt elempinii ') .i.§. ende .3.5. venkels .11.3. ^^Qper .6.3. 
comijn .3.3. Y.ïïde zeem dats gnouch si. Me« saelt gevew nuch- 
ters ende navews met wermen wine. 




89. 



walge// 

dorst 

swelew 




OSata novella. heeft sine« name na nuwe rosen. 
que recipibat tibapirum Het verdrijft walgew ende 
keerew vandor mager ende crawcheit. Rnde benemt 
dorst genomer met watere van cawdite. ende dat 
bedwing^/ sweter ende opert de gatew va.nder huut. 
Dat .lo.ste deel es .2M. % Nemt rosen. suk^r. ricolissie elcs .1.^. 
ende .13.3. ende .i.S. canele .3.3. ende .2. granen, nagle. gali- 
gaew. naerdi. gingebere. storax, notemuscatew. zedeware. car- 
damomi. apie. elcs .1.9. ende .8. granen, zeem dats gnouch si. 
Men saelt gever nuchtens ende te middage met couden watre. 



i) 1. elempnii. 



127 

90* Ilule fetide '). Recipe mirabolanorum citrinorum che- fol. 29 r. 

bulorum beliricorum indorum emblicorum dyagridii 
agarici spice coloquintide an .3.V. aloes epatici .3,vii. 
terantur et cum succo fumiterre informentur pilule 
ad modum ciceris. 

91. Ilule de fumoterre '). Recipe mirabolanorum citrinorum fol. 29 r. 

chebulorum indorum emblicorum aiï .5.V. (fol. 29 v.) fol. 29 v. 
aloes .5.vii. dyagridii .5.V. conficiantur cum succo 
feniculi. 

Vadrumeron^) "^j id est de quatuor numeris: vel .iiii. fol. 29 v. 
rebus ^) expertum est ad asmaticos et ex catarro 
tussientibus. valet etiam ad dolorem*) et frigiditatem 
stomachi. digestionem *) procurat^). renes debiles 
relevat .ix. pars est libra .i. ^) Recipe elempnii 
.^.i.S.5.iii. *^) seminis maratri .^.i. piperis -ó.vi. cumini .5.iii. ^) mei 
quod. sufficit datur mane vel vespere cum vino calido *). 




R 



93- '^ ^ Osata novella. ^) rosata dicitur a rosis: novella respectu fol. 29 v. 

veteris, que recipiebat tibar id est sulfur vivum. 

vomitum et subversionem stomaci aufert. debilita- 

tem et sitim reprimit. defectis ex longa infirmitate 

mire subvenit. sudores diaforeticos compescit .xx. pars est 

librae .ii. Recipe rose^) zuchari '°) liquiricie an .^.i. et .^A. et 

.9,ii. et .8.") cinamomi .5.11. et .9.ii.gr.ii. ''•^) gariofilorum nardi 

zinziberis galange nucis muscate zedoarie storacis cardamomi 

apii an .9.i. et .gr.viii. '^) mei '^) quod sufficit'^) datur mane 

meridie et sero^) cum frigida. 



l) Deze pillen alleen in Lp — 2) tot 3) ontbreekt in Fj. — 3) zie 2). — 4) ont- 
breekt in F|. — 5) .ix. prs. e. "tg.i. ontbreekt in Fj. — 6) F, : ,5.i.S.3.iiii.; L„: 
5.i.S.5.ii. — 7) F, : ^.iii. — 8) Tot 9- i° ^i s° NM anders. — 9) NM : ros. viri- 
dium. — 10) ontbreekt bij NM. — ii) bij NM: g.i. et 3.ii.S.; in Fj alleen: g.i. 
et .S. — 12) bij NM : .5.11. 3.ii.; in F, alleen: g.ii. — 13) in F, alleen: an 5.1. — 
14) bij NM nog: aut sacchari. — 15) het volgende ontbreekt bij NM. — 16) voor 
de verg. met NM zie woordenlijst. 



fol. 17 r. b. 
fol. 17 V. a. 

90. 
fol. 17 V. a. 
melawcolye 
hoeste// 
higew 
mage 
juchtech 
lowgene 
borst 
hertte 
spuwe« 
me«isoe« 
rede 



91. 



rede 
reume 




128 



OSata magna. es geproeft ane menigew mensce die 
vol mela;/colyen was. (fol. 17 v. a.) ende out van 
dagew entie hoeste« entie hygew. entie quaet ter 
mage« warew. ende juchtech. entie pine haddew in 
die longene. En^^ die de borst verstopt haddew. 

eiide dat h^rtevel. entie etter spuwedew. Knde die dat rode me- 

«isoe« haddew. ende den dagelikew corts ejtde den .4. dach corts. 

Dese genasen alle hierm^/ sond^r twivel. ^ Nemt soffraen. opii. 

elcs .13.3. canele. cassie iistule. euforbium. bev^rcul. mirre, mas- 

tic. wierooc. corimbri. perXx&c. celtice. aristolo^zVz lanc. yrei. 

gentiane. pez/cedani. wit ^eper. anijs, beilde. dauci. cretici. sinoni. 

pers\]n. elcs .2.5. zeew dats gnouch si. Men saelt gevew also 

grotX. alse .1. haselnot temale. 

ubea trosiscata. rubea dats rode varwe. trosis es 
te verstane .1. ront é'mc datmew .1. dop heet. Hets 
goet iege« tertiane. ende cotidiane. ende iegew ge- 
m^wgden corts. ^ Men salse gewen .1. wile vor den 
acces met redostomate. of met wermen watere also 

groet alse .1. haselnot gesm^ret den nese binne;^ entew puls. 

het verleent gesontheit legen reume die van scarp^;' fleumew 

co;«t. Met tyseinew sal me«t geven. Dat .8,ste deel es .iM. 

% Nemt ricolissie. olycruut. canele. elcs .3.3. ende .5.8. ') ende .5. 

granen, soïïraen. rosen. beilde. apisaet. elcs .2.^. ende .1$. granen. 

naerdi. violetten. elcs .2.3. e^tde .8. granen, nagle. opii tebaici. 

storax, elcs .1.8.3. trosisci. ydiocri. mirre, anijs, elx .15. granen. 

Mei rosaet dats gnouch si. 




l) vergeten het gewicht in te vullen. 



129 



RVbea trociscata ') dicitur ab ipso colore : trociscata a fol. 29 v. 
trociscis: qui ibi ponuntur dicta. valet tercianariis 
quotidianariis ante horani accessionis data cum rodo- 
stomate ^) ad modum avellane. naribus et pulsibus^) 
de eadem inunctis sanitatem prestat. reumati ex acri flegmate 
facto data cum tipsana subvenit .viii. *) pars est libra .1. Recipe'^) 
Hquiricie cinamomi papaveris albi °) aiï .3.iii. et .9.i. et gr.v. 
croci iusquiami rosarum apii seminis aiï .g.ii. et .gr.xvi. ^) nardi 
violarum an .3.!. et .gr.viii. ^) gariofilorum storacis optime opii 
thebaici aiï .9.8.^) trocisci croci magnetis et ydiocri *'^) mirre anisi 
aiï .gr.xv. ") vel syrupi rosarum vel rodactilis '^) mei quod 
sufficit. 



i) Dit praeparaat komt in F, niet voor; tot 5) bij NM eenigszins anders. — 
2) NM voegt toe: aut decoct. sene. — 3) bij NM nog: et tempora. — 4) L^: Vila 
pars. — 5) zie i). — 6) bij NM nog: aut capit. papav. — 7) NM: -s.ii. et gr.xv.S.; 
Lj: 5.ii. et gr.xv.; van hier tot 8) ontbreekt bij NM. — 8) L2: 5.i. et gr.vii. — 
9) bij NM : aiï .3.8, — 10) bij NM volgt nu: aïï .s.xii. — 11) NM: 5.XV. ; tot 12) 
ontbreekt in L„. — 12) van hier af staat bij NM: Trita fermentescant c. melle attic. 
et signito pastillos datoque. 

9 



fol. 17 V. a. b. 130 

92. ^ ^^~ ^ equies heet me;/t o;//dat den ziekew raste Vé'rleent 
rede ■ ^ alsoot he« brinct sond^rlinge de;/gene« die accesse 

hebben m cotidiane^z ende 'm t^rtianew ende in .4. 

deii cortse m,?/ musa enea. ende in acutis. peracutis. 

dat .ó.ste deel es .i.'tÈ'. ^ Ne;«t rosew. violetten. elx 
.3.5. opii. beilde. miconis. wit olysaet. mandr^^gore. scariole. 
latuwe. porceleine. persïjn. sillii. note«m?/i-cate«. suk^r. canele. 
elx ondéT .8.5. sandali, wit. ende root. ende gelu. spodii. dragant. 
elx .1.5. ende .6. gr^new. ^ Men saelt geve/i die in continuen 
liggew mei cyrope violaet. ILnde in cortse die bi wile« come/z 
salment geve;/ mei mulsa of met zeeme. 




me«/soe« 



93. ^ ^^^ "^ odosaCRA. dats suk^r rosaet. Hets goet iegen pine 

fol. 17 V. h. V ^^ in die mage. en^*? (fol. 17 v. b.) jege// cra^cheit 

mage I ^^T die van hittew co7Ht. ende ^^«forteert die mage. 

^'"^ ^M^^ ^Ê Knde es goct iegew alle mewisoene die va« hittew 

\# comen. Men maket dus. ^ Newt suk^r .2.'tl'. bladen 

van v^rschew rosen die suldi lange sta;;/pe« in .1. mortier, dan 

doet.?r suker met. Daarna doet in .1. glasijn vat. ende sett^/ in 

die zo;me .30. dage. ende men sael wel ontvoeren smorgews ende 

te middage. ^nde na den .30. dagew suldijt doe;? in ene scotele. 

e7ide nemen aM. sukers .1. luttel gewreve;/. ende doet dat tote;z 

andre;;. ende mingel melten andren. ende dan bestad^/. 



R 



95- '^ ^ Equies magna. ') vel magna medicina, requies dicitur fol. 30 r. 
eo quod requiem patientibus prestat. et sompnum 
maxime typice febrientibus quotidianariis tertianariis 
quartanariis acutis et peracutis prestat .vi. pars est 
libra .i. Recipe rosarum et violarum an .3.iii.^) opii iusquiami 
miconis papaveris albi mandragore scariole lactuce seminis por- 
tulace psilii nucis muscate cinamomi et zuchari ^) an .^.i. et .8. 
sandali albi et rubei et citrini ^) spodii draganti an .9.ii. et .gr.v. *) 
da patientibus acutam cum syrupo violato: interpolate cum melle 
confectam dare possumus. datur quartanariis cum vino calido 
acutas et peracutas. et tertianariis cum aqua calida vel syrupo. 
requies est opiata quasi frigida. precipue valet ad sompnum in- 
ducendum ad modum castanee data. cum autem est data homi- 
nibus quasi sanis tempestive debent multum comedere vel cenare. 
et postea detur eunti dormitum quod si aliquis abhorret sumere 
distemperatur cum succo rosarum vel syrupo violato: et coletur 
et postea detur. lecet'') omnino non faciat effectum nam multum 
valet etiam sic data. Item attendendum est quod ex speciebus 
huius medicine syrupus factus bonus est ad sompnum provo- 
candum. scilicet ut species bulliant in aqua trite. et colentur et 
apposito zucharo fiat syrupus. Item in acutis quibuslibet potest 
dari ad sompnum inducendum. 



R 



9^- ~^ ^ Odozacara*^) id est zucharum rosatum. valet dolori sto- fol. 30 r. 

maci et debilitati facte ex calore. mirabiliter sto- 

macum confortat. valet etiam ad diariam: et omnem 

fluxum ventris ex calore factum. valet cardiacis: 

qui ex calore patiuntur. ^) fit autem sic in .ii. libris zuchari po- 

natur libra .i. viridium rosarum minutatim^) incisarum*') et in 



i) voorrede bij NM anders; voor de verg. met F| zie woordenlijst. — 2) L2: 
Q.iii. ; NM heeft van de rosen en violen evenveel als van de volgende simplicia. — 
3) ontbreekt bij NM. — 4) van hier af ontbreekt bij NM, in de plaats daarvan: 
sacch. 5.1. sach. et . stillatitii ros. q. s. Datur ubi volueris ex drosato violaceo et 
aqua hordei. — 5) 1. licet. — 6) voor de vergelijking met NM zie woordenlijst; 
van hier tot 7) in F, : vaut a dolor de ventrail de chalor. — 7) zie 6). — 8) ont- 
breekt in F,. — 9) NM: zingiberis. 



fol. 17 V. b. 



132 



94. 

longeie 
lichame 



uker violaet maect me« in al deser vorseid^r ma- 
nieren. Ende es goet ^) ende in de zidew. Entie droge 
ende verstopt sijn in den lichame. ^ Me« saelt ge vew 
met tyseinew smorgews ende te middage. Entie vas- 
ten lichame hebbew. genome;/ mei coudew dingew. 
wawt hel v^rscht ende lacseert mede. 




95. 

hooftsw^re 

ogen 

tantsw^re 

mage 

hoeste 

adem 

/lertte 




al saCERdotale. dat orbordew die papen 'm dien tijt 
dat ely de prophete was. Jege« den hooftsw^re. 
ende iegew die ogen ende iegen den tawtsw^re. ende 
iegen fleume in die mage, ende iege;z die hoeste. 
ende iegen cortew adem. ende maect in den mo«t 

goede» roke ende houdt dat /lertte gesont. % Men sal neme;z ge- 

meine olye. of olye van olyve« .16.^. canele .1.3. gingeb^re. 

amomi. piretri. comijn. amer. pe/>er. sileris. ysope. origani. coelne. 

elcs .i.§. dit suldi wel poedrew. ende stroyewt op al die spise 

diemew eet. 



96. 

hooftsw^re 

frenesie 

grtit evel 

ogen, oren 

tanden 

melc wivew 

hoeste 

walgew 

lev^re 

toicioew 

Moet arme« 

bee« 

slapew 

artetike 

qwarteine 



^"^ Otira magna verdrijft oude hooftswere ende sacht 
^^^^ frenesie, ende hulpt iegen tg;'öt evel. Hel sacht de 
V^^^% pine va« den ogen ende vandew ore«. ende vandew 
t^^-mm»^ tandew. En^^ doet sceedew melc vandew wive«. ende 
/ geneest die hige«. of pantysen ende hoeste. ende ge- 

neest walgew of keeren \/a.nder magew ende sweri;zge. En^^ wed^r- 
staet aposteme;/ binnen ane die lev^re. ende verdrijft torcioew. 
"Ende es hen goet genomew die bloet spuwen mei oximelle. of 
mei dicoctie;? daeritt gesoden es polyoew. of wegebrede. hel 
doet stre;;2me« ende wacht wan mewisoene. ende doet gesittew die 



l) waarschijnlijk vergeten: „jegen pine in die longere". 



133 

mortario postea diutissime terantur (fol. 30 v.) et in vase vitreo fol. 30 v. 
ad solem per .xxx. dies ponantur et mane ac sero bene agiten- 
tur. transactis vero .xxx. diebus') in terreo catino ponantur et ^) 
libra .1. zuchari modice '') triti super posita ') et manibus bene 
confecta in vase stricto reponantur. ^) datur mane et meridie cum 
rodostomate vel cum frigida. 



E 



07, V "^ Odem modo fit zucharum violatum : quod facit pleu- fol. 30 v. 
reticis peripleumonicis et ethicis et qui maxime ^) 
constipati sunt. datur istis cum tipsana*) mane et 
meridie ^)'^) cum frigida. pcctus humectat et ven- 
trem laxat. 



S 



lOi. /' — ^ Al sacerdotale ') quo utebantur sacerdotes in diebus f01,31 r. 
Helie prophete propter dolorem capitis et caliginem 
oculorum et (fol. 31 v.) stomaci et dentium dolorem. fol. 31 v. 
tussim et anelitum emendat. os odoratum reddit : et 
corpus humanum incolume servat. Recipe salis communis .^.xvi. 
cinamomi .^.üü. zinziberis amomi piretri cumini amei piperis 
sileris saturegie ysopi origani pulegii an .^.i. que omnia terendo 
in pulverem reddige : et in omni cibo utere et usui serva. 



S 



q8. /■ — ^ Otira magna ^) id est que interpretatur salvatrix. si cum fol. 30 v. 
mulsa bibatur capitis dolorem antiquum tollit. vete- 
rem vel silvestrem frenexim placat. epilenticis et me- 
lancolicis subvenit. oculorum aurium et dentium dolo- 
rem mirabiliter sanat. mulieris lac solvit: et per aurem iniectum 
auditum redit. cum tepida sumpta disnoicis asmaticis medetur. 
tussim antiquam et recentem tollit. stomacum vomentem et 



l) van hier tot 2) ontbreekt in F,. — 2) zie l). — 3) ontbreekt in Fj. — 4) van 
hier tot 5) ontbreekt in F,. — 5) zie 4). — 6) vóór cum frigida staat in F,: et a 
feivve ague. — 7) voor de vergelijking met F, en NM zie woordenlijst. — 8) voor 
de vergelijking met F, zie woordenlijst; bij NM komt van hier tot Recipe slechts 
vf-rkort voor. 



fol. 17 V. b. 134 

fol. 18 r. a. 

sw^re vanden darme;? binnen ende van de« beene;/. 'Ende die 
van pinew niet slapew en mogew. 'Knde geneest artetike van han- 
de« ende van voeten, ende beten van ojiaden dierew. Genomew 
vc\et mulsa helpt dien die q?/örteine hebben, dat .ó.ste deel es 
fol. 18 r. a. .i.K'. (fol. 18 r. a.) ^ Ne7«t storax optime .4.5, ende .i.S. opii 
.3.5. ende .i.S. mirre, coste pers\]n van alexander. cicelei. elx 
.3.5. sw^rt "peper .2.5. ejtde ond^r .8.9. canele. naerdi. elcs .2.3. 
ende .i.S.9. squinawti. sinevi. •) siriaci. anijs .1.9 re?/pontici onder 
.8.3. Some die liedew nenie« sofifraew .3.5. meu. yrei. elcs .1.3. 
cassie .1.9. Men saelt geven 'm die gr^te van haselnotew gemi«ct 
metten zeme. 




97. ^""^ tomaticUM frigidUM es goct iegen hitte, ende bc- 

dwinct dorst, ende helpt diew die crawc sijn van 

/lertten. het hulpt de« liedew die altoes in cortse 

liggen. ^ Nemt suk^r .iM. sandali wit ende root. 

onder .8. o- spodii. berberis, saet van porceleiney/. 

saet va« scariolcn. semew melonis. sap vaw ricolissien. rosen. 

violette;/. t;vmerbloeme«. elcs .1.3. suk^r suldi doew in .1. te«- 

neji vat met .1. ponde waters, ende siedew dat water tote dat 

bina versoden es. ende altoes roerew. Tekew dat gnouch si. drup- 

p(?t op .1. marbersteew met o\ye7i van rosen of van violette?/ 

besmeert. Knde gieter op dan die conïexie. ende snijtse dan 

dweers ende lancs in stuckew. ende bestedewt. Me;z saelt geve;/ 

smorge;/s ende te middage ende nave;/s met coude;/ di//ge;/. 



1) 1. siaonis. 



135 

de singultu et dolore laborantem sanat. peripleumoniam et pleu- fol. 30 v. 
resim et epatis tensiones deponit. yctericos ex abundantia felHs 
rubei purgat et ad pristinum colorem revocat. sanguinis sputum 
cum oximelle sumpta vel decoctione polligonie vel plantaginis 
sistit. fluxum ventris constringit. brachiorum et coxarutn dolorem 
sedat. et his qui pro dolore dormire non possunt mire sompnum 
inducit, arteticis sciaticis et podagricis necessario. datur ad ser- 
pentines morsus. cum mulsa propinata prodest quartanariis ex 
longa infirmitate patientibus si ea utantur .vi. pars est librae .ii. 
Recipe storacis optime .5.iiii. ') et .8. apii .5.iii. et .9.1. costi mirre'-^) 
opii petroselini macedonici an .5.iii. siseli .3.ii. et (fol. 31 r.) .9.ii. fol. 31 r. 
piperis nigri ^). 5.ii. et .3.i. et .8. cinamomi nardi an .3.ii. et .9.8. ^) 
squinanti synoni^) synaci*^) anisi an .3.ii. castorei .5.i. et .8. reu- 
pontici .3.i. et .9.1. trocisci croci magnetis^) asari an .3.!. 
piperis albi .9.ii. et .8. ydiocri .3.8. amomi piperis longi an.9.i.^) 
alii apponunt croci .3.ii. et .9.ii.^) mei quod sufficit. datur in 
modum avellane. 



S 



Qg_ g^ -y Tomaticon frigidum facimus: quod valet contra omnem fol. 31 r. 

calorem. sitim reprimit '") : et patientibus debilitatem 

ex nimio calore potenter subvenit. ") acutis et pera- 

cutis'-) mirifice prodest. Recipe zuchari libram .i.^^) 

sandali albi et rubei aiï .3.i. et .8. spodii berberis '^) seminis por- 

tulace scariole seminis melonis '^) palestini ''^) •*) succi ^^) liquiritie 

rosarum et violarum nenufaris aiï .3.i. '^) conficitur sic: supradictum 

zucharum ponatur in stagnato cum libra .i. aque rosarum et 

tamdiu bulliat cum spatula agitando donec ad aque consumptio- 

nem deveniat. deinde pulvis predictarum specierum bene '•^) cri- 



l) 1.2 ■- ö-i. — 2) L„: myiobalanorum. — 3) NM heeft: longi ; waarschijnlijk foutief, 
daar pip. long. ook aan het eind van het recept bij NM voorkomt. — 4) L2 : .5.ii.S. 
in plaats ó.ii. et .9.S. — 5) ontbreekt in Lj en NM. — 6) 1. syriaci. — 7) NM 
heeft in de plaats van tr. er. magn. alleen: croci. — 8) tot 9) ontbreekt bij NM 
in de plaats daarvan; Mei. iridis. aiï .g.i. Casiae ligneae .9.ii. — 9) zie 8). — 
10) sitim repr. ontbreekt bij NM; tot ll) ontbreekt in F, en NM. — ll)zieio). — 
12) ontbreekt in F,. — 13) Sach. ÜT.i. ontbreekt bij NM. — 14) melonis palestini is 
waarschijnlijk verkeerd voor meilis palestini; ontbreekt bij NM. — 15) van hier tot 
het eind zeer verkort bij NM. , 



fol. i8 r. a. b. 



136 



98. 



magen 
lanke» 




99. 

keerew 
apostemew 
cliere« 
vloet va« 
bloede 
fol. i8 r. b. 



tomaticUM calidUM ^(?«forteert die mage. ende doet 
wel d'xger&rQH. Hets goet iegew pine m die lankew 
die vaw coudew hu;«ore« comew. % Ne;«t suk^r. ende 
•wdiier. elx .i.l^. canele. gingeb^-re. elx .2.5. nagle. 
galigae??. elx .1.3. ligni alocs. notewmuscatew. spijc. 
cardamomum. macis. elx .i.S.3. En^f^ zied^/ tsuk^r tote dat dwat^r 
v<?rsode« si. ende daarna zied^/ so dat dicke gnouch si. 'Ende 
\di\.et druppen op .1. marbersteew. ende en breidet niet. so eist 
gnouch. Dan doet af ende \dL\.et .1. luttel coelen. Ende da« sul- 
dire in miwgen die poed(?re van de« vorseidew speciew. Ende 
wildijt hebbew lacserende. so m'mcter in scamoneye .i.S.^. ende 
.i.'Vè. cyroops. Ende esser meer cyroops. so doet^^ meer scamo- 
neyew in. Ende dit heet me« stomaticum. omnie dat lacseert. 
Ende ander liede doewre in cubebew. carpobalsami. folie, saet 
van bornagiew. elx .1.^. ossis de corde cervi. grote nok^rnotew. 
elx .1.3. rosewat^?' .8.3. 

tephania es goet den genew die ha^r spise niet o«t- 
houde« en mogen, eiide iegew herdde aposteme« of 
die cliereti sijn heet me«se die in de zide liggcw. 
Of die vloyen van bloede eist bovew of benedew. 
gedro«ke« (fol. 18 r. b.) met dranke daerin gesoden 
es jntibe ot vvegebrede dat stre;;/m^/. ^ Newt alsene dauci. elx 
.4.3. storax, mirre. opii. anijs, elx .3.3. canele. bev^rcul. elx .2.3. 
zeew dats gnouch si. Men saelt geve;/ nuchtews ende te middage 
also grot alse .1. bone van egiptew met wermen drawke. 




137 

bratus ') immisceatur cum spatula agitando in stagnato. cum autem fol. 31 r. 
probare volueris utrum sit coctum supra marmor-) gutta proii- 
ciatur: que si coaguletur bene coctum est: et si coctum fuerit 
tune ponatur supra marmore prius abluto et inuncto oleo rosarum 
vel violarum : et tune cum cultello eodem modo oleo inuncto 
frustatim incidatur dum calidum est. ^) datur mane ') etmeridie^) 
cum frigida. 



S 



100. /' ^ Tomaticum calidum stomacum confortat. digestivam fol. 31 r. 

vvertutem adiuvat et^) iliosis confert. Recipe zuchari 

libram .i. '') aquc libram .i.*") cinamomi zinziberis an 

.3.ii. gariofilorum ') galange an .5.i. nucis muscate 

spice ^) ligni aloes cardamomi macis an .3.8. ^) Confice eodem 

modo ut stomaticum frigidum, si vero laxativum facere volueris 

.§.i. ') scamonee addatur. 



1) ontbreekt in F|. — 2) in Fj volgt: oint d'eule (huile) rosé ou d'eule viole. — • 
3) d. c. e ontbreekt in Fj. — 4) bij NM volgt: inflationem dissolvit. Datur ante et 
post cibum; tot 6) ontbreekt bij NM. — 5) Fi ^ libr. ii. — 6) zie 4). — 7) in F, 
volgt: musque. — 8) NM heeft: g.i. ; het volgende heeft NM anders, / 



fol. 18 r. b. 



138 



100. 



rede 

dorst 

mage 




lOI, 

hitte 
cortse 
tysike 
lichame 



102. 

rede 

hekcreude 

owgemaken 



103. 

apostemew 

lo//gene 

borst 

etterspuwen 

tysike 



yroop rosaet maect men dus. % Nemt nuwe rosen 
ende doetse in .1. vat allene dan ziedt wat^-r ende 
gietet optie vorseide rosen al ziedende. da« stopt 
dat vorseide vat daiter geew wat^r uut en mach. 
ende latet also staew tote dwat^r al cout es. Dan 
suldi rose« ende water persen vaste dore .1. doec. ende dit water 
wed^-r doew zieden, ende alst ziedt so giet d^rop weder andere 
v^rsche rosen. ende roevet wel tote dwat^r root beco;/zt. Dan 
suldi dwat^r entie rosen zere perseti ende doeter op te viere 
.4.'H>'. snkers. etide alst begint te ziedene so suldijt clare;^ metten 
wittew vati dew eye. ende alst swert becowt. so suldi dwitte af 
doen. ende zieden dat cyroop clare. Alst cleeft an den lepel of 
an den ving<?;' dan eist gnouch. ^ Dit cyroop es goet \n hetew 
cortse entie droge sijn. '\\et bedwinct dorst ende conioxteext die 
mage. 

yroop Vyolaet maect me« \n de selve maniere, dat- 
me// maect cyroop rosaet. En^^ '\\et v^rverscht in 
droge;^ heete« cortsen. entie tysike sijn. Y^nde lac- 
seert die verstopt sijn in den lichame. 

yroop nenufarinus es gemaect van trem^rblocmew. 
Y.x\de xxven vcvaket m die selve maniere datme/^ dandre 
cyroopew maect. Hets goet in stark^r ziecheit alse 
die altoes liggew \n den rede. ende '\n bekeerenden 
ongemaken. 

yroop iegCN apOStemCN ane de long^re of ane die 
borst, of die bi«ne« wassen onder die corte rebben. 
ende die ett^r spuwew. Entie droge ende tysike sijn. 
^1 Newt water .4.^. violetten .i.S-^. ricolissie. wit 
olysaet. elx .i.S.o- saet va« cytonien. saet va« hoo;;2- 
sche. saet va« boomwollen, semen melonis. semen citrulli. semen 
cucurbite. saet van porceleine«. dragant. go;;nne van arabien. 
elx .3.5. alle dese suldi poedre« ende ziedewt in vorseide water 
al tote die helft versoden si. ende doeter toe suk^r .2.'tC'. efide 






s 



139 

102. ^ ^ Irupus rosaceus ') sic fit. Recipe rosas recentes et pone fol- 3^ v. 

in vase et^) supersparge aquam ferventem: et coperi 
vas ne fumus exeat inde : et cum frigidata est aquam 
proice rosas exprimendo. deinde aquam eandem bul- 
lientem super alias rosas recentes iterum proiice : et supra dicto 
modo facimus mutando rosas tamdiu donec ipsa aqua sit rubea. 
deinde in .iiii. aque libras .iiii. zuchari ^) pone: et cum bullire 
inceperit album ovi. cum aqua frigida pone. et concutias tantum 
quousque spumescat. et spumam illam in syrupum bullientem 
super asperge : et cum nigrescere spuma inceperit suaviter cum 
catia removeas. ^) et iterum aliam spumam infunde. et supradicto 
modo fac^) quousque clarus^) fiat syrupus et cum ceperit quasi 
filum facere:') vel super marmor positus veP) supra unguem 
non difundit coctum est. valet siccitati ') et calori febrium. sitim 
reprimit. confortat") et constipat. 



S 



103. X" ^ yrupus violatus eodem modo fit. qui multum valet fe- fol. 31 v. 
bricitantibus ptisicis et constipatis ventrem humectat 
et laxat:'") et ut breviter dicam omnes illi qui fiunt 

IQ. V — ^ de floribus ") et syrupus nenufarinus. valet iste syru- 
pus contra acutas et peracutas. et provocat sompnum '-). 



S' 



105. •' ^Irupus'-'') contra pleuresim et periplemoniam ptisicam fol. 31 v. 
ethicam. Recipe aque libras .iiii. et ponatur ibi .^.S. '^) 
violarum liquiritie papaveris albi aiï .§.8. seminis citoni 
(fol. 32 r.) et malve mundate. medulle seminis bam- fol. 32 r. 
bacis medulle seminis citroli melonis cucumeris '') cucurbite mun- 



i) voor de verg. met NM zie woordenlijst. — 2) Fj heeft nog: et met eve en 
une paelle (poêle) jusqiie el boile, puis etc. — 3) F, : vin eigre et cuere .iiii.'ffi. — 
4) tot 5) ontbreekt in Fj. ■. — 5) zie 4). — 6) L^: clarior. — 7) tot 8) ontbreekt 
in F,. — 8) zie 7). — • 9) ontbreekt in F,. — 10) tot 1 1) ontbreekt in F,. — 1 1) in 
I>2 volgt: hoc modo fiunt. — 12) ontbreekt in F,. — 13) voor de vergelijking met 
F, en NM zie woordenlijst. — 14) L2: 5.ii. et .8. — 15) ontbreekt in L^. 



fol. i8 r. b. 140 

fol. 18 V. a. 

doet ziedew. 'Ende alst ziedt suldijt clarew m^'/ wit van eye alst 
vorseit es. 



mewisoen 



fol, 18 V. a. 

104. /^^ yroop iegCN alle maNiere vaN mcNisoene ende 

dat stoppende es (fol. 18 v. a.). ^ Newt suk^r. regen- 
water, elx A.'Vè. rosen ond^r .8.®. mirtus .1.^. cassie 
spodii. ypoquistidos. elcs .i.S.^. onripe mispelen 
die groene sijn .10. dragawt. gomme van arabic;? 
.1.8.5- Diemew pulverew mach die salmew pulv<?ren ende danóerQ 
salmew stotew ende ziedewt in dat vorseide rege«wat(?r. ende doctor 
toe suk^r. ende claret me^ wit va« de?i eye alsoet vorseit es. 




141 

datarum : seminis portulace dragaganti gummi arabici an .5.iii. fol. 32 r. 
omnia in aqua vel sacculo bene trita ponantur .^, et .8. ') et 
sacculus in predicta aqua ponatur et bulliat ad medietatem: et 
sacculo abstracto ab aqua libre .ii. zucchari apponantur: et fiat 
syrupus et clarificetur ut supra docuimus. 



S 



106. ^ — ^ Yrupus contra acutas et peracutas passiones. *) Recipe fol. 32 r. 
succi portulace: melHs'-^) pelestini ^) libram .i. vel cum 
aqua decoctionis citroli melonis et cucurbite vel ca- 
pillorum veneris. herbe epatice politrici adianci cete- 
rac. in aqua ista vel in succo predicto fac bullire liquiriciam 
mundatam et tritam : et draganti violarum an .^.i. prunorum 
numero .v. sempervive aut cotilidonis .3.1. ^) deinde coletur et 
colature adde zucchari libram .1. et fiat syrupus ut diximus clari- 
ficetur secundum quod debet vel ut superius diximus. deinde 
psilium et semen citoniorum aïï .3.i, in sacculo mitte sandali albi 
et rubei et spodii berberis rosarum portulace lactuce scariole 
aiï .3.8. pulveriza et horum pulverem in eodem sacculo pone et 
ibidem reubarbari pulverizati .3.1. hec simul bullire facias usque 
ad decoctionem. datur contra acutas et peracutas sine aposte- 
mate cum aqua frigida. 



S 



Ï07- /" ^ Yrupus contra omnem fluxum ventris.*) Recipe zucchari fol. 32 r. 
libram ,i. aque rosarum vel pluvialis. libram .i. et .8. 
et in aqua ista ponatur mirtini .^.i. rosarum sumach 
acacie (fol. 32 v.) balaustie spodii ypoquistidos an .%. fol. 32 v. 
mediam. sorbarum mundatarum .x. mespilorum ^) viridium nu- 
mero .V. cornarum vel prunorum immaturorum .x. draganti liqui 
ritie gummi arabici an .3.8. que sunt terenda terantur et bulliant 
in supradicta aqua donec ad quantitatem unius libre deveniant: 
et colature ponatur zuccharum predictum. et fiat syrupus et 
clarificetur ut diximus. 



i) 5. et .8. ontbreekt in L], staat hier ook wel te veel. — 2)L.2: succi melonum 
palestinorum an. NM spreekt hier van peponis (= melonis) hyemalis succi. — 3)L2' 
o-i. — 4) voor de vergelijking met F, en NM zie woordenlijst. 



fol. i8 V. a. 



142 



105. 

besiecth^/V 

zeter 

single 

drope 

levere 

niere 

melte 




iruples de fumo terre. fumus terre dats grisecom. 

Het es goet iege« alle besiectheit. ende iege;z zeter 

ende single. Ende suv^Tt alle ma;^iere« vaw dropew. 

ende purgiert die lev^re. ende de niere entie melte. 

^ Newt citrini. kebuli. indi. elx .10.5. cuscute. epi- 
thimi. alsene. wilde salie, boraedse. die wortel vand^T apie;z. 
venkel, elcs .20.5 bellirici. emblici. ricolissie. polipodii. elcs .10.5. 
tamarindor?/;;/. cassia fistula elcs .4.3. passorwwz enucleator?/;« 
.3.^. rosen. vyolettew. manna, gingeb^re. elcs .2.^. prumew va« 
damas .40. ende suk^r .3.IS'. sop va« grisetuw/ ende van bornagien 
dats gnouch si. 



H3 



s 



lo8. ^ ^ Yrupus de papavere ') contra omnem ventris solutionem. fol. 32 v. 

Recipe capita papaveris recentia sive humida numero. 

C. 1. plantaginis balaustie gallarum prunellarum imma- 

turarum an .5.!.. Conficitur sic omnia ista in aqua 

pluviali .9.V. dimitte per biduum. in tertio vero die coque aquam 

bene usque ad consumptionem medietatis postea cola per pannum 

fortiter. cum autem colata fuerit admisce illi colature tertiam 

partem mellis. et iterum coque donec ad spissitudinem meilis 

redigatur. et tune conde in vase vitreo: et cum opus fuerit in 

.3.1. aque^) syrupi-). 



S 



109. ^ ^ Pongia somnifera. ') Recipe opii thebaici .g-i. iusquiami ^) foi. 32 v. 
succi more immature rubi seminis lactuce succi cicute 
coconidii^) .i. papaveris succi mandragore succi edere 
arboree aiï .^.i. hec omnia simul in vase mitte: et 
ibi spongiam marinam novam qualis de mare exierit: ut non 
tangat eam aqua dulcis: et pene ad solem in canicularibus die- 
bus donec omnia consumantur. cumque opus fuerit aqua nimis 
calida illam parum fomenta et postea naribus patientis appone: 
et cito dormiet. cum autem exitare volueris succum radicum 
feniculi (fol. -i^-^ r.) naribus apponetur: mox expergiscetur. fol_ ,2 ^ 



i) voor de verg. met Fj en NM zie woordenlijst. — 2) in I..2 volgt achter aque: 
uitte 5.i. syrupi. — 3) I.j: succi iusquiami. — 4) 1. codii, als in I.j. 



fol. i8 V. a. 
fol. i8 V. b. 



144 



106. 

pine 

grot evel 
apoplexia 
scotomia 
hoof ts we re 
heescheii 
borst 
tysike 
adem 
hygcn 
artetike 
spuwew 
geelsucht 
lowgene 
la«cevel 
darmen 
lendenew 
gravele 
m^wstrua 
besiecth«V 
venijn, 
beten 
apostemew 
sinne 
lichame 
herte 
levere 
melte 
fol. 18 V. b. 
mage 




lyriaca magna dat ga\yen?(s sette vrouwe vanóer 
medicinen. Dese triade es goet iege;^ alle pine va« 
den lichame. ¥.nde iegew gr^t evel. eiide iegew apo- 
plexia. ende iegen scotomia '). ende iegew hooftsw^^e. 
ende iegew growo. stewme ende die heesch sijn. 'Ende 
iegew ve^-stopte borst, iegew tysike. jegew corttew adem. entie 
hygew. jege« artetyke. iegew bloet spuwew. jegew etter spuwew. 
ende \egen die geelsucht. jege« apostemew binne« ane die lo;z- 
gere. of in die zide binnew. ende iegew la«c evel. jege« won- 
den 'm de darme/^. jege« Vifrstopte lendenew. jegew g^'^veele. 
jegew mewstrua dat bestopt es. en^^ dat dode kint beide \e\det 
utew lichame. Ylet geneest besiectheit die va« couden cowt. 
ende va« suiker manieree, ende betert oude ziecheit. 'E.nde alóer 
meest iegen venijn van serpentew. ende legen stekew van geve- 
nijndew crupenden dierew of wormen ^«</^ iegew verwoedde honts- 
bete«. ende iegen gevenijnde apostemew. Knde Vd'Hicht alle ge- 
breke va« sinne. JLnde conforteert dat herte. entie lev^-re. en^^ 
melte. ende mage. Ende vorewacht af den lichame van allen 
corruptien. Ende hiero;«me heetse vrouwe va« der (fol. 18 v. b.) 
medicinew. dat .lo.ste deel es .2. po«t. ^ Newzt trosiscorz/w squil- 
Xiticornm. elcs .3.5. lawc ^eper .2.3. trosiscor«;;z tyri. dyacoralli. 



i) in de LTGl wordt het hiervoor ook aanbevolen, wordt zelfs over stomachicis 
niet gesproken. 



s 



145 

iio. g — ^ Yrupus diureticus '). Recipe apii petrosilini feniculi anisi fol- 33 •■• 

ameos dauci baucie pentafilon alexandri sparagi brusci 

peucedani meu scolopendrie capilli veneris adiantri 

poiitrici splendilidon caparis tamarisci siselei. est^) 

fimerine granorum solis seminis melonis citroli cucumeris et cu- 

curbite cretani ^) saxifragie seminis citri lapis qui invenitur in 

spongia marina pulvis cicadarum amomi thimi camepitheos ossa 

cerasorum pomorum et persicorum cardamomi yreos spice nardi 

gariofilorum costi et nucis muscate aiï .3.iii. galange thimi epi- 

thimi filipendula valde bone pimpinelle ciceris nigri. 



T 



^^^- ^ V ^Yriaca ^) magna Galeni. tyriaca dicitur domina medi- fol. 33 r. 
cinarum. Galieni : quia ab eo composita fuit. facit 
contra gravissimas passiones totius humani corporis 
epilenticis cathalenticis apopleticis cephalargicis. sto- 
maticis ^) emigranicis. prodest ad raucedinem vocis et constric- 
tionem pectoris. optima est arteticis^) asmaticis emothoicis ycte- 
ricis ydropicis peripleumonicis yliosis: et vulnera in intestinis 
habentibus. nefreticis calculosis colericis subvenit. menstrua educit 
et fetum mortuum expellit. lepros et variolas et frigorem perio- 
dicum et ceteras passiones inveteratas emendat. precipue contra 
omnia venena et serpentum morsus et reptilium valet. sed diversa 
est eius dosis pro quantitate et qualitate uniusquiusque passionis 
que in fine scribitur. omnem defectionem (fol. 'i^'i^ v.) sensuum fol. 33 v. 
relevat. cor cerebrum epar stomacum confortat. totum corpus 
incorruptum ducit et custodit .viiii. ""j pars librae .ii. Recipe tro- 
ciscorum squilliticorum .5.ii. et .9.ii. piperis longi .g.ii. ^) trocis 
corum tyri et diacoralli an .3.!. et .9.i. ^) xilobalsami .9.i. ^) et 
gr.vii. opii agarici yris rosé scordei seminis rapé silvestris cina- 
momi opobalsami an .^.i. et gr.xiiii. reubarbari cere '") spice costi 
squinanti zinziberis cassie lignee storacis calamite mirre terben- 
tine turis masculi calamenti diptami sticados pollii radicis pentafilon 



l) voor de verg. met Fj en NM zie woordenlijst, — 2) ontbreekt in Lj; is hier 
overbodig. — 3) 1. er. marini. — 4) Lj : stomachicis. — 5) L2 : arteriacis 5 in de LTGl 
wordt hiervan niet gesproken, wel over artetici. — 6) L2: .x. pars. — 7) L2: 5.ii. 
minus gr.vii. — 8) Lj alleen: .3.1. — 9) Lj*. .9.ii. — 10) Lg*. croci. 

10 



fol. i8 V. b. 146 

elcs onder .8.3. sillobalsami .2.3. ende .7. gfanen. opii. agaricus. 
rosen. tyris. scordion. raepsaet. canele. oppobalsami. elcs .1.9. 
efide .10. granen, rebarbe. spyc. coste. sofifraew. squinanü. ginge- 
here. cassie lignee. storax, calamite. mirre, terbentine. wierooc. 
calamewt. dypta;«ni. sticados. polyoew. q?/mtefolie. pers\]n. wit 
^&per. elcs .1.9. ende .7. granen, folie. goinn\e van arabiew. cala- 
menti. ') usti '). serapini. t^rre figulis. boli. ypoq?//stidos. celtice. 
gladie. camedreos. meu. gewtiane. carpobalsami. apie. amomi. 
venkel, carvi. cicelei. kersse. anijs, sentejanscruut. elcs .1.9. 
mumie. bev^rcul. oppopanac. aspalti. galbanu;;z. sactorie: aris- 
tologia \onga. dauci. elcs .1.9. Gescuumt zeem dats gnouch si. 
Me« saels geve« also grot alse .1. haselnot mei warmen dingen. 




107. ^^J^^yï*i^Ca ditessaRUM. dat es die cleine triade, ende 
venijn M /^"^^ triaca minor, also wi geseit hebbew vrouwe vandor 

medicinew. ditessaru;«. van .4. crudew of van .4. 
dinge« so sprect me« daer. ^laer andre philosophen 
die na he;« quamen die dadender meer toe. Si 
es goet op lede« die gebeten sijn va« gevenij^de;/ beesten of 
dierew. Mew salse geven met sope van menten entie wonde da^r 
met smeeren. hets oec goet op vovnni malanu;;/. dattie van 
saleerne heeten scagia;;z. Men salse geven met drawke daerïn ge- 
soden es pigani of gewtiane. % Nemt mirre, holeworte. gewtiane. 
bakelare. elcs .i.§. ende .1.3. etide .12. granen, meu. venigriec 



i) 1. calcanti usti. 



147 

petrosilini piperis albi aiï .9.i. et gr.vii. folii gummi arabice fol. 33 v. 

acori calcanti usti serapini terre sigillate seu boli ') succi ypo- 

quistidos celtice camedrei gentiane meu carpobalsami amomi 

apii maratri carvi silvestris siselei nasturcii seminis nasturcii^) 

anisi ypericon an .9.i. mumie castorei oppopanacis aspalti gal- 

bani centauree minoris aristologie longe dauci silvatici an .9.i. 

meilis dispumati quod sufficit. que terenda sunt tere : et gummas 

in vino liquefactas cum pulvere et melle commisce sufficienti 

vel cum speciebus teras. datur in modum avellane cum tepida 

apoplelicis scotomaticis cephalargicis emigranicis ad raucedinem 

vocis et constrictionem pectoris cum melle aut dragaganto ita 

ut in ore teneatur. asmaticis cum decoctione lilifagi. emotoicis 

ex pectore et pulmonis vitio cum ptisana. ad veteratas passiones 

cum apozimate ysopi. yctericis cum decoctione assari. ydropicis 

cum oximelle vel oxizaccara. (fol. 34 r.) peripleumonicis cum iure fol. 34 r. 

vel decoctione marubii. iliosis cum apozimate apii. in intestinis 

vulnera habentibus cum decoctione sumach. nefreticis calculosis et 

colericis cum apozimate granorum solis apii silvatici vel domestici. 

arteticis ^) cum iure vel pigami decoctione. ad venena et men- 

strua educenda et fetus cum vino calido : vel mulsa cum aqua 

ubi cocta sit menta vel ozimum. et frigori periodico et cunctis 

passionibus cum tepida. 



T 



112. ^ ^ "^Yriaca diatesereon ^). tyrcaca ut dicitur domina medi- fol. 34 r. 

cinarum. diatesereon idest de quattuor rebus dicitur. 

de quibus antiquitus conficiebatur. sed alii philosophi 

postea addiderunt. valet proprie toxicatis homini- 

bus: et morsibus a canibus rabiosis aut ab aliis animalibus vene- 

nosis. datur cum succo mente ad bibendum : et super ipsum 

vulnus de eadem inungatur: et venenosa super inuncta. s. bonum 

inalanum ^). quod salernitani scagiam vocant. quartanariis et vere 

quotidiane data cum decoctione pigami vel gentiane subvenit 

.x, pars est libre .ii. Recipe mirre aristologie rotunde gentiane 



1) volgens Additio achter Theriaca in L2 is dit een fout. — 2) niet in L.25 daar 
staat dus: sem anisi. — 3) hier -wederom in Lj arteriacis; er volgt dan nog „cum 
iure." — 4) 1. diatessaron zooals in Lj | voor de verg. met Fj en NM zie woordenlijst. 
— 5) L2 : melanum. 



fol. i8 V. b. 
fol. 19 r. a. 



148 

nigel/e^). zedewer. elcs .3.5. dypta;«ni. pygani. camedreos. elx .2.5. 
ende .8. granen, gommi edere. calam^//ti usti. ^) elx .1,3. cornu 
cervi .3.5. zeem dats gnouch si. 



lev^re 

melte 

gele 

hooftsw^re 

rede 




108. /r"^^k.*i rifera sarasenica dat geeft de« mewsce jog*?/. En<^^ 

men gevet jegew die lewre ende iegew die geelsucht 
die va.fl hittew co;«t. ende iege» hooftsw^re die van 
roder col^re comt. Me« gevet \egen doble of simple 
t^rciane. het betert tsien va« de« ogen dat verloven 
es alse va.n hitten. Dat .8.ste deel es .2.'K. % New«t suk^r .3.0- 
mirabolani. citrini. corticis. cassia fistula. meduUi. tamarindorum. 
fol. 19 r. a. elx onder (fol. 19 r. a.) .8-^. kebuli. manna, elcs .7.3. ende .5. 
granen, groene violetten .i.S.^. anijs, venkelsaet. elcs .2.3. ende 
.15. granen, mastic. macis. elx .1.3. ende .6. granen, bellirici. 
emblici elcs .1.3. ^ Men vergadexet dus. In .2.'S'. waters doetmew 
.2.^. violette» die versch sijn opdat me;/se vindeji mach ende en 
mach mewse niet vinde« so seldi nemew droge violette;/ entie 
salmew zieden tote dat dwat^r blaeu -wert. ende dattie violette» 
bleec becomew. Dan suldise perssen dore .1. doec. ende nemt 
van dien watere .1. luttel, ende doet^r in cassia iistula ende 
tamari/zdi wel gedwegew. ende gecoleert dore .1. dorgaette» lepel. 
ende doet in dat wat^'r suk^r .8.§. ende ziedet op tfier tote dat 
dicke si. Knde men saelt proeve» alsoet voren geleert es. Knde 
dan suldire in mi»gen die vorseide specie» wel gepulvert. % Men 
saels geven nuchtews also gr^t alse .1. kerstae»gie met warmen 
dranke. 



l) er staat nig^r. — 2) 1. calcanti usti. 



149 

baccarum lauri excorticatarum aiï .^.i. et .9.ii. minus gr.xi. fenu- ^^l. 34 r. 
greci nigelle zedoarie aiï .3.!, et .9.ii. ') diptami camedrei pigami 
.3.1. et .9.ii. et gr.vii. gummi edere calcanti usti aiï .3.!.^) esdre 
magne .3.i. ^) ossis de corde cervi mumie antefarmaci afi .3.i. 
cornu cervi usti .3.iii. mei quod sufficit datur in modum avellane. 



T 



113.^ w ^ Rifera saracenica^) id est iuvenilis invenem hominem fol. 34 v. 
reddit. saracenica quia a saracenis inventa^). datur 
proprie yctericis epaticis^) et patientibus dolorem 
capitis ex fumositate colere rubee '). datur contra du- 
plicem tertianam. et restaurat visum amissum ex calore^): et co- 
lorem^) perditum ad pristimum revocat. datur mane cum tepida 
.viii. pars libra .i. ^'^). Recipe zucchari .^.iii. ") mirabolanorum 
citrinorum corticis medulle cassie fistule et tamarindorum aiï .§.i. 
et .8. '") kebulorum *^) mundatorum manne aiï .3.vi. et .9.ii. et 
gr.v. '^) indi '"') violarum recentium '°) si possunt inveniri "^) aH 
.^.8.'^) anisi maratri aiï .3.ii. et gr.xv. ^^) masticis '^) macis aiï 
.3.1. et gr.vii. et .8.^°) bellirici emblici aiï .0-8. et gr.iiii.-') Con- 
ficitur sic: in duabus libris aque ponantur .^.iii.^'^) violarum ^^) 
recentium si poterunt inveniri. si non siccarum^^) et bulliant 
donec deveniat aqua ad purpureum colorem et viole sint remisse. 
postea*^) leviter expressum ^) coletur. de colatura illa pars acci- 
piatur. et casie fistule et tamarindorum per caciam abluantur. 
et colentur per eadem, in alia aqua libra .i. et .g.viii.^^) zuc- 
chari immittantur et super ignem ponantur et ad spissitudinem 
bulliat: et cum inceperit inspissari: addatur colatura casie fistule 
et tamarindorum postea manna. 2*^) cum volueris scire utrum sit 



i) Lj: 3.i. et .9.ü. gr.viii. — 2) tot 3) ontbreekt in Lj. — 3) zie 2). — 4) Lj: 
Trif. maior; tot 5) ontbreekt in F,; tot T^ bij NM anders. — 5) zie 4). — 6) tot 
7) ontbreekt in F,. — 7) zie 6). — 8) tot 9) ontbreekt in L, ; tot 10) ontbreekt 
in Fj. — 9) zie 8), — 10) zie 8); tot 11) ontbreekt bij NM. — 11) Fj : ffi.iiii, — 
12) Fj : 5.S. — 13) Fj heeft in plaats keb. : reubarb. — 14) F,: j.vi. — 15) ont- 
breekt in F,; NM : rhei indici. — 16) ontbreekt in F, en NM. — 17) F, heeft: 
.5.S. — 18) Fj : alleen .5.11. — 19) NM heeft hiervoor spicae. — 20) F, alleen: 
.3.1. — 21) Fj alleen: .5.8. 5 NM: .3.8. gr.iiii., van hier af tot het eind zeer verkort 
bij NM, — 22) F,: 5.iiii. — 23) tot 24) ontbreekt in F,. — 24) zie 23). — 25) in 
F, alleen: .Vr.i. — 26) tot l) pag. 151 ontbreekt in F,. 



fol. 19 r. a. 



150 



109. 
mage 

baermoed^'r 
me«stiua 
wive 
kindere 




rifera magna geeft men iegen die swere vandor 
mage^^. ende es goet iegew pine va/? mawnew ende 
van wive« met wat(?re daerin gesodew es. venkel- 
saet, anijs, mastic. Men gevei oec iegen pine van- 
dor moeder dat va« coudew cowt sond^r opie mei 
wine daarin gesodew es bijvoet ende olye musceline. ene wieke 
gemaect va« boom wollen ende óaerin genet ende in vulva ge- 
stekew doet mewstrua hebbew. Kude wive die node kint owtfaew 
gev^/ he« met wine dsierin gesodew si mandragora, ende vlied<?r 
dat hulpt^r toe. Ende kindre die niet slapew en moge« entie 
weenew. Newt wijfsmelc da^Hn getempert also gr^t alse .r. er- 
wete dat doetse slapew. Dat .4. deel es .i.li'. ^ Newt opii .2.3. 
canele. nagle. galigae/z. spijc. zedew*^*?;'. coste. gingeb<?re. storax, 
armowiac. calamite. cyperi. yris. pez^cedani. celtice. mandr^gore. 
gladie. rosen. peper, anijs. apie. /«^rsijn. dauci. venkel, marce- 
donie. beilde. ozimi. comijn. elx .1.3. zee;« dats gnouch si. Men 
saelt gewen alsoet vcrseit es. 



151 

coctum ponatur gutta super marmor. ') et si quasi mei colligitur fol. 34 v. 
coctum erit. tune ^) ab igne deponatur et cum infrigidatum erit ^) 
pulvis supradictarum specierum apponatur: semper cum spatula 
agitando ^) donec incorporetur ad ultimum supradictum zuccha- 
rum bene (fol. 35 r.) pulverizatum mitte ^). datur in modum cas- fol. 35 r. 
tanee*): si fit distemperantia caloris cum frigida: si fit ex abun- 
dantia frigidi humoris cum calida. 



T 



11^. fT W ^ Rifera magna"^) dicitur: quia magnam utilitatem et fol. 35 r. 
fructum mulieribus confert. datur contra dolorem sto- 
maci virorum et muHerum cum aqua in qua cocta 
sint semina feniculi anisi et masticis. datur contra 
vitium matricis ex frigiditate. si distemperata bibatur cum vino 
in quo' cocta sit artemisia, provocat etiam menstrua si fiat cum 
artemisia bene trita et oleo muscelino commixta, pessarium ex 
bombace factum si fuerit ex ea inunctum et in vulvam mulieris 
immissum menstrua provocat mulieri non concipienti. si detur 
cum vino in quo cocta sit mandragora vel sambucus miro modo 
prodest pueris qui non possunt dormire : et in nocte nimio gar- 
riunt distemperata cum lacte mulieris in modum ciceris et bi- 
bita prodest .viii. pars libra .i. Recipe opii .3.11. cinamomi gario- 
filorum galange spice zedoarie zinziberis costi storacis calamite*") 
calami aromatici ciperi ^) yris peucedani acori mandragore celtice 
rosé piperis anisi apii petroselini macedonici^) dauci iusquiami^) 
feniculi ozimi cimini ^') an .3.i. meilis quod sufficit ^^). datur in 
modum castanee : ut supra diximus. 



l) zie 26) op pag. 149. — 2) tot 3) niet in Fj. — 3) zie 2). — 4) F, heeft 
nog: au matin ou eve chaude; van hier tot het einde ontbreekt in Fj. — 5) voor 
de verg. met F, zie woordenlijst; tot Ree. bij NM anders. — 6) L2 heeft hiervoor 
calamenthi. — 7) ontbreekt in L2. — 8) in de plaats van mac. bij NM : sinonis. — 
9) bij NM hiervóór hyssopi. — 11) ontbreekt bij NM. — 12) van hier af ontbreekt 
bij NM. 



fol. 19 r. a. b. 



152 



I 10. 
hete mage 
levere 
tysike 
geelsucht 
fol. 19 r. b. 




iriasandali. heeft s'men name na .3. mawiere;? van san- 
dalen diemer in doet. Men gevel iegen die hitte 
vandéT mage. ende vandi?r leveren, entie tysike sijn. 
Ende iegen die geelsucht. dat middelste deel es .2.^. 
^ Ne;«t sandali wit ende root. (fol. 19 r. b.) ende 
gelu. rosen. suker. elx .3.3. rebarbe. spodii. sop. van ricolissiew. 
saet van porceleinew. elx onder .S.3. amidi. gomme van arabien. 
dragawt. seminis cytoniorum '). melonis. cucurbite. cucumeris. se-' 
men scariole. elx ond^r .S.3. canïer .1.9. Ende ander liede doe;?re 
toe rosen .1.3. Ende cyroop rosaet so vele dats gnouch si. Men 
gevet nuchters, ende te noenew also grot alse .1. k^rstaengie 
met coudew dingen. 



l) er staat cycomo;7//« 5 citonia echter komen ook in Triasandali bij Galenus voor. 



T 



ï53 

15. W W ^Rionfilon ')^) dicitur a 'viridibus foHis rute que in eo fol. 35 r. 
ponuntur ^). valet proprie quartanariis et vere quo- 
tidiane*). in hyeme et vere ^) post prandium ^). in 
sero cum vino '') .iiii. *') libra .i. Recipe piperis albi ^) 
quod (fol. 35 V.) inter^) nigrum invenitur .^.i. ^) piperis nigri fol. 35 v. 
.^.ii. '°) cimini assi ") .^.i. '^) zinziberis nitri '^) piretri an .3.ii. pi- 
peris longi .3.8. petroselini ameos dauci anisi elempnii spice 
ciperi apii siselei costi an .3.8. et gr.v. et .8.'^) dactilorum mun- 
datorum numero .xii. foliorum rute viridis .^.i. et .8. ^^) mei quod 
sufficit '*"). datur ut supra diximus. 



T 



Ii6- ^ W ^Riasandali ^') dicitur a tribus generibus sandalorum qui fol. 35 v. 

ibi intrant. '^) datur proprie contra calorem epatis '^) 

et stomaci '^) ptisicis^") yctericis ^^). medietas est 

librae .ii.^'). Recipe sandali albi et rubei et citrini ^^) 

rosé zucchari '^) an. solidos duos, reubarbari spodii succi liquiricie 

seminis portulace an. solidum .i. et .8. amili ^^) gummi arabici 

draganti seminis melonis'-*) citroli ^^) cucumeris^^) et cucurbite^*) 

seminis scariole an. solidum .i. camphore .9.i. et .8. ^^) alii quadru- 

plicant pondus rosarum -\ syrupi rosacei quod sufificit -'). datur 

mane''') et meridie in modum castanee '^) cum frigida. 



l) dit recept ontbreekt in Fj. — 2) tot 3) ontbreekt bij NM. — 3) zie 2). — 
4) ontbreekt in L2. — 5) tot R niet bij NM. — 6) 1. .iiii. pars est. — 7) tot 9) 
ontbreekt bij NM; in de plaats daarvan: .5.S. — 8) bedoeld wordt interius volgens 
„Additio" achter dit praeparaat in L2, d.w.z. minder rijpe peperkorrels. — 9) L2: 
.g.S. — 10) Lj en NM: .g.ii. — ii) NM : usti. — 12) Lj en NM: .g.S. — 
13) ontbreekt bij NM. — 14) L2 en NM: alleen 5.S. ; dan volgt bij beiden: „garyo. 
3.i. et gr.vii.S. — 15) bij NM: alleen g.i. — 16) van hier af ontbreekt bij 
NM. — 17) tot 18) ontbreekt in F, en NM. — 18) zie 17). — 19) in F, in de 
plaats hiervan: ventrail. — 20) NM heeft hydropicis et lienosis; tot R ontbreekt 
bij Fj en NM. — 21) van ycteric. af alleen in L, en L2. — 22) in F, volgt hier 
sem. mei. et cucurb. , wat bij NS wat verder staat. — 23) ontbreekt in F,. — 24)216 
22). — 25) F,: .5.1. et .S. 5 bij NM .3.1., dan volgt: violar. g.S. ; van hier tot 26) 
ontbreekt bij NM ; in de plaats daarvan : ros. quantum omnium aliarum specie- 
rum. — 26) ontbreekt in L2. — 27) van hieraf ontbreekt in Fi. 



fol. 19 r. b. 



154 



III. 

hooftsw^re 

scotomie 

fleume 

melte 

lichame 




eodornon euperiston') geeft men iegen gedeilde 
hooftsW(?re. ende iegen scotomie ende iegew fleume 
die uter stortten vloyt. 'Ende es goet iegew die melte 
sond^'r corts. ende maect goede varwe eist dat ment 
geeft bi hem selven. F,nde wilt men dat lacser^t so 
doetifr toe scamoneye .1.5. het sal te bat werken. Dat .12. deel 
es .2.*^. % 'Nemt aloes .3.5. ende .3. granen, gladie. canele. came- 
dreos. elcs .3.5. ende .16. granen, agaria^j- .2.3. ende .i.S. naerdi. 
coste. mastic. asarü sillini ^). assa fetida. squillen. armowiac. be- 
delli. ellebori nigri. sente janscruut. epithimi. polipodii. brassie 
succi. Tpe^er wit ende lawc. elx .i.S.3. squinanti. mirabolani. gin- 
geb^re. coloqwmtide. serapini. bev^rcul. oppopanac. alsene. aris- 
tolo^z^ lowga. persi]n. gewtiane. amomi. elx .1.3. dyagr/diu;«. sw^^'t 
peper, elx .1.9. zeem dats gnouch si. Me« gevel nuchters met 
warmen wine. 



112. 

memorie 
scotemie 
baermoeder 
fleume 




eodoricom anacardinuM. dat bescermet die me- 
morie, ende doet gesitten scotomie vandew hoofde 
die meest achter comt. Knde p^/rgiert saken vandor 
moeder. Knde verdrijft fleume die achti?r int hooft 
es. Dat .8.ste deel es .2.'H?. ^ Nemt aloë epatici ond^r 
.8.^. yrei. cassie. elx .7.3. meu. gingeb^re. anacardi. carpobalsami. 
elx .2.3. ende .i.S. folie, spijc. mirabolani. corticis epithimi. elx 
.3.3. ende .i.S. nagle. sqw/nanti. re;//pontici. mastic. elx .1.3 ende 
.4. granen. Dus vergadert ment. Nemt scorsse \an venkel wor- 
tele .i.'Vè. wel gestotew. ende in .2.'ti>'. aysijns geleit .7. dagew. 
ende daarna wel wriven ende zien dore .1. cleet. Da<frna ziedt 
dien aysijn so lange dattie .2. deel v^rsodew sij«. Knde óerna. 
doet<?r toe zeem wel gescuu;/^t .2. 'S*, ende dan ziedt dat so lange 
dattie aysijn v^rsodew si: Ende mingei die vorseide wortele 



i) 1. euperiston. — 2) 1. sillii. 



T 



IJ. w W ^Heodoriton yperiston ^). theodoriton dicitur a deo da- fol. 35 v. 
turn. yperiston : id est bene expertum interpretatur''^) 
facit enim contra emigraneum dolorem^) et verti- 
ginem capitis : et contra fluxum flegmatis quod in 
faucibus et gutture^) decurrit. Unde fit homo quandoque sine 
voce. ^) valet etiam spleneticis *") sine febre. colorem bonum facit ^) 
si simplex detur. sed si purgationem facere volueris adhibeas 
.9.ii. ^) scamonee") et fortius operabitur .xii. pars librae .ii. Recipe 
aloes epatici .3.iii. et gr.iii. ^°) et tertiam partem unius grani ") 
cinnamomi camedrei '^) acori an -S-iii. croci casie lignee '^) reu- 
pontici '*) an .3.ii. et gr. .xvi. '"') agarici (fol. 36 r.) .3.ii. et .S. fol. 36 r. 
nardi costi masticis asari '*') silfii '^) squille "^) asse^^) armoniacis 
bdellii electuarii '^) indi '^) ypericon epithimi polipodii brasice "^) 
succi '*') ^°) piperis albi ^*^) et longi an .3.1. et .8.^') squinanti zinzi- 
beris smirne^^) mirabolanorum coloquintide ^^) serapini smirne") 
oppoponacis^^) castorei absinthii aristologie longe petroselini gen- 
tiane amomi an .9.ii.^*) diagridi piperis nigri an .9.i. ^') mei quod 
sufficit^'^) datur mane^') et sero cum vino calido .3.iii. '*^) 



T 



118. ]r W ^Heodoriton anacardinum^^) ab anacardis dicitur: qui 

ibi reperiuntur. datum ^^) mirabiliter memoriam re- 

parat. vertiginem '-^) capitis et maxime posteriori parte 

aufert. ■^^) flegma quod ibi est purgat. causis matricis 

mirabiliter confert ^"). si eam purgare volueris .viii. pars confecta 



i) in L, verbetert in euperiston; tot 2) ontbreekt bij NM; tot 3) ontbreekt in 
Fj. — 2) zie i). — 3) van hier tot Recipe korter en anders bij NM; zie ook i). — 
4) Fj : joues; van hier tot 5) ontbreekt in Fj. — 5) zie 4). — 6) tot 7) ontbreekt 
in F,. — 7) zie 6). — 8) F, heeft: s-i. — 9) tot Ree. ontbreekt in F,. — 10) Fj 
alleen: .ó-iii. — 11) et tert. part. u. gr. ontbreekt bij NM en F,. — 12) Bij NM : 
cardamomi. — 13) F,; cas. fist. — 14) Fi heeft in de plaats hiervan: blanc 
poivre. — 15) NM: 3.ii. et gr.xv.; F, alleen: .5.ii. — 16) ontbreekt in F,. — 
17) NM: symphiti; F,: sillium. — 18) ontbreekt bij NM. — 19) ontbreekt in Lj; 
NM en Fj hebben hier: ellebori nigri. — 20) NM : decocti brassicae. — 21) Lj: 
3.S. — 22) ontbreekt in L.,; NM myrrhae; F, mirte; NM en F, hebben hierna: 
serapini. — • 23) in Fj volgt hierop: aïï .3.1. — 24) F,: 3.ii. — 25) Fj : 3.i. — 
26) van hieraf ontbreekt bij NM. — 27) ontbreekt in F,. — 28) tot 29) ont- 
breekt in F,. — 29) zie 28). — 30) tot Ree. ontbreekt in F,. 



fol. 36 r. 



fol. 19 V. a. ^5^ 

mette7t aysine ende me/ten zeeme. "Ende men sal die wortelen 
fol. 19 V. a. lesen in meye of bi wedemaewt (fol. 19 v. a.) want de tijt is 
dan versch. ende droochse ende bestaetse. 




ÏÏ3- ^^J^^rosisSCl dyarodon es .1. rode^) conkxie. ende es 

die name na rosen. Ne;«t nuwe rosen .4.3. spodii. 

.2.3. sandali rubi. elx onder .8.3. e?ide .7. granen. 

sandali albi .1.3. ende .12. granen. % Dus ma.ect ment. 

sta;«pt v^rsche rosen. ende dand^re species suldi 
pulv<?ren. en^t* mingen met rodosmate rosen ende al te samew. 
ende daer doet^r toe canïer. ende daerna ronde trosisken. ende 
drochse in die scaduwe. 



i) 1. lowde ? 



157 

est librae .ii. Recipe aloes epatici .^.i. ') yrei casie aiï .3.vii. ^) fol. 36 r. 

musci '^j gr.xvii. ^) zinziberis anacardi carpobalsami ^) an .3.iiii. 

et .8. folii *) spice mirabolanorum corticum ^) meu epithimi 

an .3.iii. et .9.i.^) gariofilorum reupontici masticis squinanti an 

.3.1. et gr.iii.^) mei quod sufficit ^) conficitur sic: Accipe ^) corticis 

radicis feniculi bene triti ^) et abluti *) libram .i. et pone in dua- 

bus libris aceti et stet ibi per .vii. °) : et postea tere ipsas radi- 

ces ^°) et in eoderii aceto coque usque ad tertiam partem : et cum 

omni*) diligentia^) cola per pannum et pone in duabus libris meilis 

dispumati et bulliat usque ad aceti consumptionem. cum tali 

melle confice. ") supradicte autem radices colligantur in maio vel 

iulio : quia aute hoc tempus humide sunt et post hoc sicce sunt. 

dosis est .3.i. vel .ii. cum mulsa. (fol. 36 v.) valet. fol, 36 v. 



TRocisci diarodon '^) id est rotunda confectio. trocisci fol. 36 v. 
isti in diamargariton intrant et in diarodon .v. pars 
est .3.x. et gr.xii. Recipe croci 9.ii. et gr.vii. ^^) 
camphore gr.xii. rosarum viridium .3.iiii. '^) spodii 
.3.ii. sandali rubei .3.1.8. gr.vii. '^) sandali albi .3.i. et gr.xii. '°). 
Conficitur sic: in marmorea*) pila recentes rosé sine intermissione 
terantur. deinde ceterarum subtilissimus pulvis specierum suppo- 
natur : et cum sufficiënt! rodostomate conficiatur. ad ultimum 
adhibeatur camphora*^). deinde trocisci informentur et ad um- 
bram exsiccentur: et usi serventur. 



l) Lj en NM: .g.i. et .S. — 2) L2: -s-üi. et .3.1. van hier tot 3) niet in Lj. — 
3) ontbreekt in F, en NM. — 4) ontbreekt in Fj. — 5) F, alleen: .s.iii. — 6)L2: 
.3.1. et gr.iii.S,; Fj alleen 3.1.; tot 7) ontbreekt in Fj, tot 8) bij NM. — 7) zie 4)- — 
8) zie 6). — 9) ontbreekt: dies zooals in LjJ tot 10) ontbreekt bij NM. — 10) van 
hieraf hetzelfde maar verkort bij NM. — 11) van hier af ontbreekt in F,. — 
12) tot R. ontbreekt in F,; tot R. ontbreekt bij NM. — 13) F,: -s-ii. NM: .9ii. 
et gr.xx. — 14) NM: s.iii. — 15) F,: ^.i. et .8. — 16) F, alleen .5,1. van hieraf 
verkort bij NM. — 17) van hier af ontbreekt in Fj. 




fol. 19 V. a. 158 

^^4' ^^^i^*) rosisci dyani. heeft sinew name na witte violette», 
dat .3. deel es .6.3. ende .i.S. ^ Newt groene vio- 
letten .5.3. amili .3.3. wegebredesaet .2.3. ende .i.S. 
rebarbe .5.9. balsami .1.9. rodostomate dats gnouch 
si. En^^ v^rgader^/ alsoet vorseit es. 



^^5' ^^Jl^^ rosisci ydiocri rubea ende sasiram ^) gaet daarin ^). 

dat .6. deel es .6.^. ^ Ne;«t amomi .3.3. canele. 

folie, soffraé'w. mirre, cassie. elx .1.8.3. spijc. .1.9. 

coste. oppobalsami. sq«manti. calami aromatici. asari. 

valeriane. elx .10.3. mastic. ve«kelsaet. elx .9.3. ar- 
moniacwj .5. granen, vini ascaloni. dats gnouch si. ^ Men salse 
alle pulveren eftde mifigen met wine ende formeren trosisken. 
ende drogew met roke of met waseme van storacis. 





^^^- C^f^Jrosisci Squillitici die maect men aldus. ^ Ne;«t 

squillen die geheel sijn ende steecse in .1. deech 

van tarwewbloemew in .1. ove« gebackew. ende dan 

ute genome« entie scorssen vandew squillen wech 

geworpew. Knde dmiddelste salme« stotew in .1. 

mortier, ende also vele meels va« orobi alser gebackens brood 

es sudtilike gewreven. Daeraï salmew formerew tr^siskew ende 

drogen in die scaduwe. 



l) 1. sotiram, — 2) moet juist andersom zijn : tr. ydiocri gaan in rubea en sotira. 



159 

[20. ^ ^ ^Rocisci diani ') dicuntur a violis albis. tertia pars est fol. 36 v. 
.vi.5. et .8. Recipe foliorum violarum albarum viri- 
dium .3.V. ^) seminis plantaginis .3.!. ^) amili .3.iii. *) 
seminis papaveris albi .3.0. et .9.i. '') balsami .9.i. reu- 

barbari .9.i. ^) rodostomate quod sufficit : ^) confice ad modum 

precedentium trociscorum. 



T 



T 



121. 'JT W ^Rocisci ydiocri^) qui in rubea et sotira intrant .vi. fol- 36 v. 

pars est .3.vi. Recipe amomi cerefolii ^) mirre casie 

an .3.8. "^) spice .9.i. opobalsami costi squinanti calami 

aromatici xilobalsami asari fu an. gr.vii. '^) masticis 

maratri an. gr.x. ^^) amarici gr.v. '^) vini ascalonis quod sufficit.'^) 

hec omnia tere et cum vino illo trociscos informa. et cum fumo 

storacis sicca. 



T 
T 



122. W W ^Rocisci croci magnetis '^) ^*') intrant in rubeam et soti- fol- 36 v. 
ram. Recipe croci .3.iii. rosarum ameos mirre an 
.3.1. et .8. xiloaloes .9.ii. informentur cum aqua (fol. 
37 r.) rosata. fol. 37 r. 



12'x.. W W ^Rocisci squillitici ^^) sic fiunt. squillam integram divide fol. 37 r. 

et involve in pasta fermentata et in furno coque. 

abstracta de massa et eiectis corticibus eius medium 

tere in mortario: et tantundem farine orobi adde 

et inde trociscos informa: et cum vino aut melle tempera: et in 

umbra sicca: et si deest orobum tantundem panis assi subtilis- 

sime triti pone. exinde trociscos informa et in loco umbroso sicca. 



i) van hier tot Ree. ontbreekt in F,. — 2) Fj : 5.vi. — 3) F,: .5.S. — 4) Lji 
g.ii. ; ontbreekt bij NM. — 5) Fj alleen: g.ii. ; tot reubarb. ontbreekt in F,. — 6) Fj : 
.5.1. et .S. 5 NM: 9.v. — 7) van hieraf ontbreekt in Fj. — 8) bij NM heeten zij 
A<oxpvc; tot Ree. ontbreekt in Fj en NM. — 9) L2, F, en NM hebben in plaats 
cerefolii: cinamomi, croci, folii.; bij NM ontbreekt croci. NM neemt van amomum: 
5.i.; tot opob. ontbr. in F,. — ii) L2, Fj en NM: gr.xv. — 12) NM : gr.xv. ; tot 
14) ontbreekt in Fj. — 13) NM gr.viii. — 14) zie 12). — 15) L.2: Tr. magnetis; 
NM: Tr. e croco, tot R, ontbreekt bij NM. — 16) Voor de verg. met Fj zie 
woordenlijst. — 17) voor de verg. met NM en Fi zie woordenlijst. 



fol. 19 V. a.,b. 160 




^^7- ^^J^^rosisci de tyrio die gaet 'm die gr<7te trzacle galyeni 

nemt me«se. Knde mew maecse aldzis. ^ Nemt tyris 

die jonc sijn ende ere palmew lawc. entie rode ogen 

hebbew e?tde hoorne. entie to«ge roerende. Die hoorne 

sijn vandor manieree van tarwewcoorne. Men maecse 

gram ende slaetse. Dan so trect dat venijn int hooft ende in den 

steert ende in die huut. Dan slaet men thooft af ene« vinger 

lawc. ende den steert .3. vinger la«c. ende dat middelste doet 

me« dat vel af. ende dende entie darmew die werpt me« en 

fol. 19V. b. wech. Ende tfleesch ziedtmew so lange') (fol. 19 v. b.) zoete;/ 

/ wat^re so dat tfleesch sceedt va« den beenew. dan werpt men 

die beewen wech ende stampet tfleesch 'xn enen mortier, ende 

dan m\nget met also vele meels van orobi. Ende m.\nget dat n\et- 

ten sope da^r tserpewt in gesoden was. ende tempert wel ende 

formeert ronde tr^siskew. ende droochse in die scaduwe. 

118. *'^^^~n^^Oniitus nicholay es sine name omme dat breken 
colere ^k M doet. H<?/ purgiert colera ende fleume. Men gevet 



walge« 



T 



^^"°^^ %/ \n cotidianew ende in tertianen cortsse also groet 

alse .1. haselnot nuchtews met warme;/ borne. 



Me« gevi?^ liede;z die teed^r sijn met cyrope ace- 
toso navons. Ende nuchtens salmewt wed^r tewp^ren ende colerew 

1) blijkbaar „in" weggelaten. 



i6i 

124. ^ ^ ^Rocissci diacoralli '). Recipe coralli rubei cinamomi fol. 37 r. 

mirre amonis papaveris an .5.iiii. squinanti croci 

an .3.11. calami aromatici xilobalsami casie lignee 

folii masticis polii fu asari pes columbini^) an .3.1. 

de his omnibus facto pulvere cum vino tempera et trociscos 

pensantes solidos singulos informa: et in umbra sicca. 



T 



T 



125. JT ^ ^Rocisci de aniso ^) valentes paratis ad ydropisim. Re- fol. 37 r. 
cipe anisi eupatorii an .3.iii. apii absinthii masticis 
anisi*) aneti asari spice amigdalarum amararum aiï 
.3.i. aloes epatici. .3.iiii. et .8. informa trociscos ad 
pondus .3.i. 



T 



126. ^ ^ ^Rocisci de tyro^) qui in magna tyriaca Galeni recipi- foi. 37 r. 
untur sic fiunt. Invenias tyros in longitudine unius 
palmi existentes : oculos habentes rubeos et linguam 
mobilem et cornua in modum grani frumenti. caput 
et caudam tribus digitis mensuratis abscinde. medium quod re- 
manet excoria: et intestinis proiectis optime (fol. 37 v.) dulci fol. 37 v. 
aqua lava : et sic coque donec spine a carnibus separentur. postea 
spinis proiectis carnem in marmoreo mortario satis tere: et com- 
mixta eiusdem ponderis farina orobi vel panis assi cum iure suo 
tempera: et fac inde trociscos pensantes singulos solidos: et in 
umbra sicca. 



V 



(127. 'W' "▼'Omitus noster '') dicitur a vomendo : eo quod frigidos fol. 37 v. 

et calidos purgat humores. noster: quia a nobis 

compositus est*"), purgat proprie coleram rubeam ^) 

et flegma, datur quotidiane vere et tertiane nocte^) 

in modum castanee cum calida. detur etiam delicatis hominibus 



l) voor de verg. met Fj zie woordenlijst. — 2) NM: perdicii herbae, per quam 
inficiunt lanas. (zie Plinius. libr. xxii cap. xvü). — 3) voor de vergelijking met 
NM en Fj zie woordenlijst, — 4) ontbreekt in L2. — 5) voor de vergelijking 
met NM zie woordenlijst; tot 6) ontbreekt in F,. — 6) zie 5). — 7) ontbreekt 
in Fj. — 8) L2 en F, : nothae. 

II 



fol. 19 V. b. 162 

dore .1. cleet dat die siidstancie daerin blive. ende dat salmew 
geven drinkew. wawt he/ doet gesittew t^rciane ende walgew owrmits 
ové'rvloyende scarrpe humorett die v^rdrivet nuchtews genome// 
mei oxisacra. Het es iegew quarteine die van verhernder colere 
coint ende delivereert oec die giste« Ti\et lauwe;? wat^re genome;; 
.4, deel. es .2. ft'. ^ Ne;//t tapsie. dat hete;/ some dieliede slarie 
entie gelesen in de« meye of \n wedemae;zt ware bet^r .3.3. sof- 
frae;/ va;/ affrike ond^;' .S.3. ^ Dus suldijt v^rgadre;/. Ne;;/t ge- 
scuuwt zee;// .2!^. ende doet^-r toe sop va;/ asari .4.5. Dan suldise 
ziedew tote dat sop v^rsode;/ si. Daarna ne;//t tapsie. asari. elcs. 
ond<fr .S-O' dat seldi stote;/ ende ziede;/ \n zeewat^re tote die 
helft v^rsoden si. Dan doet^r in zeew .2.*!^. wel gescuuw/t ende 
zxedet tote dat wat^r versode;/ si. ende xmnget wel. Daeraf sal 
me;/ nuchtews geve;/ also gr^et alse .1. ké'rstae;/gie vdet warme;/ 
wine of vaet oxisac;'^:. Y^nde de;/ herde;/ lieden salment geve;/ 
vaet alder suóstancien. Maer dien tedre;/ liede;/ salme;/t colere;/ 
ende gevent alsoet vorseit es. 



103 

cum syrupo acetoso distemperato ') : et per noctem sub divo fol. 37 v. 
ponatur. in mane iterum cum aqua calida distemperetur : et 
coletur per pannum ut tota substantia remaneat. sedat veram 
tertianam. debilitatem et nauseam a superfluis et acutis humori- 
bus factam aufert -). Recipe tapsie ^) panormitane vel aragonensis 
collecte in mense maii sive iulii^) .^-iü- croci affricani ^) .5.i.S. *) 
nucis vomice .^.S. asari .^.i.'^). Confice sic: in duabus libris melHs 
dispumati adde .^.iiii. succi asari : et bulliat ad succi consump- 
tionem°): et si succum habere ') volueris^) pone tapsie asari an 
.^.ii. et .8.^) et dimidiam cataputiarum : et totuni depone in aqua 
marina et bulliat usque ad medietatem : et aqua ponatur in 
libris .ii. meilis dispumati et coque usque ad aque consumptionem. 
et cum tali melle confice. detur mane in modum castanee cum 
tepida ^°) vel oxicera^'). duris (fol. 38 r.) hominibus cum tota fol. 38 r. 
substantia: debilibus colatura tantum. 



V 
V 



Omitus patriarche '^). Recipe tapsie libram .i. croci fol. 38 r. 

afifricani .g.iiii. cinamomi asari aïï .3.ii. catapucie 

.^.ii. mei quod sufficit. detur cum tepida ante ac- 
cessionem. 



129. "W" "^Omitus '^) valens tertianariis et quartanariis : sed maxi- fol. 38 r. 
me competit quotidianariis. Recipe tapsie .^.iiii. 
assari baccari .^.i. cinamomi .^.i. croci ortulani .^.i. 
seminis atriplicis .§.8. mei quod sufficit. datur in 
modum castanee cum calida. 



i) tot 2) in Fi ; a quartaine. — 2) zie i). — 3) ontbi-eekt in Fj. — 4) Fi : 
•o.S- — • 5) in Lj volgt: meilis assarini quod sufficit. quod sic fit; F,: .3.8. — 
6) tot 8) ontbreekt in F,. — 7) I-., heeft hierna: non. — 8) zie 6). — 9) F, : 5.1. 
et S — 10) het volgende ontbreekt in Fj. — ll) 1. oxisaccara. — 12) voor de 
vergel. met F] en NM zie woordenlijst. 



fol. 19 V. b. 164 

fol. 20 r. a. 

119. ^ y W *ngwentuM cytrinUM maect scone ansichte. ^«^^é- de- 

ansichte ^ I strueert sproeten e7ide verdrijft swerte p\Qcke7i ende 

sproete» ^ ■ ^^ puuste;/ vsni salsu;/^ fleume int ansichte of in die 

^ ^^ ^" ^-^ V^ been. beziect ansichte ejtde lasers da^rm^/ cresmeert 

puustew 

beziect betert, end^ rode oge«. dmiddelste deel es .3.14.'. 

ogen ^ Newzt storax .2.5. canf^r .1.3. wit corael .i.S. once. ameti ') 

dulcis. umblici-) marini. dragawti. albi. amidi. cristael. antalis 

fol. 20 r. a.ende dentalis. wierooc. (fol. 20 r. a.) nitri. elcs .3.5. wit marber 
.2.3. s^rpewtine .i.^. ceruse .6. oncew. Men sal wrivew draga«t 
ende marinis^) in enen mortier, ende dan 'tee;«sen dore ene;z doec. 
Dan so ne;«t swinewsmout ond^r .8. ft', ende wederijw roete. ende 
smout van ere hi;me«. elx .1.5. ende roete van ere geyt ond,?r 
.8. once. % Dus suldijt v^^'gadrew. doet wat^r zieden opt vier 
dan doet tsmout in .1. ander vat ende hang*?/ in die« ziedende;/ 
borne efide \atet smelten ende alst gesmolten es so ziet dor .1. 
linen cleet. ende da?t mi«ct^r in al die pulv^re sonde»;' canïer 
ende storax, ende dan doet in .1. coude;z appel of in .2. ]egen 
dat die partie grot es ende ziedt die« appel op tfier. ende alse 
hi zied^/ sal men doen in .1. scotele en^^ doen derin canfer ende 
storax, ende altoes roere;^ tote dat cout si. dan salme;/t wel scone 
doe;^ behoude;/. Ungue;^tu;;/ cit;'/nu;« es sime name o;;^dat ment 
ziedt in ene« geluwen appel. 



l) 1. ame//ti. — 2) umblici = umbellici. — 3) d. w. z. de umb. marini. 



u 



165 

34. "Jf^ "Y'^^g^^^^um citrinum. ')^) Citrinum dicitur quia in porno fol. 40 r. 
citrino decoquitur ^). pulcram reddit faciem. lenti- 
gines de facie tollit. nigredinem a sole inductam 
destruit et pustulas ') in quacunque parte corporis 
ortas ') salsi flemmatis ') mirabiliter destruit et aufert. cicatricem 
in corpore subtiliat. leprosi faciem^) si ex eo ungatur^) multum 
emendat. rubori oculorum : pruritui et pallori et erisipile "') valet. 
medietas est libre .iii. *"). Recipe boracis .^.ii. camphore .5.i. co- 
ralli albi .5.8.^) aminti dulcis .%.i.^) umbellici marini dragaganti 
albi '■') amidi cristalli antali '") dentali '") olibani albi ^') nitri aiï 
.g.iii. marmoris albi .g.ii. ') gerse serpentarie .^.i. ^) ceruse com- 
munis -o-vi. '-) hoc modo fit ^^). Tere dragantum et umbellicos 
marinos in mortario marmoreo '*) cum pistello ferreo insimul. 
cetera sigillatim in eodem mortario terantur: et (fol. 40 v.) cum fol. 40 v. 
panno subtili albo cribentur ''): et cum assungia porcina novella 
albissima libra .i. et .8. ^^') sepi porcini vel caprini ^.i. et .8. '^) 
assungie gallinacee .^.i. Confice sic:'^) caldarium plenum aqua 
super ignem bulliat : et cacabus cum assungiis in caldario pen- 
deat in ipsa aqua: et de calore aque liquefiant assungee : et lique * 

facte per subtilem pannum et album colentur in catinum: et mox 
totus pulvis apponatur: preter camphoram et boracem cum spa- 
tulo semper agitando: ut omnium bona fiat incorporatio. hoc 
facto in uno citro cavato vel duobus mittatur'^) et ponatur et 
cum spatula semper agitando bulliat: et cum inceperit bullire 
iterum in caldario ponatur : et cum spatula semper agitando 
pulvis camphore et boracis. donec incipiat frigere agitetur sem.- 
per : et cum infrigidatum fuerit recondatur. Et nota quod in 
libra .i. pulveris debent poni .viii. libras assungie. 



l) tot 3) ontbreekt ia F,. — 2) Ung. citv. heet bij NM : Unguentum e citriis; tot 
5«. ongeveer hetzelfde bij NM. — 3) zie l). — 4) tot J^ ontbreekt in Fj. — 
5) I. erysipelati. — 6) Lj: uMi. — 7) Lj, Fi en NM: g.S. — 8) van 7) af 
ontbreekt in F, ; bij NM heeft amenti hetzelfde gewicht als umb. marini enz. — 
9) albi ontbreekt in F, en NM. — 10) ontbreekt in Fj. — 11) albi ontbreekt in 
Fj. — 12) L.2: 5.1. — 13) van hier af korter en wat anders bij NM. — 14) ont- 
breekt in F,. — 15) van (fol. 40 v.) af ontbreekt in F,. — 16) F,: S.S.; tot 17) 
ontbreekt in F|. — 17) zie 16). — 18) in F, verder ongeveer hetzelfde maar met 
andere woorden. — 19) in F,: piiis met .ii. livre en .i. pome citrine. 



fol. 20 r. a. 



166 



i6y 

UNguentum aureum ') valet contra omnes guttas acutas, 
frigidas; et maxime contra lapidem in renibus et 
hydropicis. Recipe radicis evisci, phu, meu, ana 
libras .ii. -) utriusque aristolochiae, helenii ^), hyssopi, 
pulegii, artemisiae, pentaphylli, rutae, foliorum lauri, acori, her- 
bae^) venti, ^) roris marini, matrisylvae, *)"'^) saxifragiae, '^j cyperi,^) 
chamedryos, asparagi, *) brusci, feniculi, anisi, *) ^) ana libram ,i. ') 
apii, ireos, levistici, granorum solis, petroselini, ^) sileris, amomi*)^) 
cardamomi, anethi, baccarum lauri, ^) iuniperi, lapidis lyncis '^) 
an libram .8.^') basilicae, sem. urticae, '') sem. *) citri, "*) sinapis, 
euphorbii, ana uncias .iiii. ''^) adipis ursini et vulpini, olei laurini 
petrolei *) ana uncias .iii. '^) schoenanthi, costi, pyrethri, thuris, 
masticis, myrrhae* ana uncias .ii. '*) muscelei -o-i- '^) olei.^) et 
cerae quod sufficit. "^) Herbae colligantur in mense Maii et con- 
tritae mittantur in oleo, vel virio albo, in quo sint viginti diebus; 
postea addatur oleum, quod sufficit et bulliant donec herbae 
incipiant diminui et colentur per saccum ; et ponantur ibidem 
cerae libras .xii. bulliant quousque cera sit bene commista; 
deinde superponantur pinguedines bene dissolutae et colatae; et 
permittantur parum bullire. post superfundatur oleum laurinum 
et deposito ab igne superinducantur alia olea, tertio pulveres 
costi, pyrethri, schoenanthi etiam, quarto olibani, quinto myrrhae. 
et hoc per intervallum fiat; postea cera et deposito ab igne 
ponatur euforbium, ultimo vero ponatur petroleum. 



i) in F) heet het Unguent Oiin vaut a pierre, waarop direct volgt: Pren enz. 
lUj NM heet dit praep. Unguentum ad aurium dolorem mirabile; van hier af tot 
Ijt ontbreekt bij NM. — 2) bij NM : ^.iü. — 3) Fi : ellebori nigri. — 4) ontbreekt in 
F,. — 5) ontbreekt bij NM. — 6) bij NM volgt hierop zingiberis. — 7) NM: 
5.iii.; F,: ^.i. — 8) Fj : fanoil = feniculi ; fanoil (porcin) = peucedanum. — 9) tot 
11) ontbreekt in Fj. — 10) bij NM staat in de plaats hiervan : lapathi. — ii)NM: 
exag. .iii.9.i.gr.ii. — 12) F,: 5. iiii. ; NM: 3-i- — 13) F, : g.iii.; NM : 5.S. — 14) NM: 
exag. .i.S. — 15) van 14) af ontbreekt in Fj 5 NM: '^.S. — 16) van hier af niets 
meer in F] en NM. 



fol. 20 r. a., b. 



168 



120. 

hitte 
slaep 
sweten 



fol. 20 r. b. 

121. 

wat^rr 

geswil 

aposteme« 

quetssinge 

borst 

zenuwen 

orine 

lacseeit 



aUgueNtuM popelioeN es sijn name om dat me«t 
maect vaw popelbottew. Hets goet iegew hitte 'm 
bekerende;? o«gemake«. Ma^r op bekerewdew owge- 
makew en sal mens niet smere;/. no in die stae;zde 
tijt no \n twivelingew vandor ziecheit. Het es hew 
goet die q?/alike slape;/ mogew gesm^ret ant voorhooft ende andew 
slaep ende ande;z puls ende an die palmew vandi?r ha«t. ende an 
die pla;;ten van de« voetew. dit selve doet me« rx\et olyew va;z 
rosen of va« vyolettew gemiwct ende optie lev^^e gesm^ret. dat 
v<?rdrijft die hitte, ende opte« navel gesm^ret doet wel sweten. 
^ Ne;«t bottew vandew popeliere onder .S.ïi?. swart olysaet. bla- 
den van mandragora, die croppe va« brae//?bladre«. van beilde«. 
van nachtscade;/. mistworte. V(frnicularis ') latuwe. dond^rbaer. 
clisse blade«. violette bladere, umblici veneris. elx A.%. efide 
versch swinewsmout .3.1b*. Die poppelbotten seldi stotew al te 
stuckew n\et den swinew smoute. ende ien derden dage suldi die 
crudew stotew bi he« versch gelese«. Die botten entie crudew te 
hope gesta;;/pt ende gelaten stae;z .9. dagew. ende óaerna. gesoden 
'vi goede;? sterke;? wine tote dattie wijn v^;'Sode;^ si. altoes roe- 
rende dat nïet en berne. dan persset dore .1. doec. ende laetse 
coelen. ende da;? doetse da^r gi wilt i;? een suv^r vat, 'E.nde or- 
\iOxet alst noet es. 

anguentUM agrippa es goet iegen water. jege« ge- 
swil. jegen apostemen. '^wde iege;? quetsinge \n die 
borst, ende in die leden waer dat si. Wet moruw<?/ 
h^;'de zenewe;? ende doet orine make;?. het doet 
lacsere;? opte;? lichame gesmeert .4. deel es .5. IL*. 
% Ne;«t wortele va;? brionie;? .2.^U,*. radicis succide. radec wortele. 
elx .2.5. tribuli marini .1. once. Alle die wortelen salme;? wel 
dwaew ende swveren ende sta;/?pe;?. ende da^;'na doen \n olio len- 
tisci. óaerna. .2. of .3. dage dcLerin late;? stae;?. ende dan ziede;? 
so lange dat die wortelen mindre;?. ende dan perse dore .1. sac. 
"Ende alst sfecoleert es salme;?t wedi?r doen ziede;^. ende alst 



l) 1. vermicularis. 



u 



169 

137. "^p" ^yNguentum populeon ') ^) dicitur quia fit de ocuHs po- fol. 41 r. 
puli ^). valet contra calorem acute febris : et his qui 
dormire nequeunt inunctis temporibus et pulsibus 
et plantis manuum et pedum. hoc idem cum oleo 
rosarum vel violarum mixtum et super epar inunctum mirabiliter 
calorem tollit: et sudorem provocat inunctum super umbilicum. 
medietas est librae .ii. *) Recipe oculorum populi libram .i. et 
•S. papaveris rubei ■"') foliorum mandragore cimarum ^) rubi tener- 
rimarum foliorum iusquiami solatri vermicularis lactuce semper- 
vive^) bardane*")") viole scatunceli") id est umbellici veneris^) 
an .^.iii. ^^') assungie novelle porcine sine sale libras .ii. ") ocu- 
lorum populi perse bene pistentur ') et iterum cum assungia pis- 
tentur^): in magdaleones informentur: per duos dies dimittantur. 
tertio vero die omnes herbe supradicte coUigantur et per se 
bene terantur: et cum magdaleonibus iterum terantur et mis- 
ceantur: et formatis magdaleonibus per .ix. '^) dies reserventur: et 
postea vero magdaleones illi frustatim in caldario cum libra .i. 
odoriferi et optimi vini ponantur: (fol. 41 v.) et buUiant usque fol. 41 v. 
ad consumptionem vini cum spatula semper agitando: et postea 
per saccum expressum bene cola: et colatum dimitte infrigidari 
et in vase reconde. 



U 



132. "W^ "▼'Nguentum agrippa ') '•^): quo Agrippa rex iudeorum fol. 39 r. 

utebatur. quod tante dignitatis erat quod nemini 

discipulorum tradere volebat. ^) valet ydropicis et 

omnibus tumoribus ') in quacunque parte corporis 

fuerint: et ad nervos indignatos. ^) urinam provocat. inunctum 

super ventrem laxat: ') et dolori renum ex frigida causa optime 

facit .iiii. pars est librae .v. ^). Recipe brionie libras .ii. radicis 



l) tot 3) ontbreekt in F,. — 2) tot R. korter bij NM. — 3) zie i). — 4) med. 
e. libr. .ii. ontbreekt in F]. -— 5) L.^, F, en NM : pap. nigri. — 6) NM : foliorum. — 
7) ontbreekt in F,. — • 8) ontbreekt bij NM. — 9) 1. scatuncelli. — 10) F, : 5.iii. 
NM; 5.S.; tot II) ontbreekt in F,. — 11) zie 10); bij NM wordt hier geen gewicht 
opgegeven; van hier af korter en anders bij NM. — 12) Fj : par .vii. jours. — 
13) voor de verg. met NM zie woordenlijst. — 14) zie 12). 



fol. 20 r. b. 170 

begi«t te ziedene salm^r in doen wit was .15.^. ende alst ge- 
smolten es salm^-wt late;/ coelen. dan doet iw ,1. vat. Enf/^ laet- 
mer 'm stae« die wortele .8. dage;/ so werdet te bet^r ende sal 
te bat werken. 



122. 

v^rcouth«7 

hooftswr/e 

borst 

mage 

coeke 

lanke« 

juchtech«V 

lendenew 

artetike 

geswil 



anguentuM marciatUM heeft sine;/ name na ene;/ 
fisisiju die .1. hooch philosophe was ^;/<^^ hiet mar- 
cian/zj. wa;/t si q//am va;/ he;;/ ende hi vantse. Si 
es goet iege// alle werconXheit van den lichame. 
ende iege;/ sweringe va;/ de;/ hoofde. «?;/<a^^ vand^^r 
borst, ende vandor magen. Knde iegen de;/ coeke vand^;' mei- 
ten, ende van de;/ lanke;/. hets goet iege;/ lede;/ die juchtech 
sijn. ende bestopte lendene;/. ende jege;/ artetike in die hepe 
ende 'm de hande;/. Knde dwingt/ geswil. ende alle sweri;/ge 
ende pine die van coude;/ comen. ^ Ne;;/t wit was .2M. olye 
.8.I1'. roris marini. bakelare elx .8.^. rute ./.§. maiorana .lS.*!»!'. 
zavelboe;;/. wat^rm£';/te. ozimi. wilde salie, polyoe;/. calame;/t. 
byvoet. elve. betonie. berewortte. sparge. pinpenelle. agr/monie. 
herha /ö!ralisis. sinU marie;/ cruut. die cr^ppen van den adecke. 
scelleworté ') of cronecruut ') nesebloede, dond^rbaer. camedrei. 
sanctorie. ed^re. biercruut. q/z/ntefolie. herhe cetrait elx .4.5. 
ende .i.S. hoomsch wortele. comijn. me;/te. elx .3. once«. ve- 
nigriec. botre. elx .1.^. ende .2.5. netele;/. violette;/, root oly- 
saet. sarrasenice. lapatioli. hofme;/te. politrici. cardumcelli. ma- 
tercilve dats wedewinde, herhe muscate. surkele. canf^';'. herts- 



i) scellewortte of cronecruut is een vergissing; in L| staat grassuia, wat crone- 
cruut beteekent; scellewortte is chelidonia, welke plant nergens den naam crone- 
cruut draagt. 



171 

ebuli tribuli marini an .^.ii. ') radicis siccidis (fol. 39 v.) libram fol. 39 v. 
,i. squille -o-vi. yreos ^.iii. radicis filicis .^.ii. -) omnes radices ') ter 
vel quater bene^) abluantur et') in pilo marmoreo^) terantur: et in 
quatuor^) libris olei lentisci ^) ponantur ') per duos dies. sed si per 
.vi. vel per .vii. dimittatur plus valet: quia calorem et odorem 
sibi et efficaciam vendicat^). tertio vero ') velut dictum est ad 
ignem ponatur : et tamdiu 2) bulliat donec incipiat dimitti. deinde 
ponatur in sacco et exprimando coletur: et cum colatum fuerit 
super ignem ponatur: et cum bullire inceperit ponantur .^-v. **) 
cere albissime: et liquefacta cera ab igne deponatur: et cum 
frigidatum fuerit collige et serva. 



U 



130. "W" "T^Nguentum marciaton ') *') magnum a Martiato peritis- fol. 38 r. 

simo medico dicitur a quo fuit inventum.'^) quod 

facit ad dolorem ^) et frigiditatem capitis et pectoris 

et stomaci: et ad selirosim^) spienis et epatis'): et 

ad ilii dolorem ad solem vel ad ignem inunctum statim subvenit^)^). 

paraliticis "') sciaticis nefreticis podagricis prodest. tumores repri- 

mit"): et contra omnes dolores '-) mcdetur potenter .iiii. pars 

est libre .viiii. ''^). Recipe cere albe libras .ii. '^) olei libras ,viii. ^■') 

roris marini foliorum lauri an .;^.viii. ^°) rute .5. vii. amarici '^) "*) 

.^.vi. '^) elbrii^") savine balsamite'-') lilifagi ") ozimi"-') ^■') polii'-^*) 

calamenti artemisie enule") betonice brance ursine spergule'-') 

herbe venti^') pimpinelle agrimonie absinthii herbe paralisis herbe 

sancte marie ^'') cimarum ^') '^) sambuci -') grassule^'^) millefolii ^^) 



I) tot 2) ontbreekt in F,. — 2) zie i). — 3) in Lj volgt nog: vel communis. — 
4) F,: ïD.iii. — 5) Lj en F,: g.xv. — 6) tot Ree. korter maar vrijwel hetzelfde 
bij NM; hij beveelt dit praeparaat ook voor hydropici aan. — 7) ontbreekt in F,. — 
8) 1. sclerosim, de schrijfwijze selirosis komt in L, meer voor; in Lj is hierbij opge- 
teekend, dat sommige texten scirrhum hebben. — 9) van 3) af ontbreekt bij NM. — 
10) in F, volgt nog: arteticis. — 1 1) in Lj volgt eerst nog: durities remoUit: 
spasmaticis, et typice febricitantibus valet.; van hier tot Ree. ontbreekt in F,. — 
12) in L2 volgt nu eerst: ex frigiditate. — 13) L2: M'.viii. — 14) NM : if.i. — 
15) NM: Hf. iiii. — 16) L.j: 5.viii. ; NM : 5. iiii. — 17) tot 24) ontbreekt in Lj. — 
18) F,: tamarinde. — 19) NM: ^.iii. ; F,: fi?.S. — 20) NM : ebuli; volgens Fuchsius 
hebben de „latini codices": esbrii, 1. ellebori, zooals in Fj. — 21) ontbreekt in 
ï",. — 22) ontbreekt bij NM. — 23) bij NM volgt eerst nog salviae. — 24) zie 
17). — 25) NM: helcnii. — 26) in plaats van herb. s. marie heeft NM : herbae 
cosli. — 27 j NM : foliorum. 



fol. 20 r. b. 172 

fol, 20 V. a. 

tonge. kerspelie. storax, ende march va« den hert. elx .i.S-o- 
tsmout van de;z beer. tsmout vanden hinne;/. mastic. .1.^. ende 
fol. 20 V. a. waerpond. wierooc .i.S.o- nardini .2.5. Men (fol. 20 v, a.) sal die 
crude lesen m die middel va« den meye op .1. dach of op .2. 
dagen tusschen der derder wilen ente« middage op dat me« 
mach. ^ Aldiis suldijt v^rgadrew. die speciën suldi poedrew entie 
crudew suldi stampen, dan legge;ise .8. dage 'm sterken riekenden 
wine tote dattie wijn .1. luttel cre;«pe. Dan doet^r in o\y e. ende 
ziedet tote dat die crude mmdven ende daerna perse vaste dor 
.1. doec. ende dat past en wech werpen. Knde daarna anderwerf 
doen v^rzieden. ende alst begiet te ziedene so doet^r in een 
luttel storax, ende doet luttel ziedew. Dai^rna doet^r in bot^re 
ende tsmout of die vethei^. ende oleuw nardinuw. ende was. Y.nde 
alst gesmolten es. so mïncter in pulv<fr van mastike ende van 
wieroke. ende roeret altoes tot cout es. da?i doet 'vi een vat. 



1/3 

sempervive camedrei ') centauree fragarie^) quinquefolii herba fol. 38 r. 
tetrait"-^)^) an .^.iiii. et .8.^) evisci ^) radicis^) cimini ^) mirte'') 
an .g.iiii.^) fenugreci .^.i. et .8.'^) butiri .^.i. et -o-ü. ^) urtice (fol. 
38 V.) violarum papaveris nigri ^) mente^') sarasenice et alie fol. 38 v. 
mente '") '*) politrici ") lapaceoli carduncelli '-) matris silve matu- 
re ^^) herbe muscate '^) alleluia ^^) lingue cervine '^) crispule ^) 
camphore-)") storacis medulle cervine an .5. et .8."^) adipis ur- 
sini gallinacei '^) masticis an -o-i- ^") thuris .§.8. ^') olei nardini 
.5.ii. '-^) herbe colligantur in medietate mensis maii. uno die om- 
nes herbe iste colHgantur vel duobus ^) si potest ") ab hora tertia 
usque ad meridiem, Conficitur sic : '^) herbas tritas diebus .vii. 
in optimo -) et adorifero ^) vino infunde. octavo vero die ad len- 
tum ignem ponantur ") et cum vinum aliquantulum ^^) consu- 
mari^^) addatur supradictum oleum ^■*) : et bulliant donec incipiant 
diminui. deinde studiose ^) colentur: et proiectis herbis iterum 
super ignem ponantur: et cum inceperit bullire pone storacem ") : 
et cum modicum bullierit '**) pone butirum et assungiam aliquan- 
tulum tonsam "■"') : et oleum nardinum masticem et olibanum: et 
postea ceram : et cum cera liquefacta fuerit semper cum spatula 
agitando ab igne deponatur et cum coagulatum fuerit in vase 
reserva. 



i) Bij NM volgt hier eerst op quinque nerviae; F,: centonique. — 2) ont- 
breekt in F,. — 3) ontbreekt bij NM. — 4) NM : ,5.ii. g.ii. ; 5.S. in Fi. — 5) Fj 
en NM: mirre. — 6) NM : o.i.S. — 7) NM: hexagium .iiii.S. — 8) NM: 3-S-5-ii'j 
F,: 5.i. — 9) pap. alb. bij NM; pap. rouge in Fj. — 10) NM heeft nog rubiae. — 
U) tot 14) ontbreekt in F,. — 12) NM: cardiobotani — ^13) L.,: maturellae in 
plaats van maturae ontbreekt bij NM. — 14) zie li). — 15) NM: chamemeli. — 
16) NM: scolopendrii. — 17) NM : herbae camphoreae, waaronder men volgens 
Fuchsius Abrotanum moet verstaan. — . 18) Lj en F,: alleen 5.S.; NM: exag .i.S, — 
19) NM heeft nog: et anseris. — 20) NM: 5.8. — 21) Fj : g.i. ; NM: 5.ii. — 
22) NM: 3.i. gr.xv., van hier af hetzelfde maar met andere woorden. — 23) hier 
ontbreekt: inceperit. — 24) 1. consumi. — 25) 1. contusam. 



fol. 20 V. a. 



174 



123. 

\ercouthei( 

crawpe 

la«cevel 

lendenen 

aitetike 



CC 



ngUCNtUM aragON es goet iege« alle vercoutheit 
hets goet iegew cra;«pe. jegew lancevel. jegew swe- 
ringe in die lendenen jegen artetike 'm die hepe. 
Ja ald//j" gedaew die zalve. in .1. eydop. ende ge- 
smolte;/ opt vier ende gesmeert die stede ende daerna 
quarteine ^1 heet optie Stede gebonden. Si es goet iege;/ quarteine gesmeert 
op dat ruggebeew van dew scoudre;z tote beneden in die wile 
vore den acces .4. deel es .5. 'tl?. ^ Ne;«t roris marini. maiorana. 
die wortele van jarus. serpilli. rute. radicis succide. elx .4. once«. 
ende .i.S. foliorum lauri. salie, zavelboe;/^. elx .3.^. laureolewj- ^) 
.9. oncew. repte-) .i.'tfc'. of .iM. folia succide. Mastic. wierooc. 
elx .7.3. pertrec. euforbiu//^ elx .1. once. gingehere. peper, elcs 
.1.5. muscelini 3) .i.S-o- petroli .1.^. berensmout. olye van baye;?. 
bot^re. elx .3.^. olye van olyveti. was .i.ft', ende .3.§. ^ Dese 
zalve suldi vergadren alse vorew geleert es in dawder zalve. Son- 
der allene datmew wortelen eftde crude v^rgadrew sal ternaester 
maent die na meye comt vore middach. 



i) 1. laureole. — 2) 1. nepite. — 3) 1. olei muscelini. 



u 



175 

131. "lÊT "▼'Nguentum ') aragon^). aragon id est adiutorium. valet fol. 38 v. 
ad dolorem ex frigiditate viri et mulieris^) tali modo 
inunctum : in testa ovi primum calefac ad ignem. 
deinde superinungatur et postea testa calida super- 
ponatur loco patienti. valet ad spasmum et teranum^): et ad 
dolorem"') ilii*^) et renum'') toli ordine ut supia diximus '). arte- 
ticis et sciaticis multum (fol, 39 r.) prodest, quartanariis si spina fol. 39 r. 
inungatur ante horam accessionis*^) ut dictum est mirifice pro- 
dest .iiii. pars est. librae .vi. ^). Recipe roris marini maiorane^) 
radicis^) iari^)^) serpilli rute radicis siccidis'') '°) an .3.iii. et 
•S. ^') foliorum lauri salvie savine aiï .^.iii. '^)'') policarie maioris 
et minoris .'^.ix. ') brionie -o-iii- laureole ."^.ix. '^) nepite '^) libram 
.8.^'*)'^) masticis olibani aiï .j.vii. "^) piretri euforbii^) '^) zinzibe- 
ris piperis an .^.i. '^j ^^) olei muscellini .§.8. '°) ') petrolei^^) .^-i-^') 
adipis ursini olei laurini an .^.iii.^^) butiri .^.iiii. ^^) olei commu- 
nis libras .v. ^*) cere libram .i.'-^^)*^) herbarum^^) radices hora 
supradicta colligantur ^) omnes herbe*') uno vel duobus diebus 
ut dictum est superius. fortiter ^) contusis*^^) ponantur in olei per 
.vii. dies. octavo autem die super ignem ponantur •") et coquantur 
donec herbe destruantur. postea per saccum fortiter colentur: et 
iterum super ignem ponantur^): et cum bullire inceperint addan- 
tur oleum laurinum butirum adeps ursinus et cera. qua liquefacta 
adde '') petroleum et muscelinum. postea^) masticem et olibanum 



i) tot Recipe ontbreekt bij NM in de plnats daarvan: ad omnem dolorem sto- 
machi et ventris, ad uterina mala, distensiones, quartanas, comitiales (i. epilepsiam) 
spinae dolores et renum. In quartana ante invasionem inungantur spina et scapulae. — 
2) tot 3) ontbreekt in F|, in de plaats daarvan alleen : vaut a fraidor. — 3) zie 2). — 
4) 1. tetanum, zooals in Lj', ontbreekt in Fj. — 5) ontbreekt in Fj. — 6) tot 7) 
ontbreekt in F,. — 7) zie 6). — 8) ontbreekt bij NM. — 9) ontbreekt bijNM;in 
de plaats hiervan heeft hij : sampsychi, iridis. — 10) NN : malvae sylvestris. — 
11) NM 5.ii.5.ii. et quartam paitem; L2: j. iiii. et ... (verder niet ingevuld); Fj : 3. iiii. 
et .S. — 12) Lg en F,: s-iii.; NM: o-i-^- 5 tot laureole ontbreekt bij NM. — 13) NM: 
.^.iiii.S.; F,: .^.viii. ; tot 15) ontbreekt in F,. — 14) NM: calaminthae g.iii. ; in L.2 yolgt 
hier na eerst: fol. siccid. aü. — 15) zie 13). — 16) L2: .q-vü. ; NM : 5.iii. — I7)bij 
NM volgt hierop: aiï ,3.8. — 18) NM: exag. .iiii.S. — 19) NM : exag. i.S. — 20) Fj : 
peresil. — 21) NM : 5.S. — 22) NM: g.i.S, — 23) NM: g.ii. — '24) I..2 : .ffi.i. 
NM: .tï?.ii.S. — 25) Lo en F,: (t'.i. et J.iii. ; NM : (f.S. et quartam partem; van 
hieraf hetzelfde met andere woorden bij NM. — 26) 1. herbe. — 27) 1. contuse. 



fol 20 V. a. b. I7Ó 



124. ^ y' W *nglieNtUM dyaltea. Die moruw^'/ enc/e verwarmt. 
/lenheit M ■ ^ Newt wortel va« hoo;«sce. lijnsaet. venigriec. 



CC 



^ " elx .i.'ijC'. squillen .i.S.S'. Me« sal die wortele dwaew 

eyide suvé'ren ende sta;«pe«. dlijnsaet ^«^^ tvenigriec 
suldi leggew \n ./.'tl*, waters .4. dage. Y,\\de derna. 
salmewt ziedew tote dat dicke becowt, ende dan suldire in min- 
gen warm wat<?r. ende derna. perssen dore ene« doec. of men 
doet^r in dwati?r omdat te bat dordew sac soude gaew. "Ende 
dan so newt .2.'tt:. va« den sope ende .4. ') olyew ende ziedet 

fol. 20 V. b. tot die sope (fol. 20 v. b.) versoden sijn. Da^-rna doeté-r in was 
.i.*K'. e7tde bot^re .3. oncew. etide als dat gesmolten es. so doet^r 
in go;«me. edre. ende galbanuw elx ,2.^. "Ende als dat gesmoltew 
es so doQter in poedre van coXoïomen'^). ende van resine"-). elx 
• i.S.'ffi. Da« doet af ende vmnget wel ende \atet coelen. ^ Dese 
zalve es goet gesmeert iegen die pine van der borst, ende iegew 
coude hoeste. Het heylt alle stedew die vercoudt sijn ende ver- 
droocht. -want si verhit ende v^rverscht ende moruw^/ so wer 
dat hardt es of droge. 



l) ruimte open in het HS. — 2) 1. colofonie resine; in Lj staat ook colo- 
phoniae, resinae. 



177 

zinziberis ') piperis')^) et piretri ^) ^) euforbii ') et tune ab igne 
deponatur^) et recondatur. 



U 



33. "^1^ "^Nguentum dialtea^)^) malasticon et calausticon : dialtea fol. 39 v. 
a radice evisci dicitur. malasticon id est moUifica- 
tum*"): calasticon idest calefactorium. medietas est 
librae .iiii.*)'). Recipe radicis evisci libras .ii. ^) se- 
minis lini et fenugreci an. libram .i. °) squille libram .8.*°)^) olei 
libram .iiii. cere libram .i. terbentine gummi edere galbani an 
.^.ii- colofonie resine aïï libr. .8. nota quod si ista non'')ponan- 
tur. scilicet actis et ciclaminis valet ad consolidationem vulnerum : 
et quidam addunt butirum.'*) omnes herbe^)'-) et radices bene 
abluantur et terantur similiter lini semen fenugrecum et squilla et 
cum bene trita fuerint ponantur in .vii. libras aque per tres dies. 
quarto autem die ponantur super ignem : et bulliant donec in- 
spissari ^^). deinde paulatim in sacco ponatur et cum exprimere 
volueris addatur aliquantulum (fol. 40 r.) ferventis aque '^) ad fol. 40 r. 
abstractionem illius succi viscosi ^^). de succo isto accipiantur 
libras .ii. et ponantur in quatuor libris olei: et bulliant ad succi 
consumptionem ^*) : quod erit cum nihil succi supernataverit '''). 
postea addatur libram .i. cere: et cum liquefacta fuerit addatur 
terbentina '*) postea gummi edere contusi ''') galbani "")'*) et ad ul- 
timum ponatur pulvis colofonie resine'^): et cum coctum fuerit ^*) 
quod erit tune cum gutta posita super marmor inspissabitur: '^) 
deponatur ab igne'*): et cum colatum fuerit et infrigidatum dili- 
genter repone '^) '^). valet proprie ad dolorem pectoris ex frigidi- 
tate : et pleuresim prius in testa ovi calefactum ad ignem et 
super pectus inunctum sanat. omnia loca infrigidata et desiccata 
calefacit '^) mollificat et humectat. 



i) 1. zinziber piper piretrum euforbium. — 2) ontbreekt in F|. — 3) tot 4) ont- 
breekt in Fj. — 4) zie 3). — 5) tot 7) ontbreekt bij NM in de plaats daarvan: 
ad nervorum intercisionem, lateris dolores, omnem incontinentiam et duritiem ner- 
vorum atque resolutos utile. — 6) 1. mollificativum zooals in Lj. — 7) zie 5). — 
8) NM: tD.i. — 9) NM : ffi.S. — 10) NM: g.iii.; tot 4) ontbreekt bij NM. — 
11) ontbreekt in Lg. — 12) het volgende bij NM wat korter. — 13) 1. zooals in 
Lj: inspissati fuerint. — 14) tot 15) ontbreekt in Fj. — 15) zie 14). — 16) in F, 
volgt hier: aii .5.8. — 17) het volgende ontbreekt bij NM. — 18) ontbreekt in Fj. 

12 



fol. 20 V. b. 



178 



125. 

laxeert 

hu7«ore« 

lichame 

lendenew 

graveïe 

lawcevel 



K 



'ngueNtUM laxativuM es .1. zalve die laxeert e?tde 
p/'/rgiert die humoren van den lichame. En^^ alse 
mermet salve/z wille moetmew wachtew van etene 
.6. wile«. ende van dfiwkene na die« dat mewse ge- 
sm^rert. Sijs goet iegew vastew lichame. jege« be- 
stopte lendenen, jegew gravele. ende iegen lanc e vel gesme^rt 
opte« lichame. Dmiddelste deel es .^M. ^ Nemt succi cucz^rbite. 
sap va« sqMzllen. sap vaw ciclaminis. sap va« de« wortelen vaw 
anabule«. sap va« adec wortelen, sap vand-fr wortelen van vlie- 
dere. sap van titumalli. camomille. elx .2.^. sap van violetcrude. 
van laureole. sap van capillis ven^ris. sap van sporien ') of van 
den sade ') elx .2. oneen. diagr/diu;« onder .8. once. nucis vomice 
.i.§. alle dese crudew entie wortelew sal men lesew i« meye. ende 
nemew die sope. ende sporiesaet gewreven bi he« entie sope ende 
leggewse 'm olyew .7. dagew. da^/'na doetse te viere ettde ziedtse 
tot die sope v^rsodew sijn. ende dan colerew ende wed<fr optfier 
doen. ende doet^r in was .i.S.ft'. melter gallen va« de« stiere. 
Ende alst gesmolten es so doet af ende miwct die poedre d<?rin. 
EndV doet dese zalve 'm .1. scone;/ v^rlooddew stoop of 'm ge- 
wascew bussew. 



i) 1. sporiesaet. 



179 

138. "W' ■"▼'Nguentum ad mollificandum splenem.^) Recipe fenugreci fol. 41 v. 
seminis lini caricarum tamarici farine ordei aceti olei 
et cere albe. omnia ista tribus diebus stent ad mol- 
lificandum et postea coquantur usque ad consump- 

tionem aceti: et postea colentur et reserventur: et ex eis fiat 

unguentum. 



U 



*^U 



[g. "W' "▼"Nguentum laxativum ^) ^) dicitur quia ventrem laxat. fol. 41 v. 
cum autem volueris inungere post unctionem absti- 
neat .vi. horis. valet etiam constipatis : et lapidosis 
nefreticis super pectinem et ventrem inunctum. me- 
dietas est librae .iii. Recipe succi cucurbite agrestis succi inte- 
rioris ^) squille succi ciclaminis succi radicis anabule succi radicis 
ebuli succi mediani ^) corticis sambuci lactis*) titimalli camomille 
an .§.ii. ^) violarum succi radicis cucumeris agrestis : et succi pomi 
eiusdem •") : et succi ^) mercurilialis ^) : et succi radicis polipodii 
succi herbe laureole succi ®) capillorum °) veneris ^) catapucie '°) 
an .§.ii. ") diagridii an .§.i. et .8.^^) nucis vomice .i. castaneole 
indice ^^) .§.i. '^) euforbii .^.i. '*) ''') omnes supradicte herbe et 
radices in mense maii colligantur. Conficitur sic '*^) : succos et 
cataputias ^) tritas cum tribus ^') libris olei .vi. diebus ^®) .vii. vero 
die tamdiu coque donec succorum quantitas consumetur. tune 
adde cere albe libram .i. '^) cum felle taurino ^^) : et cum spatula 
agitando donec cera et fel liquefiant: et postea addatur pulvis 
terendorum. 



i) voor de verg. met F, zie woordenlijst. — 2) NM: Ung. alvum solvens ; tot i^» : 
ad stillicidium et difficultatem urinae. — 3) ontbreekt bij NM. — 4) NM : lactucae. — 
5) NM: 3.i. — 6) et, suc. pom. eiusd. ontbreekt bij NM. — 7) 1. mercurialis. — 
8) NM heeft hierna nog: capnii (capnium = fumus retrae B.) — 9) NM : Berbe- 
ris. — 10) ontbreekt bij NM; in de plaats daarvan: lathyridis, elatterii; in Lg vol- 
gen nog: fellis tauri, aloes hepatici. — 11) Lj: S-üi. ; NM: 5.i. — 12) NM:5.S.5.i. 

— 13) ontbreekt in Lj. — 14) NM: 5.S. — 15) van hier tot 16) ontbreekt bij 
NM. — i6) zie 15). — 17) NM: ffi.i. et .S. — 18) na diebus ontbreekt immisce, 
wat wel in Lj voorkomt; NM heeft: .vii. diebus .viii. vero etc. — 19) NM : ffi.S. 

— 20) NM laat hierop volgen: 5.1,; het volgende heeft NM anders. 



fol. 20 V. b. 180 

fol. 21 r. a. 



a 



126. * J • *ngueNtUM fuSCUM es goet geleit op wondew. Si 
wonden ^ | trect eude suv<?rt e7ide heylt. ende maect goet vleesch 

ende trect ^XXer. % Nemt olye va« oXyv^n ond^^r .S.S'. 
was .3.§. scippec .3.5. colofonie .2.^. go;«me. sera- 
pini. elx .2.3. mastic. wierooc. galbanuw. t^/'ben- 
tiwe. elx .i.§. Me« sal poedre;/ die me« poedrew mach. ende 
dand^re gowmew salmew owtwee stawpew. entie olye salmew te 
viere doe^z. Y.x\de alsi ziedt, so doet<?r toe was. pee. ende galba- 
nwm, ende alst gesmolten es. so doet af ende doet^r in ti?rben- 
ti«e. ende alsi gesmolten es so mincter in die poed^re. da« lat^/ 
coele« ende bestad^/. 



rt 



fol. 21 r. a. 

127. ^■^^^■^■^ ngUCNtUM albuM es goet op alle h^rde apostemew 
apostemew ^ | die va« salsu;// fleumew comen in wat steden dat 

es ane de« lichame. ^ Nemt ceruse .2.^. litargiru;;^ 

.1. o«ce. wierooc .3.3. mastic .2.3. Die ceruse sal men 

iempern met olyew een luttel daerna litargiru;;z ende 

mastic. ende wierooc. Da« doeter in rosewat^r ende tempert over 

wat wilew olye. over wat wilen rosewat^r. Dat doet tote dat 

dicke gnouch si in effenen poe«te. 



u 



i8i 

136. -W' "▼'Nguentum fuscum ') idest nigrum. valet ad omne vul- fol. 40 v. 
nus^). nam super vulnus positum^) attrahit : et attra- 
hendo mundificat. ^) deinde sanat. medietas est librae 
.iii. ^) Recipe (fol. 41 r.) olei libram .i. et .8.^) cere fol. 41 r. 
.^.iiii.''') colofonie -S-ii. *^) gummi serapini picis navalis colate an 
.3.iii. ^) masticis*^) galbani terbentine an -S-i. ^) Confice sic: oleum 
in olla super ignem mittatur et bulliat: tune apponatur cera. 
deinde colofonia: qua liquefacta ponatur pix navalis: postea 
gummi serapini'^) et terbentine : '°) ") ita ut omnia terantur prius 
preter picem navalem terbentina pulvis '^) masticis et olibani "). 
et cum spatula agitando semper donec omnia liquefiant et bene 
coctum sit. deinde cum infrigidatum fuerit ^^) usui reservetur. 



U 



135, ^W' ^yNguentum album '^) ad salsum flegma '^) libra .i. Recipe fol. 40 v. 
Ceruse .^.ii. '"') litargiri .^.i. "^) olibani .3.iii. ") mas- 
ticis .3.11. ^^) unaquaeque species per se teratur hoc 
modo: pulvis ceruse cum pauco oleo distemperetur : 
et postea addatur litargirum. deinde mastix et olibanum. cum^) 
pistello bene semper agitando paulatim ^) aqua rosarum ponatur 
et cum inceperit inspissari addatur oleum et aqua rosarum: et 
tamdiu ducatur donec sit bene incorporatum -) et recondatur et 
non sit spissum multum neque tenue ^). 



i) bij NM heet deze zalf Ung. nigrum; tot Recipe volgt er dan: ad vulnera, 
carnem creans, carnemque putridam depascens. — 2) tot 3) ontbreekt in Fj. — 
3) zie 2). — 4) NM: ffi.S.g.iii. — 5) NM: g.ii. — 6) F, heeft: once .ii. — 7) F, 
en NM: ^.i.; van hier tot Confice ontbreekt in Fj. — 8) bij NM volgt nu nog 
thuris, wat blijkbaar ia Lj en Lj ontbreekt, daar het aan het eind van dit recept 
wel genoemd wordt. — 9) NM : 5.S, — 10) In F, volgt nu : et a dereiner dernier) 
mastic et encens; — 11) tot 12) ontbreekt bij NM. — 12) zie 11). — 13) bij NM 
volgt hierop : ad mala cutis a salsa pituita orta, pustularum eruptiones, et pruritus 
carnis mitigans; dan komt Ree. enz. — 14) in Lj volgt: et totum confectum est; 
tot Ijt ontbreekt in Fj. — 15) L^ en NM: g.i. — 16) NM: 5.S. — 17) NM: 3.1.8. 
- 18) NM : 5.8. ; van hier af tot het eind anders bij NM. Hij verlangt voor de be- 
reiding nog lac. muliebre. — 19) ontbreekt in Fj, 



fol. 21 r. a. 



182 



12} 



ogen. 

oren 

mage 

levere 

melte 

niere 

blasé 




'era pigra galyeni es goet iegew alle ontempertheït 
vandew hoofde alse va« coudew huworew. entew 
ogen entew oren. Knde purgiert die mage ende 
heUrt die pine vanóer leveren, ende vandor mel- 
te« die hert es ejide du;me, Hets goet iegew die 
niere ende iegew die blasé .10. deel es .\.%. ^ Ne;«t canele sof- 
frae«. squinawti. polipodii. asari. sillocassie. sillobalsami. alsene. 
violette^, epithimi. agaricz/j'. rosen. macis. turbith. coloqwmtida. 
amomi. mastic. cassia fistula. mirabolani citrini. //^rmodactilis. 
senie. cuscute. mirabolanuw indor?/;«. elx .1.3. aloes also vele 
alse al d^r andre specie», zeem dats gnouch si. Me« saels geven 
.3.5. te male. \\et en purgiert allene niet zere. Me« saelt scar- 
pe» met dyagridiu;^/ als me«t geeft. 



129. 

tonge 

melawcolye 

grot evel 

scotomia 

oude hooft- 

swere 

scudde// 




era logodion dat helpt d^r letti«ge« vander tongen. 

het pwrgiert melawcolye ende es goet iegew tgrot 

evel entie scumew va« óen groten evele alsi vallen. 

hets goet iege« scotomia ende iegen swendelinge. 

ende hen die haer to«ge bitew. ende iegeft oude 
hooftswere ende heft die scuddew m^/te« hoofde. ^ Ne;«t colo- 
qumtïde datter in es. polipodii. elx .2.3. euforbii. polii. comidii 
dats laureola: elx onder .8.3. ende .6. granen, alsene. mirre, elcs 
.3.3. ende .12. granen, sanctorie. armowiac. agaric^i'. folie, spice. 
squillen. dyagridium. elx .2.3. aloes. thimi. cassie. bedelli. came- 
dreos. marobie. elx .1.9. ende .14. granen, canele. oppopanac. 
castorie. aristologia \onga. wit peper, ende swert. ende la«c peper. 
soffraew serapini. per°X]n. elx .1.8.3. '^^^^ elleborus ende s-wert elx 



l) 1. coconidii. 



i83 

140. "jr "Y'Nguentum '^) contra serpiginem et impetiginem atque fol. 42 r. 
elefantiam. Recipe ') aloes litargeri arsenici argenti 
vivi '■*) tartari masticis olibani cimini picule ^) assungie 
veteris, que sunt terenda tere: et tempera cum 

aceto et oleo et succo lapaceoli et succo fumiterre quod sufficiat: 

et postea inungatur ad solem vel ad ignem. 



U 



Y 



143. ^"^ "T^Erapigra Galyeni ^) '') Yera idest sacra picra idest amara fol. 42 v. 
que*^) facit ad diversas capitis possiones. sive egri- 
tudines aurium oculorum distemperantiam. stomacum 
quoque optime purgat. causas epatis emendat spienis 
durities et diversitatem ^) removet et extenuat. renibus et vesice 
proficit: et matricis distemperantiam emundat^) .x. pars est libra 
.i. Recipe cinnamomi spice croci squinanti asari^) xilocassie '") 
xilobalsami ^) carpobalsami ^) viole absinthii ") (fol. 43 r.) agarici fol. 43 r. 
rosarum turbit coloquintide masticis an .9.ii. '^) aloes ad pondus 
omnium specierum .x.3. et 9.ii. '*) mei quod sufficit. dosis eius 
.5.iii. '""') cum abstinentia mane cum calida "^). Si vero pilulas in- 
formes: da .xv. aut .xvii. cum sufficienti diagridio. 



Y 



141. "W nFEralogodion ")memphytum. yera idest sacra: logos idest fol. 42 r. 
sermo memphytum idest impeditio '^). curat enim 
impeditam locutionem '^) ex quacunque causa, sim- 
plex vel laxativum datum'*) purgat melanconiam 
et flegma") mirabiliter cum calida.^®) datur epilenticis cum calida 
'') sale et mulsa. '*) curat stomaticos^) et spumantes caducos ver- 



l) in L.2 volgt na recipe: sulphuris. — 2) in F, volgt na arg. vivi als gewicht: 
5.iii. ; tot 3) ontbreekt in F,. — 3) in F, volgt: Poix. (picis) — 4) tot 6) ontbreekt 
jn F,. — 5) bij NM wordt in de voorrede ongeveer hetzelfde, maar met andere woor- 
den gezegd. — 6) zie 4). — 7) L.^: densitatem ; ontbreekt in Fj. — 8) L.2 : emendat. 
— 9) ontbreekt in F,. — 10) F,: cassie; hierna wordt aïï .5. ii. opgegeven. — 11) in 
L2 en F, en NM volgt: epilhimi. — 12) dit recept ontbreekt bij NM. — 13) 5.ii. 
in Fj ; van hier tot 14) ontbreekt in Fj ; NM: 5.S. — 14) .x.3. et .9.ii. ontbreekt 
in L, en NM. bij NM volgt hierop : Non nuUi medicorum duplum, quantum omnium 
aliarum specierum injiciunt. — 15) NM : exag. .iii. aut iii et .S. ; het volgende in Fj 
anders. — 16) van hier af niets meer bij NM. — 17) tot 18) ontbreekt in F, ; bij NM 
heet dit recept : Hierae Logadii alia confectio en ontbreekt alles tot '^ toe. De voorrede 
van het ander recept is veel uitgebreider dan deze voorrede van NS. — 18) zie 17). 



fol. 21 r. a. b, 184 

.6.5. zeew dats gnouch si. Men saelt gevew nuchte;zs end^ nave;^?s 
also grot alse ene k^rstaewgie met warmew wat^re. 




morfea 



era rufini geeft me« iege« alle drope die va« sal- 
su;« fleume;; comew. ende in specie;; van beziect- 
heidew. ende iege« zet^re ende singule. (fol. 2 1 r. b.) 
Knde iegen morfea»/ .12. deel es .2.'ffi. ^ Ne;^«t 
aloes .1.5. ellebori wit ende swert. elx .i.S. o«ce. 

dyagr/dii. coloqwmtide datter in es .3.3. euforbii. nitri. polipodii. 

salis armowiac. elx .2.5. ende .15. gr^new. Tpeper. camedreos. sof- 

fraew. agaric?/s. mastic. epithimi. elx. ond^r .3.3. cassie fistule. 

sillobalsami. oppopanac. elx .2.^. ende .i.S. mirre .15. granen. 

zeem dats gnouch si. Me« saelt geve« met wermen wine also 

groet alse ene kerstaengie te male. 



-i85 

tiginosos et qui Hnguam sibi mordent. cephalargicis ') emigrani- fol. 42 r. 

cis et qui ita vexantur ex capitis commotionibus ut videantur 

quasi demonum habere: singulis mensibus ut diximus data pur- 

gatione paraliticis tremulosis medetur. pleureticis epaticis splene- 

ticis subvenit: et menstrua educit. nefreticos sciaticos et arteticos 

alleviat. lepras et hernias et varias maculas emendat .x. pars 

est libra^)^), Recipe coloquintide interioris polipodii an .^.ii. ^) 

euforbii polii '"') coconidii. an .5.1. et .8. et gr.vi. ''') absinthii mirre 

an .%.ï.~') et gr.xii ^) centauree agarici armoniaci timiamatis ^) folii '^j 

spice squille^) diagridii aiï .3.i. '°) aloes thimi ") cimarum '^) ru- * 

bearum '^) casie '^) camedrei bdelli prassii an .9.i. et gr.xiiii. ^*) 

cinamomi opopanacis castorei aristologie longe piperis albi et 

nigri et longi croci ^) serapini^) petrosellini '') an -S-S. ") ellebori 

albi et nigri an gr.vi. "^) mei quod sufficit datur mane (fol. 42 v.) 

sero cum calida in modum castanee. f°l- 42 v. 



— Era rufini'^). '^) Yera ut diximus: Rufini ab auctore ^°^- 42 v. 



Y 



dicitur '^). datur proprie scabiosis ex flegmate salso 
elefantiosis serpiginosis ^°). curat utramque morpheam 
cum tepida '^). destruit antiquam cephalicam et emi- 
graneam et monopagiam dolorem capitis vel stomaticis epilenticis 
catalenticis et eis qui ex fumo stomaci extenebrescunt ita ut 
subitaneum timorem viderent : vel ex ventositate stomaci tinitum 
aurium patiuntur ut in furias vertantur deponitur cacocimia sto- 
maci epatis et spienis. elefanticis et podagricis confert auxilium : 
et menstrua educit '^). sed si purgationem inde facere volueris 
cum .9.i.^') scamonee^') fiat .xii. est librae .ii. '°). Recipe aloes 



i) tot 3) ontbreekt in Fj. — 2) ontbreekt .i. ; wat wel in L.2 voorkomt. — 3) zie 
l). — 4) Lj en NM: s-ii. ; F,: s.i. — 5) ontbreekt in Fj. — 6) et gr.vi. ont- 
breekt in F,. — 7) Lg en NM en Fj : 3.1. — 8) et gr.xii. ontbreekt in Fj. — 
9) ontbreekt bij NM. — 10) NM : g.i. — il) L2 ^"^ ^M comarum thymi. — 12) ont- 
breekt in Lj en NM en F,. — 13) NM: cass. lign. — 14) F, alleen: 3.1. — 
15) F,: ö.vi. ; van hier af tot „mei quod suff." ontbreekt in Fj. — i6)NM:3.vi. — 
17) tot 19) ontbreekt in F,. — 18) tot '^ ontbreekt alles bij NM. — 19) zie 17). — 
20) ontbreekt in Fj. — 21) F, : 3.ii. 



fol. 21 r. b. 



l86 



ogen 
zien 



131. ^^^^"^^^era pigRA CONstaNtini es goet iegen donkere ogen. 
ende behoed^/ tsien. die conïexien es als .i.'K. ^ Nemt 
mirabolani. kebuli. indi. alsene. violette», elx .4.3. 
bellirici. emblici. cassia fistula. semew epithimi. aga- 
Ticus. cuscute. sq«manti. rebarbe. elx .2.3. sillocassie. 
spice. anijs, mastic. silloaloes. sal gemme. nitri. elx .1.3. zeem 
dats gnouch si. Men saelt gevew met wermen wine. 




132. 

fleume 

melawcolie 

artetike 

criOTpinge 

va« leden 

ende 

juchtege 




'era pigRA abbatis die p?^rgiert fleume ende melaw- 
colye. hets goet iegew artetike die va« coudew 
\\\xmoxen comt entie droge sijn. ende iege/z lede« 
die gecrowpe» sij«. ende juchtege leden, dmiddelste 
deel es .i."ffi. ^ Newt coloq^^ntida. agaric^^i'. turbith. 
epithimi. cuscute. elx .1.3. ende .5. granen, sq/zmanti. carpobal- 
sami. silloaloes. sillocassie. soffraew. mastic. asari. canele. rosew 
violetten. folie, alsene. rewüpontici. lapidis lasuli. elx .2.3. dya- 
gr/dii .1.8.3. aloes epatici .3.3. ende .i.S. zeem dats gnouch si. 
Ende wilmewt \n pillen gevew. so sal me«t temperen vnet sope 
vandor alsenew. ende gevenre .9. of .11. te male. 



Y 



187 

.^.i. ') ellebori albi et nigri an .§.8. ^) diagridii colloquintide inte- fol. 42 v. 
rioris an .3.iii. ^) nitri euforbii polipodii salis armoniacis an .3.1!. 
et gr.xv.*) piperis camedrei^) croci agarici masticis epithimi an 
.3.1. et .8.*^) casie lignee ^) xilobalsami ^) opopanacis git°) an .9.ii. 
et .8. ^^) mirre gr.xv. ^') meilis quod sufficit. datur in sero cum 
calida in modum castanee. 

144* "^ T" Erapigra Constantini '^) ^^) dicta est ab auctore Constan- fol. 43 r. 
tino qui eam composuit. valet ad visum recuperan- 
dum et retinendum. tota venit libra .i. et .8. Recipe 
mirabolanorum kebuli indi citrini violarum absinthii 
an .3.iiii. *^) bellirici emblici casie fistule '*) epithimi agarici sene 
CLiscute squinanti reubarbari an .3.ii, '^) xilocasie spice anisi mas- 
ticis xiloaloes salis gemme '°) nitri an .3.1. '^) mei quod sufficit 
detur in sero cum vino calido "'). 

j.r 'W^ "T^erapigra '°)-*^) abbatis de curia flegma et melanconiam fol. 43 v. 

purgat : et ad guttam que sit de frigido et sicco 

humore unde membra videntur contracta valet. pa- 

raliticis datur cum tepida vel vino. medietas est 

libra .i. Recipe agarici coloquintide turbit epithimi cuscute an 

9.ii.^°) et gr.v. squinanti carpobalsami xiloaloes xilocasie croci 

asari cinnamomi masticis rosé violarum'-') absinti reupontici^^) 

folii ^^) lapis lazuli an .3.11. diagridii .3.i. et .8- aloes epatici .3.iiii. 

et .8.^*) mei quod sufficit ^^). Si vero pilulas inde facere volueris 

tempera cum succo absinthii : et da .viiii. vel .xi. 



Y 



i) NM : 5.S. — 2) NM : 5.Ü. — 3) NM : 3.1.8. — 4) F, alleen : g.ii. ; NM : 5.!. et gr.vii. 
et .8, — 5) NM: cardamomi. — 6) NM: 5.8. gr.vii. — 7) F, : fistule. — 8) ontbreekt 
in Fj. — 9) NM: cocalis. — 10) F^: s.ii.S; NM: 9.i. et quaitam pavtem, hoc est 
gr.v. — 11) NM: g.vii. — 12) van hier tot J^ geheel anders bij NM ; hier vindt 
men : Hiera Constantini, prodest ad vitiosum corporis colorem et faciei. ^ etc. De 
gewichten zijn bij NM ook in dit recept half zoo groot als bij NS. — 13) NM: g.ii. 
— 14) ontbreekt in Lj en NM. — 15 NM : g.i. — 16) Bij NM volgt op sal. gemm. : 
Sest, hoc est species lapidis. — 17) NM : 5.8, — 18) in de plaats van: det. in sero. c. 
vin. cal. heeft NM: Datur quantum libet dormituris. Vacantibus febre cum vino, 
febricitantibus autem cum aqua tepida — 19) De geheele aanhef tot 5« heeft NM 
niet zooals NS, maar als volgt : Hiera ducis ad melancholicos pituitosos et resolutos 
mirabilis Ijt etc. — 20) L2: .g.ii. — 21) ontbreekt bij NM. — 22) NM: reubar- 
bari. — 23) bij NM volgt eerst nog: lapidis litzi. — 24) NM: g.ii.S. — 25) van 
hier af bij NM hetzelfde maar met andere woorden. — 26) voor de verg. met Fj 
zie woordenlijst. 



fol. 21 r. b. l88 



huworew 



Z' 



^33- T^n^ ingibER CONditUM dat conïorteert e'nde starct die 
mage ] ^ ^ ^ mage. e)ide doet die hu;«orew wel ripew. ende hulpt 

iegew die pine vand(?r borst die va« coudew co/«t 
ende maecse V(?r«ch, ende ^öwforteert ende verhit die 
niere. ende maect luxene in de« ma«ne«. ^nde me« 
maW d«j. ^ Ne;«t wortele vaw yringis. \vet heeft die blade ge- 
lijc certani ') marinis. die sarasine hetewt cecacul. Me« sal die 
wortelew scerrew vs\et .i. messe. ende daw ziedew in wat^re j;ot si 
moru warden. Da« trecse utew wat^re ende doet die scorsse va« 
de« houte dat d^er binnew es dan snijtse in cleinew stuckew. ende 
derns. sal mewse zere wel sto. ten-), ende ierst so persse dwat^r 
ute. da.ri nemes .3. 'S. ende wit zeem wel gescuu;/zt .lo.ï?. ende 
zieden dat tote dat root beco;«t. ende da« doet^-r toe gingebere 
fol. 21 V. a. .i.S.S'. gesuv^rt ende gepoedert (fol. 21 v. a.) e?ide doet tote« 
zeme. ende latet zieden tote dat ane den vingi?r cleeft. Dan 
doet af ende mincter in die pulv^re. ^ Nemt gingebere. galigaew. 



l) 1. cretani. — 2) klein gat in het HS. 



Y 



189 

146. ■■'1^ ~^Era fortissima ') Galieni^) facit cephalargicis scotoma- fol- 27 r. 
ticis epilempticis melanconicis apopleticis paraliticis 
maniacis alopithiacis ^) litargicis (fol. 43 v.) et qui fol. 43 v. 
in somno meditantur mortem. ad aurium auditus 
oculorum passionibus fauces et arterias facit, dentium dolorem 
sedat. vocem claram facit, asmaticos orthopnoicos et longinquos 
egritudines sanat. pleureticis ydropicis yctericis epaticis et sple- 
neticis prodest. artheticum colicis ciliacis desintericis medetur, 
nefreticis et sciaticis relevat flegmaticum. quartanarios et emi- 
triteos adiuvat. febres omnes avertit. elefantiosos purgat. venenis 
obsistit et cancrosis proficit. vitia enim mulieris emendat. Recipe 
coloquintide squille agarici armoniaci ellebori nigri silphii ypericon 
an .^.v. *) epithimi ^) bdelii camedrei basilicon '^) succi casie an 
.§.iiii. ^) smirnis^) sagapeni aristologie longe piperis albi et longi 
cinnami opoponacis castorei an .g.iii. et .8.^) petroselini absinthii 
piperis nigri an .^.ü. ^^) aloes .^.i. et .8. *°) mei quod sutficit. 
detur ex ea .3.0. vel ,iii. ") mane cum calida^^). 



Z 



14^. ^ yinziber conditum sic fit ^^)'-^) Recipe yringorum '*) qui ha- fol. 43 v. 

bent folia ad modum' cretani marini : quod saraceni 

secacul vocant. '^) bene radantur cum cultello. postea 

coquantur in aqua donec dimittant se stringi mani- 

bus ""). postea abstrahantur ab aqua : et a lignis que sunt interius 

mundentur: et cum cultello frustatim incidantur '^) et in mortario 

marmoreo bene pistentur '^) : et cum manibus '^) exprimantur: 

ut aqua inde exeat. ponderentur libras .iii. et ponantur in libras 

.X. meilis dispumati et albissimi : et coquantur donec incipiant 

rubere et addatur libra .8. zinziberis frustatim incisi: et dimitte 

bullire tam diu^*^) quod adhereat digito^') in (fol. 44 r.) marmore fol. 44 r. 

l) NM alia magna. — 2) voor de verg. met Fj zie woordenlijst 5 tot ]^ anders 
bij NM. — 3) 1. alopeciacis. — 4) Lj : o-^i-j NM: exag. .i.S. — 5) Bij NM volgt 
polipodii. — 6) NM : Brassicae exiguae. — 7) NM: exag. .iii. — 8) NM : myrrhae. — 
9) NM: 5.1, — 10) NM exag. .ii. De simplicia, die hierbij behooren, volgen bij NM 
achter ^ in deze volgorde: aloes, sem petros, absinth. pip. ni. an exa .ii. — li)Bij 
NM geen dosis opgegeven. — 12) NM: tepida. — 13) sic fit ontbreekt in Ff — 
14) tot 15) ontbreekt in F]. — 1$) zie 14); tot 16) eenigzins anders in F,. — 
16) zie 15). — 17) tot 18) ontbreekt in F,. — 18) zie 17). — 19) ontbreekt in Fj. — 
20) ontbreekt in L.2. — 21) zie i) pg. 191. — 22) voor de verg. met NM zie woordenlijst. 



fol. 21 V. a. 190 

elcs .3.0. groffels nagle. canele. note«muscate«. cardamomi. spyc. 
elcs .i.S.^- pinearujn « mundartim '). gesuv^-rt. elx .3.^. piscearum^) 
.3.^. alle dese salm^r in mingen. Dese conÏQxie es zere gestijft 
ende conïorta.ti'}{ in alle couden ziecheidew. 



i) 1. mundatarum. — 2) 1. pistacearum. 



191 

supposito. ') postea tolle ab igne et impone pulverem istarum fol. 44 r. 
specierum. Recipe zinziberis .^.iii. galange gariofilorum cinamomi 
nucis muscate cardamomi an .^.S. pinearum mundatarum .o-iü.^) 
et pistacearum .*.iiii. zedoarie .§.i. et .8.^) dactillorum .g.iiii. ■*) 
et cum omnibus istis condiatur^). stomacum confortat. digestivam 
virtutem adiuvat. vitio pectoris ex fngiditate valet. renes con- 
fortat. libidinem incitat. 

ET ^) quia sufficienter de dispensatione omnium confec- fol. 44 r. 
tionum emplastrorum atque unguentorum diximus nunc 
videndum est de speciebus et herbis secundum pro- 
prium pondus et mensuras quod ad omnium supra- 
dictarum tam opiatarum quam laxativarum medicinarum et elec- 
tuariorum receptionem pertinet^). pondera igitur vel mensure 
que in arte medicinali reperiuntur hec sunt que subtili ingenio 
ac solerti studio summa ordinavimus diligentia ad opus omnium 
in arte medicinali studere volentium : per quod ponderari **) supra- 
dicte res ab uno .9. usque ad libram .xii. unciarum per grana 
frumenti coUecta. Incipiendum est igitur a scropulo. Scropulus 
est pondus .xx. gr. duo scropuli sunt .gr.xl. tres scropuli sunt 
gr.lx. qui simul collecti faciunt .3.i. exagium habet. gr. nonaginta 
que faciunt .3.1. et dimidiam. sed ex totidem granis constat soli- 
dum. unde exagia sex vel solida sex faciunt dragmam ^) .i. Item 
.viii.5. '°) faciunt .§.i. centum et octo dramme faciunt libram .i. 
Quarta pars librae est mille et .lxxx.gr. Item medicinale sexta- 
rium vini vel olei seu aceti quod intrat in unguentis seu medi- 
cinis est pondus librarum .ii. et dimidie ad receptionem (fol. 
44 v.) omnium medicinarum supradictarum sufficit. Pondera igitur foi. 44 v. 
singularum specierum pleniter agregando pondus proprium de 
omnibus ponderibus uniuscuiusque speciei coUectum ordinavi- 
mus: et quantum de qualibet specie ad confectionem opiatarium 
et laxativarum medicinarum electuariorum et emplastrorum tro- 



l) van 21) p. 189 ontbr. in F,. — 2) Fj : ^.iiii. — 3) Lj*. .3.!. et .8, — 4)1015) 
ontbreekt in F|. — 5) zie 4). — 6) De geheele narede ontbreekt in Fj. — 7) ont- 
breekt in L2. — 8) in Lj volgen op ponderari: possunt omnes. — 9) 1. unciam; 
dezelfde fout in L2. — 10) 1. s.ix. zooals in Lj. 



fol. 21 V. a. 19? 



Explicit antitodarius scriptus 
anno domini .1351. in die 
beati ypoliti martiri 

Finito libro sit laus et gloria Christo 
Dexteram scribentis benedicat lingua legentis. 



193 

ciscorum et pilularum sufficiat competenti serie demonstravimus : fol. 44 v. 
et ut scolares medicinarum pondere releventur et in qualibet 
terra coram dignissimis personis pondera distinguendo et medi- 
cinas valeant dispensare: et cum dispensandi habeant copiam de 
nummorum et amicorum plenitudine glorientur. 



FINIT ANTIDOTARIVM NICOLAI IM- 
PRESSVM VENETIIS PER NICOLAVM 
lENSON GALLICVM .M.CCCC.LXXL 



13 



A. 

Aaron, aronskelk, kalfsvoet; Arum maculatum L. „aron i. e. pes vituli 
sive draguiitea minor et alio nomine vocatur iarus [sic] vel barba 
aaron" (LTGl.). 

Abbas de curia leefde aan het hof van Roger, hertog van Apulië (1060 
-mi), zoon van Rob. Guiscard. Van hem komen in het Antid. 
van Nicolaus 2 praeparaten voor, n.1. Diarrhodon Abbatis en Elec- 
tuarium ducis. 

Abrotanum, citroenkruid; Artemisia abrotanum L. „a. dats averone of 
iagerande" (Herb.). Het werd in den bloeitijd ingezameld. De bloe- 
men en bladeren werden gebruikt, na van de steekjes ontdaan te 
zijn. Volgens LTGl. blijven ze gedroogd i a 2 jaar goed, maar is 
jaarlijks ververschen beter. De oude kruidkenners onderscheidden 2 
soorten : a. masculinum of campestre (Plin.) vooral voorkomende in 
Galatië en a. femininum of montanum (Plin.), vooral in Sicilië (Diosc.) 
De beste soort is, volgens Plin., de Siciliaansche, daarna die uit 
Galatië. Volgens de oude schrijvers is het even bitter als alsem; 
en lang niet iedereen zou het kunnen verdragen (Gal.); „abroto- 
non aegro non audel, nisi qui didicit, dare ')" (Hor. E. pist. lib. 
II, 114). 

Absint(h)ium, absincium, alsem; Artemisia Absinthium L. „absinthium 
dats alsene . . . ende men salse gadren in den uitgange van den lin- 
tere ende drogen ende dan geduert si .1. jaer goet" (Herb.). Men 
kende A. Ponticum of Romanum (M. Sylv.), volgens Dod, eigenlijk 
eene andere soort; deze gold voor de beste. Verder A. Santonicum, 
A. marinum of Seriphium. Plin. noemt nog A. Italicum, minder 
bitter en minder goed dan de A. Ponticum. Volgens Mesue^) is de 
hoedanigheid van absinth beter, naar gelang zij meer landwaarts 
groeit. Volgens J. d. S. A. zetelt de meeste kracht in het sap. Van 
de spreekwoordelijk geworden bitterheid der plant gewaagt ook Ovidius : 
„Tristia deformes pariunt absinthia campi 
terraque de fructu, quam sit amara docet'')" 



i) Slechts iemand die er verstand van heeft mag abrotonon aan een zieke geven. 

2) Lib. de simpl. cap. xii „de absinthio". 

3) Op de afzichtelijke -velden groeit de treurige a. en de aarde leert door de 
vruchten, die ze voortbrengt, hóe bitter zij is. 



195 

e. a. plaatsen uit zijne litt. ex Ponto. Diosc, Plin. e. a, geven ver- 
schillende manieren om een decoctum te maken. 

Acacia, achatia enz. A. Arabica Willd., Mimosa Nilotica L., volgens 
Dod. arabische gom. Het middel werd als geneesmiddel niet veel ge- 
bruikt; oudtijds diende het als cosmeticum: „Perfluebant per frontem 
sudantis acaciae rivi ')" (Petron. Arbiter). De echte a. maakte men 
van het sap van de vruchten — soms in vereeniging met de bladeren 
— van verschillende struiken. Men had eene donkere en eene licht 
bruine soort. Volgens Diosc. en Gal. werd de heldere — de beste — 
uit onrijpe zaden [sic], de zwarte uit rijpe zaden gemaakt en blijft 
zij een jaar goed. In plaats van de echte a. werd vaak het sap van 
den sleedoorn gebruikt. Zie : gomme van Arabien. 

Acces, het opkomen van koorts, koortsaanval. 

Acetosa, zuurling, o^vXaTraSov, lapathum; Rumex acetosus L, r,a. dats 
surkele" (Herb.); de witte klaverzuring, Oxalis acetosella, werd vol- 
gens Kiliaen ook surckel genoemd. 

Acetum, eigenlijk ieder zuur; in het Antid. v. N. S. is het azijn. 

Acharistum. Er komen vele recepten onder dien naam voor. Gal. *) 
noemt er verschillende, o. a. van Philoxenos, Capiton, Sosander, 
Severius. Aegyptische oogartsen schijnen zich bij verschillende oog- 
ziekten (epiphora) van het praeparaat te hebben bediend. De prae- 
paraten, bij Galenus beschreven, wijken sterk af van die uit de 
middeleeuwen; de oude zijn veel eenvoudiger; in alle komt cad- 
mia voor, wat men bij N. S. niet vindt. In de „additio", behoo- 
rende bij a., wordt dit het groote acharistum genoemd, in tegen- 
stelling met het kleine, genoemd in Nicolaus' groot Antid. waarin 
beide recepten voorkomen. N.M. geeft ook eenige recepten; slechts 
éen echter (antid. n° lo) gelijkt op het praeparaat van N. S. 

Achatia, zie: acacia. 

Ac(h)orus, kalmoes, zwanenbrood; Acorus Calamus L., volgens anderen 
Iris pseudoacorus L. In het Antid. wordt afzonderlijk genoemd radix 
acori. „A. ... ende men sceldet gladie. Si wast in wacken steden 
ende heeft lange breede bladere alse lisch ende si draget geluwe 
bloemen alse lelyen ende tsaet hanct alse bonepolen" (Herb.). „A. 
est herba, quae aHo nomine vocatur gladiolus, cuius radix est melior. 
Debet coUigi in canicularibus diebus et per frusta divida minuta et 
ad solem siccari; per ii vel iii annos potest servari. Eligendus est 



1) De man transpireerde zoo, dat er stroomen a. langs zijn voorhoofd neer- 
vloeiden. 

2) 11. IV de compos. medicam. secundum locos. 



196 

A. subrufus, ponderosus, continuus et non perforatus *)" (LTGL); 

ook spreekt hij van een vinum decoctionis acori, Plin. en Diosc. 

zeggen, dat de beste soort uit Colchis komt, de minder goede uit 

Galatië en de minste van Creta. Reeds in Nicolaus' tijd gebruikte 

men A. in plaats van het te zeldzaam geworden Calamus aromaticus. 
Actis, accis; Sambucus nigra L. „a. i. sambucus" (M. Sylv.). c(h)amae- 

actis beteekent A. humilis, waarmede men ebulus bedoelde. (Add. 

bij Pill. de elat.) Sambucus Ebulus L. Zie ook: adec. 
Adec, hadick, vlier, walworte (Kil.), kleine-, kruidvlier. Zie ook: actis. 
Adriantum, venushaar; Capillus Veneris L., a. capillus Veneris secun- 

dum Galenum" (M. Sylv.). 

Adrianum. Dit praeparaat, dat door keizer Hadrianus zou zijn uitge- 
vonden, komt in verschillende middeleeuwsche antidotaria (Mesue, 
Gal.) niet voor. Het schijnt vrij spoedig in onbruik te zijn geraakt; 
tenminste in den Franschen tekst wordt gezegd „il n'est ore mie 
confeit" en men vindt er nog bijgevoegd, dat men er voor in de 
plaats geeft aurea alexandrina. N. M. geeft vele recepten van dien 
naam, maar alleen Antidotus n". 2 is met het praeparaat van N. S. 
te vergelijken, „adrianum blijft 7 jaar goed" (D. N.). 

Afdoen, van het vuur zetten. 

Affodillus, heggelelie, graflelie, leliken van Calvarie (W.); Asphodelus 
tenuifolius Cav. of a. ramosus L., Hes., Plin. e. a. vermelden haar. 
Reeds Homerus spreekt van deze plant (Odussea A 539). P. v. Ae. 
beschrijft een pleister van a., diasphodelon genaamd. 

Agaricus, Polyporus officinalis Fr. In L T Gl. worden eene mannelijke 
en eene vrouwelijke soort onderscheiden. Volgens Plat. is de man- 
nelijke zwaarder en op doorsnede verschillend van kleur; de vrou- 
welijke is lichter en van binnen gelijkmatig wit; hoe lichter, des te 
beter voor het gebruik; men kan het 3 jaar bewaren. M. Sylv. zegt, 
dat ze bij de wortels van lorkeboomen groeit en vooral in Babylonië 
en Lombardije voorkomt. 

Agnus castus. In het Antid. komt voor flos agni, in den Latijnschen 
tekst aangeduid door nixacar en zuccozaria. De plant heet ook vitex, 
volgens Plin., die 2 soorten onderscheidt: eene grootere, ongeveer 
ter grootte van wilg, en eene kleinere, een struik. Volgens W. B. 
werd ze ± 1700 niet meer gebruikt. Zie ook: nixacar en zuccozaria. 



1) A. is een kruid, dat ook gladiolus genoemd wordt en waarvan de wortel het 
beste is. Het moet in de hondsdagen ingezameld, in stukjes gebroken en in de zon 
worden gedroogd. Het kan 2 of 3 jaar bewaard worden. De beste soort is de rood- 
achtige, zware, die gaaf en die niet doorboord is. 



197 

Agrimonie, leverkruid, agremone hepatitis; Agrimonia Eupatoria L, In 
den mnl. tekst vindt men nog afzonderlijk genoemd „wortel van agri- 
monien," ook Eupatorium Graeconum geheeten. Zie : Eupatorium. 

Aysine, aysijn, acetum, azijn. 

Akon, alkon. Zie: dannialkon. 

Alcancalon. In de latere Latijnsche uitgaven heet dit praeparaat euan- 
gelon. Volgens Add. zou dit electuarium niet meer worden ge- 
bruikt. Franschc geneesheeren zouden tryphera Nicolai gebruiken. De 
samenstelling en de bereidingswijzen verschilden. N.M. geeft ook een 
recept (n". 24); bij Mesue komt het niet voor. 

Alexander. Het is niet zeker, welke Alexander wordt bedoeld; misschien 
wel Alexander van Tralies, uit den tijd van Trajanus en Hadrianus. 
Deze zou de uitvinder zijn van aurea alexandrina. P. v. Ae. geeft 
ook een praeparaat van hem (?) op. Persijn van alexander = ale- 
xandrum. 

Alexandrië, saet van Alexandrieën komt in het Antid. van Nicolaus 
voor evenals alexandrini. Zie: alexandrum. 

Alexandrum, „i. e. oxilatrum [1. olus atrum ')] siveapium macedoniccm" 
(Add.). 

Alipiados, elimpiados. In Add. bij diacastoreum staat: „A. secundum 
compositorem [Nic] est mezereon, et semen ipsius cocognidion vo- 
catur et non est laureola ut quidam dixerunt; et aliter vocatur 
herba catholica *)". Sylv. zegt: „A. i. camelea, mezereon, herba ca- 
tholica, laureola idem cuius semen cocognidius vocatur secundum 
quosdam, sed falso')". In den mnl. tekst staat eveneens: „era logod. 
coconidii dats laureola." Ieder der oude schrijvers heeft hierover eene 
eigen meening. Tegenwoordig houdt men de cocognidii (coccus 
Gnidii) voor de vrucht van Daphne Gnidium L. Zie ook: laureola. 

Alipta, zie: confectie aUpte muscate. 

Alleluia, „panis cuculi" (M. Sylv.), koekoeksbrood, wilde klaverzuring ; 
Oxalis acetosella L. Zie: Acetosa. 

AUium, „dats looc . . . Ende es van .2. manieren deen es wilt ende tander 
tam. ende wast in den hof daer ment post. ende es dit dat wi ge- 
meinlike orboren" Ende dander wast opt velt. Ende heet scordion. 
dit en es niet also fel als tander. daeromme orbort ment meest in 



i) Zwarte kool. 

2) A. is volgens den samensteller mezereon, en het zaad wordt cocognidion ge- 
noemd en is geen laureola, zooals sommigen gezegd hebben ; en het heet ook 
herba catholica. 

3) A. heet ook camelea enz. en is hetzelfde kruid, als dat waarvan het zaad, 
ten onrechte, door sommigen cocognidius genoemd wordt. 



198 

phisiken (geneeskunde). Ende dit gadert men int ende van den lintere 
ende droget. AIso mach ment .2. jaer orboren, maer hets beter dat 
ment alle jaren vernuwet" (Herb.). 
Aloë. Het sap der verschillende aloë-soorten levert A. Succotrina Lam., 
A. ferox Mills, A. Africana Mills, A. Abyssinica Lam., A. vera L. 
enz. De oude kruidkenners (Diosc, Gal.) kenden maar éene soort, 
komende uit Indië. Ten tijde van Nic. onderscheidde men: A. Suc- 
cotrina, helder geelachtig, zijnde de beste soort, A. hepatica,' lever- 
kleurig en minder goed en A. caballina, de slechtste soort, waarvan 
men zeide, dat ze alleen voor paarden geschikt was, maar dit zou 
volgens Pomet eene dwaling zijn, daar het noch voor menschen 
noch voor dieren geschikt is. Volgens J. Mesue (11. II canon, de 
simplicibus) komt de beste A. uit het eiland Socotra, bij kaap Guar- 
dafui ; de 2e qualiteit is de perzische, 3e de armenische en de minste 
die uit Arabië. Voor xylo-, silloaloë, lignum aloes zie: lignum aloes. 
Alsene, zie: absinthium. 

Althaea, heemst, hoemst, hoomsch ; A. officinalis L. Ook bismalva, malva- 

viscus (malva silvestris eviscus) genoemd. In den mnl. tekst wordt 

het eenmaal vertaald door musemaluwe (zie aldaar). Men gebruikte 

de bladeren en de wortels; ook wel de zaden. „Cum in unguentis 

et emplastris a. invenitur, folia vel radices debent apponi, in anti- 

dotis tamen semen est ponendum. Per annum servatur *)" (L T Gl.). 

Alumen, stypterea, stipterium. Onder dezen naam reeds bij Herodotus 

te vinden; toen kende men echter uitsluitend het natuurlijke aluin 

(Diosc, Plini) ; in ieder geval werd alleen dit aluin in de geneeskunde 

gebruikt. Men onderscheidde (Diosc, M. Sylv.) a. scissum, a. de 

pluma, iameum — de beste soort — a. rotundum (zuccarinum), a. 

liquidum, a, de rocha lipparium. A. plumosum en catinum rekende 

men niet tot de eigelijke aluinsoorten (Peters, Aus pharm. Vorzeit). 

In Blancardi Lexic. medic worden 5 soorten opgegeven, waarbij 

gezegd wordt, dat alumen cat. asch is van verschillende houtsoorten. 

Alwit. In den Latijnschen tekst staat alumen (aluin). 

Amand(e)len, amandren; Amygdalus communis L. Cato noemde ze 

Grieksche noten. In den mnl. tekst werden nog afzonderlijk „Soete 

a." genoemd. 

Amariscus, zie: tamariscus. 

Amber, ammer. In den mnl. tekst komen voor a. van oriënt of van 



. 



i) Wordt er bij unguenta en emplastra althaea opgegeven, dan moet men de 
bladeren of de wortels nemen, voor tegengiften echter het zaad. Het blijft een jaar 
lang goed. 



199 

occident. Volgens Plat. tempert het de hevige werking van andere 
middelen. Het ontstaat uit sperma ceti, dat in de westelijke zee 
voorkomt. Er bestaan 2 soorten : eene witte en eene grijze *) ; deze 
laatste is de beste. Het wordt vervalscht door bijmenging van lab- 
danum en styrax. De zwarte soort is werkeloos. Over den oorsprong 
heerschten verschillende meeningen. Amber is een concrement, af- 
komstig uit de ingewanden van verschillende cataceeën, in het bij- 
zonder van den potvisch (Macrocephalus Physeter). Men vindt het 
drijvende in de zee (Japansche zee, Atlant. oceaan): het riekt naar 
muscus. 

Amentum, „i. nitrum coctum" (M. Sylv.). In den mnl. tekst wordt het a. 
dulce genoemd, dat in L T Gl. onderscheiden wordt van a., uit 
slecht krijt gemaakt. Volgens J. d. S. A. wordt het gemaakt uit 
nitrum of zeer steenachtige aarde. Men moet de lichte en witte soort 
hebben ; het blijft lang goed. 

Ameos, akkerscherm; Ammi maius L. Men wil, dat de naam ontstaan 
zou zijn, doordat de middeleeuwsche latinisten uit het bij Diosc. 
voorkomende üfjifxsu:; (gen. van xfifii) een nominativus ameos zouden 
afgeleid hebben. L T Gl. zegt dat vooral de zaden gebruikt wor- 
den, die men des zomers moet inzamelen en dan drogen, waarna 
ze 2 jaar goed blijven. Hij bespreekt daar ook een vinum coctio- 
nis ameos. De plant stond bekend om hare diuretischen werking. 
Diosc. zegt, dat sommigen het cuminum aethiopicum noemen. De 
plant is „vulgo notum" en komt ook in Nederland in het wild 
voor. Zie : amer. 

Amer komt driemaal in den mnl. tekst voor; blijkens den latijnschen 
tekst wordt er ameos mee bedoeld. 

Amidi, „dat sijn amandelen" (mnl. tekst dyadragantum), zie aldaar. 

Amidum, zie: amylum. 

Amigdala, amigdola, zie: amandelen. 

Amylum, zetmeel, meestal tarwe zetmeel'. 

Amomisse is inheemsch in Armenië, heeft bloemen als origanum en 
lijkt, volgens Plin. (xir, 28) en M. Sylv., op amomum. 

Amomum, A. Cardamomum L. Diosc. (i, cap. xiv) zegt, dat het vaak 
vervalscht wordt door een kruid, dat er veel op lijkt en dat amomis 
heet. Het zaad is medicinaal en kan lang bewaard blijven, volgens 
L T GL, waar ook een vinum decoctionis amomi genoemd wordt. 
Virgilius (Eclog. iv, 25) spreekt van a. assyrium, omdat het vooral 
daarvandaan kwam. 



l) Er staat grisea", bedoeld wordt echter chrysea (goudkleurig). 



200 

Amonium, verkeerd voor amomum. 

Amum, „fructus ami est semen iuniperi" (Add.). 

Anabula. In den mnl. tekst worden wortels van anabulen genoemd en 
succus radicis. „A. est spes titimalli" (M. Sylv.). L. d. S. M. onder- 
scheidt eene a, „qui croist oltre mer" van de a. noslras dat tithy- 
malus is. Ook in de Alphita wordt a. niaior (gelijk aan spurga en 
mezereon) onderscheiden van a. minor, dat titimallus is. 

Anacardium, noot van de Semecarpus anacardium L. Fil. O.-Indische 
olifantsluis of O.-I. acajounoot. De W.-I. olifantsluis is afkomstig van 
Anacardium occidentale L. Volgens L T Gl. moet men de zwarte, 
vochtige en zware uitzoeken, die vervalscht worden, doordat ze, op 
een vochtigen grond gelegd, het vocht tot zich zouden trekken; men 
herkent deze echter hieraan, dat ze slechts aan den buitenkant voch- 
tig zijn. Eene enkele maal wordt met a. bedoeld theodoricon ana- 
cardium. „a. da[t]s theodoric. a." (mnl. tekst). 

Anagodam, „i. sumach" (M. Sylv.) In het Antid. worden seminaanago- 
dam genoemd. 

Anetum, dille; Anethum graveolens L. LTGl. zegt, dat men steeds de 
zaden gebruiken moet. Virg. (Ecl. II, 48) spreekt van a. bene olens. 
„Uljcera praecipue membri curare virilis, Dicitur iste cinis infusus 
saepius illis ')" zegt Macer. „Drie jaer gheduertet ghereet. Opdat 
verdroghet si een deel" (N.B. x, 114). 

Anis(um), anys, vrucht van de Pimpinella Anisum L. Volgens Plat. moet 
men van deze plant de zaden gebruiken, welke 20 jaar goed zouden 
blijven. De beste, zegt Diosc, komt uit Creta en Aegypte. 

Antali komt gewoonlijk voor in vereeniging met dentali. Het is volgens 
Pomet') al even weinig bekend als d. Wat het eigenlijk is, weet men 
niet; het is het huisje van een in zee levend schaaldiertje, door 
Pomet beschreven als een hol buisje, hoogstens ter dikte van een 
penne schacht. In de 17e eeuw werd het reeds weinig meer gebruikt, 
ten minste de 2e uitg. van de Pharmacop. Norinberg. 1666 geeft 
het in de lijst der simplicia niet meer op. 

Antera, „a. dats saet van rosen" (Herb.). 

Antidotum emagogum. Volgens L T Gl. wordt het door sommige men- 
schen „wel eens" gebruikt; het was dus in dien tijd reeds in onbruik. 
Mesue noemt het niet. 

Antimonium. Tot de 15e eeuw kende men geen metallisch antimoon 



i) Men zegt, dat men vooral zweren van het manlijke lichaamsdeel geneest door 
de asch ervan herhaalde malen er op te leggen. 
2) Hist. gén. d. drogiies II p. 105. 



201 

(Peters, Aus ph. Vorzeit), maar alleen de zwarte zwavelverbinding. 

Het zou weinig in de middeleeuwen gebruikt zijn. 
Antimoron. Fuchsius zegt in zijne aanteekeningen bij dit praeparaat, 

zooals het bij N. M. voorkomt, dat het van arabischen oorsprong is. 

Daar heet het diatamaros. In LTGl. wordt het een electuarium 

laxativum genoemd. Pe Fransche tekst, waarin het achonaton (atha- 

naton) heet, is zoo onvolledig, dat hij niet woordelijk met den latijn- 

schen te vergelijken is. 
Antofali, antofolii, antiofili, anthophylli. „a, sunt crassi garyophyli" 

(i/roi.).' 

Antos, „a. est flos rosis-marini" (LTGl.). Het vormt de basis van di- 
anthos. 

Antriplex, melde. Zie: atriplex. 

Apie, apium, eppe, Juffrouw merck, selderie; selinum der Grieksche 
schrijvers; A. graveolens L. „a. macedonicum sive alexandrum" 
(LTGl.). De gewone a. is de kleine, in tegenstelling met de groote, 
ook hipposelinum, alexandrum, macedonicum genoemd. Christoph. 
de Honestis onderscheidt van de gewone a. de a. domesticum en de 
betere soort, a. sylvestre. Ook zegt hij, dat de zaden beter werken 
dan de rest van de plant. In den mnl. tekst worden apissaet en wor- 
tel van apie apart genoemd. Zie ook: persijn en petroselinum. Er 
heerscht in de oude litteratuur eene hopelooze verwarring omtrent 
de benaming der verschillende soorten Apium. 

Apoplexia, „die dese ziecheit heeft verliest al sijn beseffen ende sijn 
voeren (zijn gebruik) van sinen leden ende al sijn verstennisse. ende 
dien dese ziecheit comt toe die sterven ende dat corteleke sonder 
lange quelen" (D. b. s. v. M.). 

Apozima, apozema. decoctum, afkooksel, met wijn of water bereid. 

Appel, vrucht van Pirus malus L. „i couden appel" en „een geluwe 
appel" komen voor in Ung. citrin. 

Aqua. In het Antid. wordt genoemd a. communis, calida, frigida, tepida, 
ordea *) (zie: hordeum), dulcis, marina, pluvialis, rosarum (zie: rosa), 
rosarum c. musco, vitae *) (1.: a. vitis). Zie öok: water. 

Argentum, zilver. A. meri komt in het Antid. voor; ook limaturaargenti 
(zie : limature). a. vivum is : kwikzilver. 

Aristologia, holwortel, pijpbloem; oosterlucye (Kil.), „a. dats sarasine- 
cruut ende es van .2. manieren deen scelt men a. longa (A. parvi- 
flora Sibth) ende de andere scelt men a. rotunda (A. pallida VVilld). 



1) gerste water. 

2) alcohol. 



202 

Ende es geheten holewortte in dietsche ende wast meest oostwert. 
.... Ende te wintere sal mense gadren alse de lovere vallen" (Herb.). 
Plat. zegt, dat, als men in een recept alleen a. vindt geschreven, 
men dan de a. rotunda moet gebruiken, die volgens hem 3 jaar 
goed blijft. Ook zegt hij, dat de ronde sterker werkt, dan de lange. 
Men moet de plant volgens hem in de lente of in den zomer inza- 
melen en drogen. Diosc. beschrijft 3 soorten: a. rotunda s. foemi- 
nina, a. longa s. masculina en a. clematitis. Plin. voegt hier nog 
eene 4e soort aan toe: a. pistologia. Later kwam als 5e soort het 
saracynskruid. De tegenwoordige a. clematitis komt in Griekenland 
niet voor; daarom meent Dragendorf dat Diosc. hiermede onze a. 
boetica bedoeld heeft. Oorspronkelijk zou de plant in de verloskunde 
gebruikt zijn : kficTT-/! tcuc, Xoxqic, '), hetgeen dan de oorsprong van 
den naam zou zijn. Zie: hippocr. 

Armoniac(um) , sal armoniac, is chloorammonium. „Sal ammoniacus, 
aestuantis Lybiae sitientissimis locis genitus : Cyrenaicus veterum circa 
Ammonis templum copiosus*)" (Boerhaave, Elem. chem.). In hss. en 
oude drukken vindt men armoniac waar in latere uitgaven ammo- 
niac staat. 

Arnaglossa, Plantago maior L. s. P. asiatica L. „a. of plantage, dats 
wegebrede" (Herb.). 

Artemisia, St. Janscruut; A. vulgaris L. „a. dats bivoet" (Herb.). Vol- 
gens LTGl. gebruikt men de bloemen en de bladeren zonder de 
steekjes; men moet het kruid in den bloeitijd verzamelen; het blijft 
een jaar goed. 

Arteriosus, „a. sunt illi qui detrimentum patiuntur in trachea arteria" 
(Add.). 

Artetica, artetike, athritis. „oec scelt ment fledercijn. Ende ook heet 
ment gescot, omdat het sciet van enen lede in dandere .... Alse 
dese siecheit es in die hant, so scelt ment cyrogram. Ende als i es 
in den voeten so heet ment podagrum" (Av. d. w. m). Zie ook: scia- 
ticus en jicht. 

Arteticus, lijder aan artetica. 

Arum, zie: aaron. 

As(s)a f(o)etida, duivelsdrék, ook genoemd opium quirinacium, naar 
Cyrenaica, het land van herkomst ; wordt geleverd door de ferula asa 
foetida L. „a. quae est ferri coloris, in se habens terrae admistionem 



i) zeer goed voor kraamvrouwen. 

2) Chloorammonium komt voor in de droogste plaatsen van het warme Lybië*, 
cyreniacus is zeer overvloedig bij den ouden tempel van [Juppiter] Ammon. 



203 

proiciatur. Eligatur in colore quae similis est sagapeno, quanto foe- 
tidior tanto melior ')" (L T Gl.). Zie: ook silfium. 

As(s)arum, asara baccara, mansoor, haselwortele, A. europaeum L. Plat. 
zegt, dat men de wortels gebruikt; men zou ze 3 jaar kunnen be- 
waren, maar Dod., in het bijvoegsel achter'asarum zegt, dat zij niet 
langer dan i jaar goed blijven. Volgens hem moet men ze inzamelen, 
wanneer de bloemen beginnen te ontluiken. Men moet ze in de zon 
laten drogen en dan in houten kisten bewaren. In den mnl. tekst 
wordt sap. van a. vermeld. 

Asma, zie: asthma. 

Aspaltum, „mumie of a." staat er in den mnl. tekst, maar dat is niet 
juist (zie: mumie). „a. alio nomine dicitur bitumen iudaicum : quidam 
dicunt esse venam terrae, alii dicunt quod in lacu Sodome reperitur; 
non sophisticatur; diu servatur*)". (LTGl.). 

(A)sparagus, speragus, asparaga. asperge, coraeïcruyt, sparge, spargula, 
Asparagus officinalis L. Afzonderlijk worden genoemd succus, semen, 
radix asparagi. 

Assungia, axungia, reuzel. In den Lat. tekst komen voor a. porcina en 
a. gallinacea. 

Asthma, „dicitur a., quando cadit peccatum in expiratione, et est sine 
sono et cum tussi parva ^)" (L T Gl.). 

Atermente, inkt, eigenlijk zwarte vloeistof. Men onderscheidde a. cona- 
riorum, coperoet, en a. libranum, schrijfinkt (W.). 

Atherionum. Hiermede wordt, blijkens den Lat. tekst, antimonium be- 
doeld. 

Atriplex, melde, hofmelde; A. hortensis L. In den mnl. tekst staat 
antriplex; men vindt er semen antriplicis nog afzonderlijk genoemd. 

Aurea Alexandrina. Deze opiate door Alexander (zie aldaar) uitge- 
vonden, heet zoo omdat het goud bevat of wel, omdat het zooveel 
waarde heeft als goud; „alexandrina" heet het naar den uitvinder 
(N. M. zet aurea alexandri) of misschien naar de stad", zegt Plat. 
Men geeft het, volgens den Franschen tekst, in plaats van adrianum. 
Het heeft eene constrictieve werking (door het opium\ eene confor- 



i) A. dat een ijzerkleur heeft, met bijmengsels van zand. Deze soort moet men 
niet gebruiken. Men moet die hebben, die er uitziet als sagapenum ; hoe fetider 
lucht, hoe beter. 

2) A. heet ook bitumen iudaicum', sommigen zeggen dat het eene soort aarde is, 
anderen, dat men het in de Doode Zee vindt; het wordt niet vervalscht en blijft 
lang goed. 

3) Men noemt het a., wanneer het euvel ligt in de uitademing en het is geluidloos 
en met gering hoesten. 



204 

tatieve (door de aromatische kruiden) en eene oplossende. Het blijft 
volgens D. N. 5 jaar goed. 

Aureus, aurum, zie: gewichten. 

Auripigmentum, zie : operment. 

Avellana, haselnot, hazelaar; Corylus Avellana L. „a. ita assantur. nu- 
clei in vase ferreo moveantur continue, ne exurantur, postea fricentur 
. fortiter inter manus, ut pelliculae non remaneant; similiter terantur 
et cum melle bene despumato conficiantur ■)" (LTGL). „also groet 
alse ene haselnoot" is de maatstaf voor de dosis van vele medica- 
menten. 

Averone, zie: abrotanum. 

B. 

Baccae lauri, bakelare. Laurierbessen. Zie: laurus. 

Bayen, bessen, vooral laurierkers „Laurus, hierop wassen die bayen. . . . 
Ende die bayen duren goet i jaer" (Herb.). Voor de bereiding van 
„olye van bayen" zie: laurus. 

Bakelare, baccae lauri. Zie: laurus. 

Balaust(r)ia, balustie „bloemen van den wilden Granaatboom" (W.); 
Punica granatum L. Volgens Dorveaux is het een als enkelvoud ge- 
bruikte meervoudsvorm. Men gebruikte de bloesems en de blaadjes 
zonder de steekjes. „Deze droge blijft i a 2 jaar goed, maar het 
is beter, ze ieder jaar te vernieuwen" (L T Gl.). 

Balsamita, mentha sylvestris, herba divae Mariae, St. Mariencruut; 
Tanacetum balsamita L. Algemeen bekende plant, die in de lente 
ingezameld moest worden (L T Gl.) en een jaar goed bleef. Hoe 
verscher, des te beter. Zie : sisimbrum. 

Balsamum, „b. dats verscheit vander balsemen" (mnl. tekst). B. Judai- 
cum. De oorspronkelijke b. (olie-dik sap van den B. Gileadense 
Kunth) was afkomstig uit het dal van Jericho in Gilead (Judea). 
De struik, die den balsem leverde, moest door de Romeinen voor 
uitroeiing door de Joden behoed worden (Plin. 1. xii, cap. xxv). 
Castaeus (± 1575) zegt, dat men in zijn tijd de balsem-olie ternau- 
wernood bij koningen zag en dat men in hare plaats eene uit myrrhe 
geperste olie gebruikte. Paus Pius V (1551) stond reeds toe, dat bij 
kerkelijke plechtigheden eene andere balsemsoort gebruikt werd, om- 



i) A. worden aldus geroosterd: de pitten worden voortdurend in een ijzeren pot 
geschud, opdat ze niet verbranden; daarna moet men ze krachtig tusschen de han- 
den wrijven, opdat de schilletjes er niet in blijven; evenzoo moet men ze stooten 
en met goed afgeschuimden honig bereiden. 



205 

dat de echte niet meer verkrijgbaar was. Volgens L T Gl. moet, indien 
men wat sap van den balsemstruik in geitenmelk doet, deze direkt 
stollen; doopt men er de punt van een doek in, dan mag er, wan- 
neer de plek weer droog is, geene vlek achterblijven, als de balsem 
niet met olie of terpentijn vervalscht is; in het vuur gebracht, moet 
men vlammen zien; waar men het in het water brengt, aan de op- 
pervlakte, in het midden of op den bodem, het moet overal op 
dezelfde plaats blijven; wanneer men het met gevvasschen handen 
door een doek perst boven zuiver water, moet men dezelfde hoe- 
veelheid terugvinden. Men gebruikte van den balsemstruik het sap 
(opobalsamum, balsemolie), de takjes (xylo-, sillobalsamum), die, vol- 
gens L T Gl., op het eind van den zomer verzameld moeten worden 
en 2 jaar goed blijven, en de bloesems (carpobalsamum). 

Bardana; Lappa officinalis, L. „b. dat sijn grote doeken" (mnl. tekst). 
Volgens W. zijn het „grote dissen". Vooral de schors van de wor- 
tels wordt in de geneeskunde gebruikt; zij golden als een uitste- 
kend middel tegen door jicht veroorzaakte gewrichtspijnen. Volgens 
L T Gl. worden de pijnlijke gewrichten met een afkooksel in wijn 
ingewreven. 

Basilicon, „semen basiliconis proprie dicitur ozimum" (L T Gl.) Ocimum 
Basilicum L. M. Sylv. onderscheidt b. gariofilatum (de beste soort), 
b. commune en b. latum. Wanneer men b. in een recept vindt, moet 
men, volgens Plat., de zaden gebruiken [deze zijn rijk aan slijm], som- 
migen echter gebruiken het gedroogde kruid [dit is rijk aan aetherische 
olie]. Het wordt, volgens L T GL, niet vervalscht en blijft een jaar 
goed. Zie ook: Ocinum. 

Baucia, „Daucus graecus id est bautia vel pastinaca" (M. Sylv.). „B. 
dats pasternake . . . ende men doeter meer in spisen dan in medici- 
nen" (Herb.). Zie : pasternake. 

B(e)dellium, gomhars van Commiphora africana, Engl. Naar de plaats 
van herkomst onderscheidt men b. judaicum, b. arabicum en b. de 
Meka. „Het gelijkt", zegt Pomet, „veel op arabische gom; het be- 
staat uit heldere droppels." Serapio zegt, dat er ook nog eene on- 
doorschijnende soort is. 

Behen wordt, volgens LTGl., in overzeesche gewesten gevonden; de 
wortel wordt in de geneeskunde gebruikt ; de droge blijft 3 jaar goed. 
Men onderscheidde b. album, afkomstig van Centaurea Behen L. 
en b. rubeum, geleverd door statice limonium L. 

Bekeren, beteren, herstellen, bekeringe van ener ziecheit. 

Benedicta. Wat hier als recept behandeld wordt, is echter oorspronkelijk 
een stukje uit de L T Gl. „B. approuvee aux podagres, artheticis, 
paraliticis, nefriticis" (F2). In de inhoudsopgave van L^ wordt het 



2o6 

als een . afzonderlijk tot het Antid. behoorend praeparaat genoemd. 
Er bestaan nog meer recepten van dezen naam: Saladinus de Aus- 
culo, die in zijn Compendium aromatorum eene lijst geeft van de 
in het Antid. Nic. voorkomende praeparaten, noemt nog een b. 
transtyberina, „quia trans Tiberim Romae fuit inventa." N.M. geeft 
4 verschillende soorten. 

Bestaan, stil laten staan, bijv. on) af te laten koelen. 

Betonica; B. officinalis, L. koortskruid. „b. es betonie in dietsch" (Herb.). 
Het wordt ook vetonica genoemd, o.a. in F, en N.M. 

Bolle, wilde haver (?) (mnl. wdb.). In L, staat nigelle, waar in den mnl. 
tekst bolle staat. „Den Grooten Herb." geeft aan de bolderik fAgros- 
tema githago L.) den naam nigella. In de Oost-Velu we en in Sal- 
land wordt de plant nog bolle genoemd (Hk.). E. Paque in zijn boek 
„De vlaamsche volksnamen der planten" geeft ook den naam nigel. 
Zie ook: Melantium en Nigelle. 

Bolus (armenicus), eene aardsoort, die men o.a. in Armenië vindt en 
die gebruikt wordt als stypticum. In Yperman's „Cyrurgie" ook 
„bollen van Hermeinen" genoemd. Men onderscheidde i" b. rubra, 
door ijzeroxyde roodbruin gekleurd, „eene soort van aluinaarde, het- 
zelfde als terra lemnia" (Aus pharm. Vorzeit); deze zou de beste 
zijn; zij bevatte geene bijmengsels van andere aardsoorten, werd niet 
vervalscht en zou, volgens LTGl., lang goed .blijven; 2"b. alba, een 
aluminium silicaat, tegenwoordig nog wel veel gebruikt. 

Bombyx, bombax. Zie: boomwoUe. 

Bonepole, peulvrucht. 

Bonum melanum, zie: vovum malanum. 

BoomwoUe, bombyx, bombax, katoenpluksel, saet van b. is zaad van 
Go-ssypium. herbaceum L. Van bombax komt Ned. bombazijn. Over 
b. mori zie: sericum. 

Boraetsen, zie: borago. 

Borago, bernagie, boraetsen, boraedse; B. officinalis L, „b. dats borna- 
gie" (Herb.) In den mnl. tekst worden nog afzonderlijk genoemd 
„saet van bornagie entie bloemen en sop van bornagien." „buglossa 
dats wilde b." (Herb.). 

Borax, goudsoldeersel (B.), chrysocoUa (W.). Boerhaave (Elem. Chymiae 
I, p. 44) zegt: „b. vel chrysocolla appellatur; fossilis (i. sal fossile) 
magnam aque copiam ad solutionem requirens . . . corporum sibi 
commistorum fluxum in igne valde promovens. Sic metallorum, auri 

praeprimis consolidationem efficiens ')." L T Gl. zegt : „b virtu- 

tem habet . . . conglutinandi etc. *)." 



l) B. wordt ook wel chrysocolla (goudlijm) genoemd; in harden toestand behoeft 



20/ 

Borne, bronwater, drinkwater. De mnl. tekst noemt coude, lauwe, warme 
en ziedende borne. Zie: water. 

Breiden, zich verspreiden. 

Brionia, brionie, heggerank, wilde wingerd, schijtraap; B. dioica L. „b. 
of oude rapé of corpentaes" (Herb.). De plant behoort tot de Cucur- 
bitaceae en heeft purgeerende werking. Men onderscheidde b. (vitis) 
alba en nigra. „b. i. vitis nigra que grece dicitur ampeleos melena ')" 
(M. Sylv.). Alleen de wortels worden in de geneeskunde gebruikt. 
Zie ook: R. Robert, Histor. Studiën a. d. Dorpater pharmacolog. 
Institutes op b. alba. 

Bruscus, Bruscus officinarum, Ruscus; Buxus sempervirens L.;Ruscus 
aculeatus L. Men onderscheidde eene mannelijke en eene vrouwe- 
lijke soort, „ruscus silvestris is anders niet dan den hulst" (Dod.). 

Bulbus, „semen bulbi idest cepa marina" (LTGl.). 

Butyrum, boter. 

c. 

(voor „ca" „co" „cu" zie bij k). 

Cholera. Magister Maurus in zijne Regulae urinarum-) onderscheidt: 
c. naturalis en c. innaturalis, welke laatste hij onderverdeelt in c. 
citrina, vitellina, prassina en eruginosa. 

Cypressus, cypres; C. sempervirens L. In het Antid. komen pululae 
(knoppen) cypressi voor. 

Cyrimbrum, zie: cozumbrum. 

Cyrope, zie: syrope. 

CitruUus, citrul, watermeloen, anguria; C. vulgaris, Schr. Het zaad van 
c. behoort tot „die 4 coude sade." 

Citrus. Wellicht is hiermede bedoeld eene oranjeappelsoort (Fraas pleit 
voor Citrus decumana L. ; Zie Berendes : Ped. Diosk. Arzneimittel- 
lehre, blz. 137) en niet onze Citroen (Citrus medica L.) De zaden 
en de schil worden gebruikt. Men moet het zaad in Mei van de rijpe 
vruchten verzamelen; het blijft 3 jaar goed (LTGl.). In het Antid. 
komen ook folia citri voor. 

D. 

Dactilli, dattili, dactyli, daden ; vrucht van Phoenix dactilifera L. „phoe- 

het veel water om op te lossen .... in het vuur bevordert het ten zeerste het samen- 
vloeien van onderling vermengde lichamen. Ook lijmt het metalen, vooral goud. 
2) B. heeft de eigenschap om samen te lijmen. 

1) Vitis nigra, die in het Grieksch zwarte ampeleos heet. 

2) S. de Rewai, CoUect. Salernit., dl. lil. 



208 

nicon graece, dactilus latine" (LT Gl.). Volgens Plat. moet men alleen 
het vleesch gebruiken en houdt men ze 2 jaar goed. In het Antid. 
worden afzonderlijk genoemd caro dactillorum (het vleesch) en ossa 
dactillorum (de pitten). Zie : fenicon. 

Daden, dadels. Zie: dactilli. 

Dannialkon, „d. es olye van bayen" (mnl. tekst). Alkon is in den tekst 
door een . gescheiden van het voorafgaande danni, maar vormt daar- 
mede één woord. 

Deech, meel van Triticum vulgare Vill. 

Deere, alles wat iemand deert, pijn. 

Drag(ag)ant(h)um, tragacanthum , draguncium ; gom, afkomstig van 
Astragalus ascendens Boiss. (boksdoornstruik). Volgens L T Gl. on- 
derscheidt men eene witte-, verkoelende- en eene roodbruine-, ver- 
warmende-=-soort. 

Draguntea, dragontea, dracunculus; d. minor, ook pes vituli genoemd 
en d. maior „of columbina of serpentina" (Herb.), viperina (Diosc.) 
Zie: serpentina. 

Drakenbloet, zie : sanguis draconis. 

Droog, zie: humoren en: cracht. 

Drope, scabies, waterzucht, jicht, vlek. 

Dwaen, wasschen, reinigen. 

E. 

Ebulus, „e. dats adec . . . ende heeft die zelve macht die vlieder heeft . . . 

Entie wortel es medicinaal" (Herb.). Zie: actis. 
Ebur, ivoor. „India mittit ebur" (Virg. Georg. i, 57). In het Antid. wordt 

ook genoemd scavelinge van yvore. 
Edec, acetum, azijn. 
Edera, zie: hedera. 
Efïimera febre, „e. es i corts die comt van ontempertheiden van den 

geesten, die comt onderwilen van heter lucht, onderwilen van vanc. 

van gramscapen ende van menigerande saken" (D. B. s. v. M.). „Deze 
. corts geneest bi hem selven. Ende men geneestse met badene" 

(Av. d. w. M.). 
Ey. Het wit werd gebruikt om „syroop te claeren." 
Eyser, „dbloet van i vogel die eyser heet." In den Latijnschen tekst 

staat „anser". \ 

Elacterium, elatterium, zie : cucumer. 
Elect(u)arium, latuarie, likkepot. 
Electuarium catholicum. Volgens Add. vindt men dit prae])araat bij 



209 

sommige modernen in het kleine Antid. van Nicolaus, maar niet 
in oude codices. De schrijver der Add. trekt heftig te velde tegen 
de arrogantie en onwetendheid der verschillende kruidmengers, waar- 
van ieder het praeparaat naar eigen goeddunken samenstelt. Het 
in Lj gegeven recept, ook voorkomende in een aan Arnoldus toe- 
geschreven Antid., is volgens henu het beste. „Valde est bona me- 
dicina . , . parum est laxativum, tarnen aliquoties accidit quod mul- 
tum evacuat ')" .(J. d. S. A.). 

Elimpiados, zie; alipiados. 

EUeborus, zie: helleborus. 

Elve, „e. dats enula campana so wer ment vint" (mnl. tekst). 

Ematices, emacites. zie: lapis ematitis. 

Emigranea, zie: hemicrania. 

Emoptoicus, lijder aan „emoptoe". „emoptaica passio. dats dat .i. mensche 
spuwet bloet". 

Epaticus, hepaticus, lijder aan eene leverziekte. 

Eryngium, iringium, „kruisdistel ; E. campestre L. De beschrijving en 
de manier van toebereiden vindt men in den mnl. tekst bij zin- 
giber conditum. Zie : secacul. 

Eruca, E. sativa L. „e. dats hadrec ende wast op dat velt" (Herb.) „e. 
cocta cum carne hirci et comesta est diasatyron rusticorum *)" (L T Gl.). 
„Venerem revocans e. morantem ^)" (Virg. Moret.). De zaden blijven 
T jaar goed. 

Esch, Fraxinus excelsior L. In het Antid. komt voor „'t saet vanden 
esche". Zie: lingua avis. 

Esdra. „e. heeft sinen name na esdras den prophete die se ierst vant" 
(mnl. tekst). Het is eene „confectio magna et opiata" en wordt ge- 
noemd als bestanddeel van Pot. S^^" Pauli. „E. diu servatur et post 
VII annos melior est. Nota quod magister Copbo et mag. Jo. de Platea 
in hoc erant gemelli quia fero omnes alii de E. discordebant, dicen- 
tes quod E. aut nullam aut modicam habebat efficaciam *)" (L T Gl.). 



i) Het is een goed geneesmiddel . . . het is weinig laxeerend, maar af en toe ge- 
l)eurt het toch wel, dat het sterk werkt. 

2) De boeren laten iemand e. gekookt met bokkevleesch eten, om bij die persoon 
liefde te wekken. 

3) E., dat Venus, als ze op zich laten wachten, oproept. 

4) E. kan men lang bewaren en is na 7 jaren beter geworden. Opmerkenswaard 
is, dat mag. Copho en mag. Jo. de Platea (13e eeuw) ten opzichte hiervan het 
eens waren, omdat bijna alle anderen van meening verschilden over e. en het óf 
geene of geringe uitwerking toeschreven. 

14 



2IO 

N.M. (antid. n" 138 — 141) geeft 4 recepten. N" 138, even omvang- 
rijk als het recept van N.S., is hiermede toch niet woordeUjk te ver- 
geHjken, daar de simplicia in geheel andere volgorde worden ge- 
noemd; n" 139 heeft geen voorwoord; n" 140, 141 bevatten veel 
minder simplicia. 
'Esdras, de propheet Ezra, uitvinder van het praeparaat esdra. 

Esula, ezule, spurge. „e. es .1. cruut dat gelijkt linaria dats paddevlas. 
Ende es een specie van tytimallus. Die wortele es medicinael. entie 
stelen sijn root. ende es van .2. manieren, die mindere entie meer- 
dere. Ende beide doen si sciten ende sijn laxatijf. Ende men or- 
boort die scorsse van den wortele met andre medicinen" (Herb.). 
„Euphorbia esula L., heksenmelk, kleine spurge, kleine e. Euphor- 
bia palustris L., duivelsmelk, groote spurge, groote e." (Hk.). 

Ethyke. „e. es een corts die heeft eenperlike hitte, ende daer esser .3. 
manieren . . . Dierste specie also rogerinus ') seit so kent bi dattie 
lichame.wert bleec ende mager, ende sijn puls ongetempert ende 
dapper ende eenperlike dorst, ende dorine es gelu ten roden wert 
kerende gelijc olyen varwe. ende onderwilen in den boden vander 
orinen ziet men rode sandekine. Ende onderwilen so verteret .i.deel 
vander derder verscheiden, ende dan ziet men in den -boden vander 
orinen .1. luttel wit ter vergaderingen. Dandere specie bekent bider 
onnatuurliker hitte .... In die .3. maniere van deser ethyke so nes 
men niet sculdich den zieken te badene. want hi comt met vertec- 
heiden . . ." (D. B. s. v. M.). 

Euangelon, zie: alcancalon. 

Euforbium, hars van verschillende Euphorbia-soorten, o. a. Euphorbia 
resinifera Berg. 

Eupatorium, boelkens-, leverkruid; E. cannabinum L. ; deze gold voor de 
beste. „E. dats wilde saelgie of hindelope . . . ende es vele beter 
groene dan droge" (Herb.). Verschillende planten werden oudtijds 
E. genoemd; meestal echter Agrimonia. Zie: agrimonie. 

Evel. Men onderscheidde tgroet e. (vallende ziekte, apoplexie), dmid- 
delste en dminste evel, hert evel (hartziekten) en lanc evel (iliaca 
passio (darmaandoening als darmkronkel). 

Evene; Avena L., haver. 

Eviscus. „E. i. althaea" (M. Sylv.). Zie: althaea. 



1) Rogerinus, bijgenaamd Parmensis of Salernitanus, leefde op het eind der 12e 
eeuw en schreef eene Practica Chirurgiae. 



211 



F. 

Fabe, ,,clat sijn bonen" (Herb.). 

Fenicon, dadelpalm. Volgens Isidorus heet de palm zoo, omdat ze even- 
als de vogel phoenix zeer oud wordt. Fenicon indi, oxifenicon be- 
teekent tamarinde '), waarmede bedoeld werd zure dadels, die uit 
Indië komen. Zie: dactili en tamarindi. 

Feniculum, venkel; Foeniculum vulgare Mill, s, F. capillaceum Gil. 
„Wortel, bladen ende saet 
Sijn in visiken*) toeverlaet. 
Men sal nemen die wortel sijn 
Uter aerde in die lentijn." N. BI. X, 265. 

Fenugrecum. Trigonella Foenum graecum L. Men gebruikte de za- 
den. Zie : maratrum. 

Ferringo, „limatura of f. dats dat men vijlt van ysere wer so ment 
vint" (mnl. tekst). 

Festel, fistel. 

Ficus, vijg, figen; Ficus carica. „F. siccae ponendae sunt in medicinis" 
(L T Gl.). In den Lat. tekst komen ook ficus pingues voor. 

Figen, zie: ficus. 

Filantropos, philantropos. „f. bediet tsmenscen vrient ontfermich" (mnl. 
tekst). Het recept van N.M. is niet te vergelijken met dat van N.S. 
„Het blijft 3 jaar goed" (LTGl.). 

Filex, „dats varen. Ende seggen sulke dat het bloyt. ende zaet riset in 
Sinte jans nachte baptiste" (Herb.). Osmunda regalis L. Polystichum 
Filix mas Rth. Ook wordt radix filicis gevraagd. 

Filiasidos, zie: filipendula. 

Filipendula, hetzelfde als filisiados, dropwortel, knolspiraea, roode steen- 
breek; Ulmaria Filipendula Hill. Men gebruikte de wortels. 

Filonium malus, een beroemd praeparaat, samengesteld door Philo 
(Heronius) uit Tarsus (ie eeuw v. C.). Hiervan vindt men een recept 
bij N.S., F. romanum genoemd en een recept bij Mesue, F. persi- 
cum geheeten. N.M. geeft meerdere recepten, maar geen ervan is te 
vergelijken met dat van N.S. 

Fimerine, f[enicul]i marini (?) of fumarie. 

Fiole, flesch met langen hals. 

Fisalidos, zie: filiasidos. 

Fisicijn, geneesheer. 



1) arabisch „tamr" beteekent dadel. 

2) = physike, geneeskunde. 



212 

Fledercijn, jicht, „gescot oft fledercijn" (ninl. tekst). Zie: artetike. 

Flegma, Magister Maurus in zijne Regulae urinarum *) onderscheidt : F. 
naturale, cum en sine febre, en f. innaturale, onderverdeeld in de 4 
soorten acetosum, dulce, salsum en vitreum, van alle waarvan hij 
eene beschrijving geeft. 

Fleume, snot, slijm. 

Flos, bloem. Flos Agni, nenufaris, oleandri, roris marini ; zie op deze woor- 
den f. siriacus is, volgens sommigen, de bloem van de malva, volgens 
anderen, van bismalva (zie : althaea) ; deze planten verschillen echter 
zoo weinig, dat men ze, volgens L T Gl., door elkaar mag gebruiken. 

Fluxus, stroom, vloed, loop. Men onderscheidt f. flegmaticus, sanguinis 
en ventris. 

Foe-, zie: Fe-. 

Folie, folium. „Graeci malabathrum vocant" (Mesue), ook folium Indum 
genoemd. Wordt ergens alleen f. genoemd, dan moet men, volgens 
L T Gl., daaronder f. garyophyll. verstaan ; de bladeren moeten zacht 
van geur, bruin van kleur en bitter van smaak zijn. Heyd*) meent, 
dat het de bladeren van den kaneelboom zijn. De meeste oude 
schrijvers, ook M. Sylv., verstaan er malabathrum onder. Vinum 
decoctionis folii c. aqua ros noemt L T Gl. voor maaglijders. Zie : 
malabathrum. 

Fragaria, „f. dats biercruut" (Herb.); Fragaria vesca L., aardbezie. 

Fraxinus, esch. Zie: lingua avis. 

Frenesie, waanzin, delire. 

Fu, „F. of amantilla. of potentilla. of ormentilla. of wit zedeware. of 
wegewisse. valeriane hets al eens" (Herb.). De zaden, bladeren en 
wortels worden gebruikt ; 's zomers moet men het verzamelen ; het 
blijft 2 jaar goed. 

Fumus terre, „dats grisecom" (Herb.), duivenkervel, aardrook; Fumaria 
off. L. Volgens J. d. S, A. heet het plantje zoo, omdat het zoo spoe- 
dig in groote hoeveelheid uit de aarde spruit. Versch heeft het eene 
sterke, gedroogd geene werking (L T Gl.). Zie: siropus de fumo terre. 

G. 

Galanga, galigaen, galgant; Alpinia Galanga L. 
„Sijn wortel hevet grote ghewout; 
V jaer leesmen datment hout. 
Dat bruun roet es, hart ende swaer 



i) S. de Uenzi, Collect. Salernit,, dl. III. 

2) Hcyd, liistoire du commerce du Levant au inoyen age, vol. II. 



213 

Ende scaerp van smaken es best, dats waer. 

Men machse valschen, als ghi verstoet 

Dat men gheroffel nagel doet, 

Maer dat niense met pepre verniiwet" N. BI. IX, 565. 

„Sophisticatur sicut gariofilon, addito tameft pipere pulverisato" (Thom. 

V. Cantimpré, De naturis rerum). De wortel heeft ongeveer dezelfde 

eigenschappen als gember en wordt in Rusland nog veel gebruikt. 
Galbanum, Ferula Galbaniflua Boissier et Buhse. Het is eene gom, die 

niet vervalscht wordt (L T Gl.) „Goet galbanum es puur ende wit" 

(N. BI. IX, 331). 
Gal(l)ie, zie: confectio gallie muscate. 
Galyenus, Claudius Galenus. 
Galigaen, zie : Galanga. 
Galla, galappel, een gezwel op takjes en blaadjes van de Quercus infec- 

toria Oliv., ontstaan door den steek van de eikengalwesp (Cynips 

Gallae tinct. Oliv.). 
Galle, gal, galblaas. 
Gansen, gezond maken. 
Gargariseren, gorgelen. 
Gariofili, zie : caryophylli. 
Gariofilatis, eene confectie, waarvan kruidnagels de basis vormen. N.M. 

geeft een recept, dat geheel afwijkt van dat van N.S. 
Garnaten, zie: malum granatum. 
Gedwegen, zie: dwaen. 
Genciane, zie: gentiane. 
Genivere, zie : iuniperus. 
Gentiane, duizendschoon, madelgeer; Gentiana lutea L. „Ende cruut 

ende wortele heet genciane. Entie- wortele gaat in medicinen. ende 

.IV. jaer liout mense goet. Entie bitterste sijn die beste" (Herb.). De 

wortels moeten van binnen roodbruin zijn, als waren ze geverfd en 

moeten des zomers verzameld en gedroogd worden (L T Gl.). 
Gernate, zie: garnaten. 
Gescot. zie: fledercijn. 
Gescutte, al wat geschoten wordt, pijl. 
Geswil, zwelling, gezwel. 
Gewichten. In het Antid. komen de volgende gewichten voor : 

ft', libra, pond= 12 ^ (oneen). Het medic. pond= J van het bur- 

gerl. pond '). 

l) Daar het burgerl. pond niet overal even zwaar was, wisselden ook de medi- 
cinale gewichten. 



214 

5, uncia, ons = 8 — lo') 3 (drachme). 

3, drachma, dragma, dramme = 33 (scrupel). 

9, scrupulus, scropel, skrupel = 20 gr. (grein). 

gr., granum [se. frumenti], gran, grein, coorne. 

man., manipulus, eene hand vol. 

exagium = 90 gr. = i J 5. 

solidum = exagium. 

aur., aureus. „a. exagio solidoque parificatur" (S. d. A.). 

sextarium, maat voor vloeistoffen inh. 2? 'f^. 

Zie verder: F. Adams, The seven books of Paulus Aegineta, dl. III. 
Gingebere, zie: zingiber. 
Git, zie: nigella. 
Gladie, gladiolus, zie: acorus. 
Gliconium, gliconis. „secundum compositorem est pulegium" (Add.). 

Volgens anderen zou het menthastrum of calamenthum zijn, maar 

de eerste opvatting is beter. Zie: pulegium. 
Golena, „i. e. origanum" (M. Sylv.). Zie : Origanum. 
Gomme van Arabien, gom van verschillende Acacia soorten. Acacia 

Senegal Willd. 

„Witte gomme dats die leste 

Dicke rode dats die beste. 

Die middelste die es dinne roet." N. BI. IX, 389. 

Zie: acacia. 
Gomme serapini, laag-Latijnsche benaming voor Sagapenum, Sagapi- 

num. Gom van onbekende afkomst. De Serapinum moet helder, 

lichtbruin zijn ; er mogen geene onreinheden aan kleven (L T Gl.). 
Goud. De Arabieren schreven aan goud eene hart-versterkende werking 

toe; daarom treft men het in vele electuaria aan, o. a. Aurea Alexan- 

drina. L T Gl. waarschuwt tegen apothekers, die er kopervijlsel voor 

in de plaats geven. In het Antid. komen voor aurum purificatum, 

limatura auri en scume van goude. 
Goudbloemen, zie: sponsa solis. 
Graet, gradus. Zie : cracht. 
Gran, zie: gewichten. 
Grana Solis, milium solis, gremil (saet), lithospermum, „steenzaad" (W.), 

parelkruid; Lithospermum off. L. „Granosolis . . . Ende dit zaet es 

also wit alse yvore, ende glat ende claer. ende .x. jaer mach ment 

goet houden" (Herb.). „De zaden zijn hard als steen" (M. Sylv.), 



l) Volgens S. d. A, weegt het Salernitaansche pond 9 5. Te Padua was i ons 
= 8 g, te Napels =10 5. S. d. A. geeft in een gedichtje alle gewichten met hunne 
onderlinge verhoudingen. 



215 

vandaar de naam. Men moet de zaden op het einde van de lente 
verzamelen {L T Gl.). „Inter omnes herbas Uthospermo nihil est 
mirabilius. Aliqui Aegonychon vocant, alii Diospyron, alii Heracleos" 
(Plin.). 

Granatum, zie: malum gr. 

Grassuia, zie: crassula. 

Grisekom, zie : fumus terre. „Sop" van g. komt voor in sir. de fumo 
terre. 

Groffels nagle, zie: caryophylli. 

Gummum, gom. In het Antid. komt voor gom arabie, cedri, edere. Zie: 
gomme van Arabien, edera. 

H. 

Hanke, heup. 

Haselnot, zie: avellana. 

Hedera, klimop; H. helix L. In het Antid. worden de bessen en de 
gom genoemd. Behalve deze h. vindt men nog edera terrestre „dats 
dresene of goudevare" (Herb.); zoo noemde men ook de hondsdraf 
•(Glechoma Hederacea L.). Zie: offeum. 

Heet, zie: cracht. 

Helleborus, nieskruid. Helleborus albus L, „Ende dat witte elleborus 
es geheten oostweert scamponie ende wast gaerne in wacken steden, 
ende wast hoge ende selke seggen dat wast op bergen die wac siin. 
Ende heeft bladere gelijc wegebreden. Maer si siin langer ende scar- 
per. ende wast also lange alse .i. cubitus of langere" (Herb.). De 
witte nieswortel is afkomstig van Veratrum album L. Helleborus 
niger L. „dats swartte scamponie. Ende heeft dieselve cracht die 
die witte heeft. Maer si es niet so laxatijf. Ende heeft enen swar- 
ten wortel alse figebome doen" (Herb.). In den herfst verzamelde 
men de wortels, die men echter niet dan met andere geneesmiddelen 
vermengd mocht toedienen. Het blijft 3 jaar goed. Staat er in een 
recept alleen „elleborus", dan moet men de witte soort nemen. Men 
maakt er met lithargyrum een uitstekend unguentum tegen scabies 
van. Chr. de Hon. acht de witte soort te vergiftig om te gebruiken. 

Hemicrania, hooftswere, hoofdpijn. In den mnl. tekst wordt ook ge- 
sproken van „gedeilde hooftswere" (migraine, halfzijdige hoofdpijn). 

Hepe, heup. 

Herba cancri, zie: crispula. 

Herba hepatica, leverkruid, anemone; Hepatica triloba Gil. 

Herba divae Marie, zie: balsamita. 



2l6 

Herba muscata, „Geranii prima est species ut tomo 1° nostr. de Stirp. 
Historia commentar. est dictum." (Fuchsius). 

Herba paralysis, „sleutelblommen" (W.); Primula officin. Jacq., „herba 
S*^" Petri" (M. Sylv.), „h. p. draget geluwe bloemen . . . Dyascorides 
seit dat van allen werken geliket enen crude datmen heet primula- 
veris, ende oec van allen wesene sonder dat primulaveris maer ene 
bloeme en draget die gelu es ende dandere die draget vele. Die 
bloemen entie bladen entie wortele sijn van beide eens" (Herb.). 
Men gebruikt de bladeren die i jaar goed blijven. Men verzamelt 
ze in den bloeitijd (L T Gl.). 

Herba Sabina, zie : sabina. 

Herbae Scte Marie, zie: balsamite. 

Herba Scti Petri, zie: herba paralysis. 

Herba siriaca = Ros syriaca (?), zie aldaar. 

Herba venti, „varie interpretatur. Sunt qui umbilicum veneris esse 
dicant. Alii helxinen seu parictaria; nonnulli consolidam minorem 
vocant. Aliqui vero anemonem . . . Sciant hoc in loco [ung. aur.] 
herbam venti anemonem, sylvestram praesertim cuius pictura et his- 
toria est in altero nostrorum de Stirpium historia tomo ')" (L. Fuch- 
sius). Anemona Pulsatilla L., wildemanskruid, wintcruyt. De Ane- 
mona nemorosa L., boschanemoon, wordt nog heden windbloem, 
windkruid genoemd. 

Hermodactyli, herfsttyloos, ronde wortte; Colchicum autumnale L. 
„h. . . . ende wast in meerscen ende int herde. ende heeft ene wortele 
alront. Ende men gadertse in den zomer, ende hanctse op met dra- 
den in de zonne. ende .i. jaer mach mense goet houden" (Herb.). 

Hert. Het hert leverde verschillende geneesmiddelen : dbeen van der 
herten van den hert, hertshoorn (zie: catariacum), march van den 
hert (meduUa spinalis), hertstonge enz. Zie: Pomet, Hist.-gén. d. dro- 
gues, vol. II. 

Hertsvanc, benauwdheid, aanval van angina pectoris, toeval. 

Hy-, hi-, voorzoover niet hier genoemd, te zoeken : y-. 

Hydromel. Bestaat uit water en honing. J. d. S. A. noemt 3 soorten : 
I deel honing op i deel water, i deel honing op 8 deelen water en 
9 deelen honing op i deel water, 

Hyoscyamus, iusquiamus, beilde, bilzenkruid, varkensboon, malkruid, 
belrike, belseme; H. niger L. „Iusquiamus dats beelde . . . Ende dit 
zaet es van .3. manieren, wit. rood. ende swart. Ende dat swarte es 



l) Het wordt verschillend verklaard. . . . Op deze plaats moet men er onder ver- 
staan h. V. a. „waarvan de afbeelding en beschrijving te vinden is in het tweede 
deel in ons „Historia de Stirpium." 



21/ 

gevenijnt. ende daeraf salinen wachten. Want het brinct in die doot. 
Ende dandere 2 doet men in medicinen. Ende tsaet heeft meer cracht 
dan tcruut" (Herb.) Volgens Mesue zijn ook de roode vergiftig. 

Hoeftswere, zie : hemicrania. 

Holeworte, zie: aristologia. 

Hoomsce, zie: althaea. 

te Hope, te zamen. 

Hordeum, gerst; H. vulgare L., aqua ordea = ge rste water. Zie:tyseine. 

Hullen, bedekken. 

Humoren, de „cardinale" lichaamssappen der humoraal-pathologie. „Avi- 
cenna die wise meester seit dat de mensce es gemaect van der aer- 
den. Ende es beset met .4. humoren. Alse heet. cout. droge ende 
versch. Ende dit sijn si. sanguis. colera. fleuma. melancola. Daer- 
omme cureert men thete met den couden. ende tcoude metten heten. 
Entie dese 4 h umoren niet en kent hi nes geen goet phisicijn" 
(Av. d.w.m.). Zie verder: flegma, cholera. 

Huuf, huig; uvula. „Die huuf es .1. jnstrument dat dient der naturen, 
ende hanget boven der naturen gescapen alse ene wartte van ere 
vrouwen borst, i luttel smafelre. Dese hanget vore tgat. daer die 
adem uut ende in gaet. ende heeft .2. gaetkine. een boven ende dat 
es ruumst ende .1. in sijn nederste ende dats nauwe. Ende als dit 
verstopt, dan swillet die huuf. ende dan dunct die lieden dat hen 
enege dinc stect in die kele. ende dan so raexenen si dicken omdat 
si dat wanen uutspuwen. ende temeer dat sijs plegen, so die huuf te 
meer swillet." (D. B. S. v. M.). 

I(Y). 

Ydiocri, zie : trocisci ydioeri. 

Ydrocopion, ydrotopion. Hydrocopion olympiacum. Hiervan komt geen 
recept voor bij N.M. 

Ydromel, zie: hydromel. 

Yera. Beteekent: heilig. In Galenus' tijd noemde men Diacolocynthis 
algemeen Hiera (Gal., quos purgare oporteat lib.). Het is een door 
Themison uitgevonden middel, waaraan bovennatuurlijke kracht werd 
toegeschreven. Wegens den bitteren smaak (door aloë) vaak Hiera 
picra genoemd. Eenige dergelijke recepten dragen den naam van 
den samensteller. Zie : Yera picra. 

Yera fortissima Galeni, komt bij N.M. *) voor onder den naam Hiera 
alia magna Gal. Het blijft een jaar goed. 



i) De Ilieris, n°. 13. 



2l8 

Yera logodion, y. logadii, genoemd naar den samensteller Logadius. 
Het blijft 2 jaar goed (L T Gl.) en werd, volgens Mesue, gebruikt in 
plaats van Hiera Archigenis. Over de werking ervan zegt J. d. S. A. : 
„de illa dedi semel .3.11. cuni .5.1. pilularum aurea et .3. hierae 
picrae cuidam, qui sibi timebat de lepra .xx. sellas habuit. evacua- 
tione facta a ventre habuit vomitum materiae viridis valde, admo- 
dum herbae viridis ... et lepra eius fuit palliata per .111. annos. et 
postea apparuit ')". Komt voor bij N.M.*). 

Yera pigra Abbatis, samengesteld door Abbas de Curia (zie aldaar); 
blijft 2 jaar goed (Salad. de Asc). Volgens J. d. S. A. wordt het 
niet meer gebruikt. Men geeft er, volgens Galenus, evenveel van als 
van Hiera picra. Bij N.M. ') heet het Hiera ducis. 

Yera pigra Constantini is geheeten naar Constantinus (zie aldaar) en 
blijft 2 jaar goed. Volgens J. d. S. A. zou het niet veel gebruikt 
worden, zoodat men het niet vaak in eene apotheek gereed vindt. 
Het komt voor bij N.M. ''). 

Yera picra Galyeni is het meest gebruikte van alle Hierae (Chr. de 
Honestis, Sylv. in Mes.). Het wordt ook Hiera pigra magna genoemd. 
Het blijft 2 jaar goed (D. N.) en werd zoowel in den vorm van 
electuarium als van pillen gegeven, maar meestal het laatste, daar 
het dan aangenamer te nemen is. Komt voor bij N.M.''). Zie ook: 
Pigra Galieni. 

Yera Rufini samengesteld door Rufus (zie aldaar). Volgens J. d. S. A. 
is het eene „medicina fortissima ... et ideo non debet eam dare 
medicus nisi sit multum expertus". Volgens D. N. blijft het i jaar 
goed, volgens L T Gl. 2 a 3 jaar. Het komt voor bij N.M. "), die 
alle gewichten half zoo groot maakt als N.S., hetgeen ook bij andere 
zijner Hierae voorkomt. 

Ygya. In den Latijnschen tekst heet het Ygia graeca. Het komt niet 
voor bij N.M. 

Yser. De mnl. tekst geeft 3 staalmiddelen: ijzervijlsel, lapis ematitis en 
lapis magnetis. 

lUafeos. „I. quae lingua Italica dicta est Bardana" (N.M.). 



i) Aan iemand, die bang was, lepra te krijgen, gaf ik eens 2g enz.; hij had 20 
stoelgangen en nadat de buik ontlast was, braakte hij nog eene groote hoeveelheid 
van eene groenachtige massa, ongeveer als groene grassen, . . en gedurende 3 jaar 
bleef zijne lepra bedekt en daarna brak ze uit. 

2) De Hieris n°. 2. 

3) De Hieris n°. 26. 

4) De Hieris n°. 25. 

5) De Hieris n°. 7. 

6) De Hieris n'". 24. 



219 

Inalamum, zie : vovum malanum. 

Indi, zie: mirabolani. 

Interioris, staat voor: coloquintide interioiis. „coloquintide datter in is" 
(mnl. tekst.). 

Intyba, yntiba, intuba, intiibus, intubum, endyvie (W.) „intyba i. ciclio- 
rea" (Synon.) Men onderscheidt tegenwoordig: Cichorium Intybus 
L., Cichory en Cichorium Endivia L. (andijvie). 

Ypericon, hypericum, „St. Janscruut" (Herb.), hertshooi; Hypericum 
perforatum L. „In tempore productionis colligitur ')" (L T GL). Men 
moet het in de schaduw leggen. Het blijft i jaar goed. Men gebruikte 
de bloemen en de bladeren, zonder de steeltjes. 

Ypoquistidos, campnoele; Cytinus Hypocistis L. „Aldus mach ment 
maken. Nemt campnoele inden lintere ende stoetse ende perst dat 
sap al ute. ende dan settet in die zonne ende laten drogen, ende 
men saelt dicken roeren dat het niet en corrumpere. Ende .2. jaer 
hout ment goet" (Herb.). 

Yreos, Iris florentina L. „Die blade sijn gedaen alse lisch ende draget 
witte bloemen" (Dyayris). Men onderscheidde 2 soorten: de iris met 
purperen en de yreos met witte bloemen. Mesue noemt als het beste 
deel van de plant den wortel; daarna komen de bloemen. Men 
droogde het kruid in de schaduw, waarna men het 2 jaar kan goed 
houden. 

Yringis, irungi, uringi, zie: eryngium. 

Iris, zie: yreos. 

Ysope, isope; Hyssopus officinalis L. Dan. Ie Clerc^) meent uit Diosc. 
e. a. geschriften te moeten opmaken, dat de Hyssopus der ouden een 
geheel andere is, dan de tegenwoordige. 

Yvore, ivoor, ebur. In het Antid. wordt rasura eboris (scavelinge van 



yvore) verlangd. 



J. 



St. Janscruut, zie: ypericon. 

Joget, jeugd. 

Juchtecheit, jicht. 

Juncus, bies, Rusch; Juncus Tru. „J. herba est satis nota cuius radices 
assimilantur galangae. . . . radices ponuntur in medicinis mundatae a 
suis ramisculis per duos annos servantur melius tamen est si quolibet 



i) Het wordt in den bloeitijd verzameld. 
2) Hist. d. 1, médicine. 



220 

anno renovatur ')" (L T Gl.). Plin. onderscheidt j. odoratus (zie: 
Squinantum) en j. triangulatus (junc costu in Fj), waarmede men 
cyperus bedoelde. 

Juniperus, genivere, jeneverbes; J. communis L. „Ende alse ment vint 
beschreven in recepten dan salmen nemen de besien. Ende .2. jaer 
geduren si goet" (Herb.) „Fructus ami secundum Nicolaum est semen 
juniperi" (Add.) In den mnl. tekst wordt nog de vrucht van geni- 
vere genoemd. 

Jusquiamus, zie: hyoscyamus. 

Justinum. Men conficieert dit praeparaat het best met mei castanearum 
amararum, daar beide diuretisch werken. Het blijft, volgens L T Gl., 
3 jaar goed. N.M. noemt het niet. Keizer Justinus zou het hebben 
uitgevonden. 

K (C). 

Cabali marini, Hippocampus, zeepaardjes; Hippocampus antiquorum L. 
Sommigen drogen, volgens LTGL, ze in de zon, waarna ze met of 
zonder zout worden ingemaakt ; ze blijven 2 jaar goed. 

Cacabo, een aarden of koperen en van binnen vertind vaatwerk, een 
ketel of pan, om medicamenten in te kooken. (B.). 

Caciola, zie: catia. 

Calamentum, calamintha, bcrgsteenthijm ; Calamintha officinalis Moench. 
De mnl. tekst zegt : „C. es ene gomme [sic] wer so ment vint". Herb. zegt 
ervan; „C. of nepita of ackerraente'^) ende si es beter groene dan 
droge, ende alsi bloyt sal mense gadren. Een jaer geduert si goet 
diese hanct in de scaduwe. . . . Men vint menegerande mente. het 
ene es tamme ende wast in der lieden hove . . . Ende dandere heet 
men scastrum. ende dese heeft die meere cracht te verwarmene. P^nde 
ene andere vint men die heeft lange bladere, entie heet men roemsce 
mente. . . . Mer dierste tamme doet men in medicinen". De Arabieren 
noemen c. fluviale verkeerdelijk Pulegium *). Een paar malen staat 
er in den mnl. tekst c, waar calcantum bedoeld wordt; éénmaal vindt 
men calamentis, waar men, naar analogie van den Latijnschen tekst 
[lapis] caliminaris moet lezen. Herb. spreekt echter nog van een 
Calamentis: „c. es van .3. manieren daer es .1. dat altoes wast in ripa 
fluminis ende in waterachtigen steden. Ende een ander in droger 



i) J. is een vrij bekend kruid, welks wortels gelijken op galanga; men ge- 
bruikt de wortels in medicijnen. Van de takjes ontdaan, blijft het 2 jaar lang goed, 
maar het is beter, het elk jaar te vernieuwen. 

2) Herb. haalt hier verschillende planten dooreen (zie: nepita). 

3) Manardus, Sup. Mes. Aniid. expos. 107 D. 



221 

steden van watere. Ende noch een ander dat men vint in droger 
steden op bergen. Ende omdat het wast in vele steden so hevet vele 
namen". 

Calamite. Bedoeld wordt styrax calamita (zie aldaar). 

Calamus aromaticus, „dats ene maniere van riete." C. a. is eene der 
oudste geneeskrachtige planten, die echter in den loop der tijden 
zoo zeldzaam geworden is, dat men het in de middeleeuwen bijna 
niet meer zag en het verving door Acorus. Welke plant men met 
C. a. bedoelde, is niet met zekerheid bekend; Flückiger meent, dat 
men er oorspronkelijk eene welriekende Indische grassoort onder 
heeft verstaan. 

Caldarium, plaats om te verwarmen, oven. 

Caligo oculorum, „i. e. tenebrositas ex fumo cholerae rubeae, vel ex 
acuta febre')" (LT Gl.). 

Cameactis, zie: actis. 

Camphora, canfer. „. . . In psillio et sem. lini in vase vitreo posita diu 
potest servari, vel quod melius est in vase facto de alabastro, vel 
de marmore praecipue. sine alicuius admistione diu potest servari. 
s. per XX annos*)" (L T Gl.). Het is afkomstig van Dryobalanops 
aromatica Gaertn. s. Dryobalanops Camphora Colebr. 

Candijt, kandijsuiker; water van candite: water, waarin kandijsuiker is 
opgelost. 

Canele, kaneel, van Cassia fistula L. of van Cinnamomum Ceylanicum 
Breyn. 

Capillus Veneris, zie: adriantum. 

Capparis; C. spinosa L. De wortel en voornamelijk de schors ervan 
werkt het sterkst en blijft 3 jaar goed (L T Gl.). De bladeren en de 
vruchten hebben zwakkere werking (P. van Ae.). De nog niet ont- 
loken bloesems in azijn ingemaakt, zijn bekend onder den naam van 
„kappers". 

Caprifolium, echte kamperfoelie, wedewinde ; Lonicera Caprifolium L. ,,C. 
et mater silvarum latine, periclemenon graece" (M. Sylv.) „C. of wede- 
winde die draget rode besien. . . Ende tsop heet licium" (Herb.). 
Lonicera Periclymenum L. is wilde kamperfoelie. Zie ook : licium. 

Cardamomum. Hieronder heeft men de vruchten van verschillende 
planten verstaan. De mnl. tekst noemt c. ,,waterkerssen so werment 



1) Dat is eene blindheid, ontstaan uit cholera vubea of uit eene hevige koorts. 

2) Tusschen vlooienzaad en lijnzaad in eene glazen vaas geplaatst kan het lang 
bewaard blijven, of. wat nog beter is, in eene vaas van albast of vooral van mar- 
mer. Onvermengd kan men het lang goed houden, wel 20 jaar. 



222 

vint", blijkbaar naar het voorbeeld van L T Gl. : „C. semen est na- 
sturtii ')". C. en Nasturtium zijn echter geheel verschillende planten. 
De grootste soort van C. bereikt den omvang eener vijg. Dod. be- 
schrijft haar als een „velachtigh aschgrauw blaesken of hauwken", 
waarin zich een groot aantal zaden bevinden, grana Paradisii (Para- 
dijskoren) of grana Melegettae ') genoemd. Ze worden geleverd door 
Amomum Meleguetta, veelvuldig voorkomend in W.-Afrika, maar, 
wegens hunnen scherpen smaak, gebruikt men ze tegenwoordig nog 
slechts gepulverizeerd om peper te vervalschen. Behalve deze soort 
onderscheidde men — vooral later — nog, al naar de grootte der 
vruchten, een C. maius, vooral voorkomend op Ceylon, C. medium 
en C. minus. Dod. noemt nog een C. minimum. Diosc. noemt éene 
soort, Plin. vier. Tegenwoordig gebruikt men de vruchtjes van de 
Elettaria Cardamomum White welke ook voor den C. van Diosc. 
wordt gehouden en de C. minus van latere schrijvers is. 

Cardamum. „C. i. sinapis alba" (LTGl.). Berendes houdt het voor 
Lepidum sativum L. of voor Erucaria aleppica Gartn. Men zou het 
2 jaar kunnen goed houden. 

Carde, kaardedistel; Dipsacus Tourn. of Dipsacus sylvestris Mill. 

Carduncelli. „Latini codices intellegunt per carduncellum Carduum bene- 
dictum" (Fuchsius). Volgens M. Sylv. noemt men het in de volks- 
taal spilizosa. Herba Cardii benedicti is afkomstig van Cnicus bene- 
dictus, gezegende distel. 

Cardus, distel. Komt eenmaal in den Latijnschen tekst voor. 

Caricae. „C. i. ficus siccae." (Synon.). 

Caryophylli, gharioftel naghel, groffels nagle, nagelen, kruidnagelen, 
Gariofili. Het zijn de gedroogde bloesems van Eugenia Caryophyl- 
lata Thunb. Kruidnagelen moeten, volgens L T Gl., van boven wat 
afgeplat, scherp van smaak en vochtig zijn. Drukt men er met den 
nagel in, dan moet er wat vocht [de olie] uitkomen. Vinum decoc- 
tionis gariof. cum aqua rosarum geeft men tegen maagpijn door koude. 
„Gariofilate . . . Die wortelen gaen in medicinen. ende hebben meer 
crachten groene dan droge. Nochtan hout mense .i. jaer goet. Ende 
daer omme heet mense gariofilaet om dat si bina riect alse garoffels 
nagelen" (Herb.). 

„Dats die valscheit diemer toe doet: 
Men neemt gheroffels naghel goet. 
Ende breectse te pulvere fijn, 
Daer doetmen toe staerc aisijn, 



1) Nasturtium wordt nog waterkers genoemd. 

2) In het Fransch heeten ze nog graines de Maniguette. 



223 

Die van scarpen smake sijn, 

Ende oec iiutwel riekende wijn. 

Dan nemtmen nagle nauwer toe goet, 

Die men in een cledekin doet, 

Ende leghtse daer in ene nacht, 

Ende si nemen smake ende macht 

Van dien dinghe sonder saghe, 
' Ende gheduren xxx daghe 

Dit sijn nagle valsch ende loes". N. BI. ix, 345. 
Zie ook: antofali. 
Caro dattillorum, c. dactillorum, c. dactilis, zie: dactilli. ■» 

Caro leonis, leeuwenvleesch. Het werd vervalscht met ander vleesch; 
men kan het echter herkennen aan de huid en de haren. Gezouten 
en gedroogd blijft het, volgens LTGl., 5 jaar goed; sommigen be- 
waren het echter zonder zout; slechts in de zon gedroogd. 
Carpobalsamum, zie: balsamum. 

Carvum, karvum, „karwij, witte comijn" (Dod.) Gewone- of hofkomijn ; 
Carum Carvi L. Bekend diureticum. Men moet de zaden des zomers 
verzamelen en niet gemalen bewaren. Pulvis Carvi tegen foetor ex 
ore (LTGl). 
Cassia. In het Antid. komen twee simplicia voor van dien naam : c. fis- 
tula en c. lignea; maar soms vindt men c. alleen genoemd. „... quando 
in libris auctorum c. reperitur absolute prolata ... si sit medicina 
solutiva sive lenitiva, tune debemus intelligere de c. fistula quae leni- 
tiva est. . . Si autem non est medicina solutiva sive lenitiva tune 
debemus intelligere de c. lignea ')". (Chr. de Hon.) „C. absolute 
posita, id est lignea, vel xylocassia, rubea et sicca*)" (Synon. achter 
het antid.) De oude kruidkundigen noemen maar éene soort, over- 
eenkomend met de c. lignea der latere schrijvers. Diosc. beschrijft 
deze soort als pijpvormig, waardoor verwarring zou kunnen ontstaan 
met de c. fistula der latere schrijvers. Vandaar dat hierop herhaal- 
delijk de aandacht gevestigd wordt =*). De c. der ouden (c. lignea) 
vertoont overeenkomst met cinamomum. Tot in de middeleeuwen 
was men het er niet over eens of zij door dezelfde of door verschil- 
lende plantensoorten geleverd werd. Diosc. is de laatste meening 
toegedaan. Men noemde deze c. dan ook wel cinamomum spurium 



1) Wanneer in de boeken der schrijvers alleen c. staat, als het een ontspannend 
of verzachtend geneesmiddel is, moet men er onder verstaan c. fistula, dat verzach- 
tend is, maar anders moet men lezen c. lignea. 

2) C. zonder meer is c. lignea of xylocassia, de roode en drooge. 
T,) Man.: de cassia fistula, Mesue, Costaeus, Fuchsius in N.M., Add. 



224 

canella. De c. lignea wordt geleverd door den Laurus Cassia Ait. 
en bestaat uit de opgerolde roodachtige bast van de twijgen. De c. 
fistula der latere schrijvers, door Actuarius c. nigra genoemd, werkt 
laxeerend, maar zoo zacht, dat men het, volgens Mesue, zonder eenig 
gevaar aan personen van lederen leeftijd en zelfs aan zwangere vrou- 
wen kan toedienen. Men verstaat er onder de vruchten van de C. 
fistula L. 

„Sine vrucht es lanc als hi es ripe, 

Ende es alst ware in ene pipe 

Saet dat in sine merghe leghet, 

Ende esser, als men voor waer seghet 

Meer dan xl in ene pipe 

Swart ende groene, sijn si ripe " 

Dat merch hier of es bequame. 

Want het ontsluut den lechame" N. BI. ix, 229. 
Wanneer men deze vruchtjes schudt, mogen de zaden niet ramme- 
len. Zijn ze te licht, dan vervalscht men ze, door ze in nat zand te 
leggen. C. fistula blijft, volgens LTGl., 3 jaar goed. 
Cassia fistula, zie: cassia. 
Cassia lignea, zie: cassia. 
Castaneum, kastaengie, kö.stanje. 

Castoreum, bevervel, bevergeil, afkomstig van Castor fiber L. „Cas- 
torie dats bevercul" (mnl. tekst). Het is een zeer oud genees- 
middel, dat voornl. uit Pontus kwam '). In de middeleeuwen hield 
men de c. voor de testikels zelf (vandaar de naam); Chr. deHon.*) 
en Costaeus') komen met kracht daartegen op; volgens hen vindt 
men het in een paar zakjes, hangende naast den penis. Costaeus 
onderscheidt twee substanties : de buitenste laag, die vleeschachtig en 
de binnenste, die als was is. Beide worden in de geneeskunde ge- 
bruikt. 
Catapotium, cataputhia. I. een geneesmiddel. „Graeci coccia et catapotia 
vocant" (Mesue). II. eene droge. Spring- of roerkruid, ook kenmer- 
kend : schijtkruid. „C, of sporie of roercruut hets al eens . . . Ende 
tsaet es al soe groet alse peper, ende heeft march inne ende daer- 
boven scorssen. ende dmarch es wit ende vet. Ende als ment in me- 
dicinen doet salmen die scorse afdoen ende pellent scone . . . Ende 
men maect er af oleum catapusiarum. die sere doet sciten" (Herb.). 
Catariacum, alleen in Lj en L,. Volgen LTGl. en de Synon. verstaat 



1) Virg. Georg. I, 58. . . vlrosaque Pontus castorea mittit. 

2) Expos. sup. Mes. antid. 

3) Expos sup. Mes. antid. 1581. 



225 

men er cornu cervi onder. Voor het gebruik moest het buitenste 
laagje afgeschaafd en de overblijvende stof afgevijld worden, echter 
niet tot het merg toe. 

Catarrus. „C. est fluxus humorum e capite ad subiectas partes." 
„Si fluat ad pectus, dicatur Reuma catarrhus 
Ad fauces Branchus, ad nares Coryza ')" (B.). 

Catarticum imperiale, Katarticum imp. Dit praeparaat wordt soms 
als c. i. simplex, soms als c. i. acutum gemaakt. Simplex noemt men 
het wanneer er de voorgeschreven dosis scammonea ingaat. Het ver- 
oorzaakt 3 a 4 maal afgang. Men verscherpt de werking door meer 
diagridium. Het blijft 2 jaar goed en is, volgens LTGl., oud beter 
dan versch. N.M. geeft 2 recepten (n° i en 2 der Purgatoria); het 
tweede heet Purgatorium regium. Zij gelijken echter te weinig op dat 
van N;S. om er woordelijk mee vergeleken te worden. N.M. noemt 
er eenige ziekten bij op, die niet in den Latijnschen, maar wel in 
den Nederlandschen tekst voorkomen. 

Catholicum, zie : electuarium c. 

Catia, cacia, cassia, zijgbak. Verkleinwoorden zijn catiola, caciola, co- 
ciola, foutief wel eens catina geschreven (zie aldaar). 

Catina, scotele, pan, bak, schaal. 

Cause, zie: causon, 

Causon, brandende koorts, van Grieksch xxu(ro<; ; ook heet evel genoemd ^). 
P. V. Ae. noemt de symptomen^). 

Cauwerdensaet, zaad van cauwo(e)rde, pompoen, kalebas; CucurbitaL. 

Kebuli, soort van Mirobalani (zie aldaar). 

Kerspelie, zic^ crispula. 

Kerstaengie, kastanje. 

Claren, zuiveren. 

Clarie, hetzelfde als Tapsia (zie aldaar). 

Clavere, klaver; Trifolium pratense L. ; Trifolium diffusum Ehrh. 

Clissebladen, folia bardanae. Zij komen voor in ung. populeon. Zie: 
bardana. 

Coagulum, stremsel. „C. dicitur quia facit lac coagulari, extrahitur an- 
tequam incipiat herbas comedere*)" (LTGl.). Men gebruikte het 



i) C. is een stroom der sappen uit het hoofd naar de lager gelegen deelen. 
Stroomt hij naar de borst, dan heet het Rheuma, stroomt het naar de keel, dan 
heet het Branchus, stroomt het naar den neus dan heet het Coryza. 

2) D. B. s. V. M. 

3) Lib. II, cap. 29. 

4) C. heet het, omdat het de melk stremt; met h.ialt het eruit voordat het de 
krulden begint te vertceren. 

15 



226 

tegen diarrhee en overvloedige menstruaties. In den Latijnschen tekst 
, komen voor C. agni, capreoli, leporis, vituli *). 

„Libbe, datmen vint in sinen maghe [van den haas] 
Suvert den licham van sire plaghe 
Et mach utelanghe gheduren" N. BI. ii, 2587. 
Cociola, zie: catia. 
Coclearium, cochlear, lepel. 

Cocognidium , conodii, coconidii enz. Zie: alipiados. 
Coek, hartheit vander meiten. 
Coelne, zie: colene. 
Colatura, doorzijgsel. 

Colen, „wilde colen" komen voor als bestanddeel van Nefrocatarum. 
Colene, coelne. Hiermede wordt, blijkens den latijnschen tekst, pulegium 

bedoeld. 
Colera, zie: cholera. 
Cole(e)ren, doorzijgen; dit doet men, volgens den mnl. tekst, met een dor- 

gaetten lepel, een doec, een vat met gaten of een cleet, 
Colica passio. „C. p. est passio intestinorum quae nascitur ex vento- 

sitate inclusa in illo intestino. Inde colici dicuntur qui dolorem 

ventris dextre ab umbilico patiuntur^)" (A. 1. v.). 
Colofonie, resina colofonia, vioolhars; de hars van verschillende Pinus- 

soorten: P. australis Michaux, P. sylvestris L., P. palustris Mill. 

e. a. Genoemd naar de stad Kolophon in Klein- Azië, de voornaamste 

uitvoerplaats er van. 
Coloquintida, vrucht van CitruUus Colocynthus Schrad. s. Cucumis 

colocynthis L. „C. dats oec scamoneie so wer ment vint *)" (mnl. 

tekst). Het werkzame bestanddeel zetelt in de pulpa, niet in de 

zaadjes; daarom wordt in de recepten van het Antid. voorgeschreven 

colocintide interioris, march van der coloqiiintide, c. datter in es. 

„C. est cucurbitae silvestris fructus" (Sylv. *). Bij N.M. gebruikt 

Fuchsius dan ook steeds cucurbita silvestris in plaats van c. 
Comijn, zie: cuminum. 
Como, komt voor in L, in Pill. de elatterio, waar Lj chamaeactis heeft. 

„Comos Diasc. herba est duobus cubitis longa . . ." (M. Sylv.). 
Complexie, lichaamsgesteldheid, karakter. 



i) van een lam, een bok, een haas en een kalf. 

2) C. p. is eene ingewandsziekte, die ontstaat door wind in dien darm opgesloten. 
Vandaar noemt men „colici" hen, die buikpijn hebben rechts van den navel. 

3) Dit is niet juist; zie: scammonia. 

4) Expos. sup. libr. Mesue, 



227 

Conditum, geconfijt, ingemaakt. „Condire est sapidum et palato iucun- 
dum reddere, idque alimentis maxime convenit, ad medicamenta vero 
transfertur, ambo autem saccharo vel melle, vel utroque condiuntur 
et dulcorantur, ut gulae et stomacho sint grata, et diu servari pos- 
sint')" (Sylv. ï). 

Confectie. „C. vulgo medicina" (Du Cange). „Notandum., quod c est 

nomen commune ad electaria, quae ad formam solidorem reducun- 
tur. Isto modo confectio idem est, quod compositio ^)" (Chr. de 
Hon. *). „Confexie es vergaderinge van vele simpelre medicinen" 
(mnl. tekst). Men onderscheidde confectiones aridae, zooals trochisci 
en humidae, als opiata, condita enz. De confectio heeft de juiste 
dikte, wanneer een druppel op eene marmeren plaat gevallen, niet 
wegvloeit. 

Confectio alipte museale. In den mnl. tekst staat conf. colipte musc. „A. 
est quaedam confectio quae museum recipit: dicitur a. muscata')." 
(M. Sylv.). In L T Gl. bij aurea alexandrina staat : „a. diversae sunt 
species; alia est amara, alia est muscata. A. est confectio cuius re- 
ceptie in antidotario reperitur")." Een magdaleon van a., in den 
neus gehouden, zou helpen tegen coryza. Volgens J. de S. A. is 
muscus niet de basis van conf a. m., de „laus" komt daarmede niet 
overeen. Het recept van N.M. is geheel hetzelfde als dat uit het 
Antid. Volgens L T Gl. parfumeerde men zich het haar ermee. 

Confectio gallie museale. Werd veel gebruikt, vooral door arabische 
artsen en gewoonlijk in den vorm van trochisci; het werd ook vaak 
gegeven in plaats van conf Galliae Sibellinae, dat bij Mesue ') voor- 
komt. „Intrat in preciosissimis medicinis et electuariis^)" (Lat. Tekst.). 
Volgens I. T Gl. komt de naam óf van de provincie Gallia, óf van 
een kruid. N.M. geeft ook een recept van dien naam. Het komt 



i) Confijten is ergens smaak aan geven en het aangenaam maken voor het ver- 
hemelte. En het komt het meest te pas bij spijzen, maar wordt ook op medica- 
menten toegepast. In beide gevallen confijt men echter met suiker of honing of met 
beide en maakt het er mee zoet, om het aangenaam te maken voor de keel en de 
maag en opdat het lang bewaard kan blijven. 

2) Annot. sup. Mes. antid. 

3) C. is de gewone naam voor electaria, die in vasten vorm worden gegoten. 
Op deze wijze is c. hetzelfde als compositio. 

4) Sup. antid. Mesue expositio. 

5) A. is een geneesmiddel waarin muscus voorkomt ; het heet dan ook a. muscata. 

6) Van de a. bestaan verschillende soorten : de eene is bitter, de andere muscata. 
A. is een geneesmiddel, waarvan men de samenstelling vindt in het antidotarium. 

7) Chr. d. Hon., Super Mesue antid. expositio. 

8) Men doet het in zeer kostbare medicijnen en likkepotten. 



228 

niet voor in den mnl. tekst, maar, volgens Chr. d. Hon., wel in 
het Antid. 

Confectionere heet in den mnl. tekst conf. vere; het is genoemd naar 
Naera (zie aldaar). Het komt niet bij N.M. voor. P. v. Ae. geeft 
pastilli Nerae, waarvan het recept niet veel lijkt op dat van N.S. 

Confectie vere, zie: conf. nere. 

Confexie, zie: confectio. 

Confexie colipte muscate, zie: confectio alipte muscate. 

Conficieren, bereiden, mengen. 

Confita muscata, zie: confectio alipte muscate. 

Confite ru, Confice ru, confiseru, confita riibea, confecta rubea. „C. r. 
id est styrax" (LTGl.). Zie: styrax. 

Conforteeren, versterken, 

Constantinus is ± 1020 te Carthago *) uit Christenouders geboren ; zijne 
studiereizen brachten hem te Cairo, Damascus en Bagdad, waar hij 
vele arabische handschriften verzamelde over geneeskunde. Toen hij 
van daar om eene — onbekende — reden moest vluchten, nam hij 
deze mss. mede naar Salerno, waar hij, na korter of langer secretaris 
te zijn geweest van Robert Guiscard, zich ±, 1070 als monnik terug- 
trok op den Mons Cassinensis. Daar heeft hij, door het vertalen 
zijner geschriften in het Latijn, veel bijgedragen tot de verbreiding 
der arabische geneeskunde. Zijne geschriften waren spoedig van be- 
lang, blijkens de Duitsche vertalingen ervan reeds in de 12e eeuw, 
o. a. van Viaticus. Hij stierf 1087. Naar hem is genoemd Yerapigra 
Constantini. 

Coorn, zie: gewichten. 

Copho [minor], 1085 — 1 100, was een oudere tijdgenoot van Nicolaus. 
Over zijne „Ars medendi" is uitvoeriger gesproken in de Inleiding, 
„Nicolaus en zijn Antid". Ook schreef hij eene „Anatomia porci", 
vroeger verkeerdelijk genoemd a. parvi galeni, uitgeg. door J. Schwarz. 

Corael, zie: corallum. 

Corallum, koraal. In het Antid. wordt c. album en c. rubrum genoemd. 
Volgens M. Sylv. is het roode drooger en mag men het witte alleen 
gebruiken, als het uitdrukkelijk in het recept genoemd is. Chr. d. 
Hon., Costaeus en Plinius onderscheiden ook nog eene zwarte soort. 
Men kende aan het c. eene versterkende werking op het hart toe. 
Deze koralen zijn afkomstig van Gorgonia nobilis en Madripora 
oculata. 
Coriandrum, coriander, vruchtjes van Coriandrum sativum L. De mnl. 
tekst noemt nog flores coriandri. 

l) Vandaar zijn bijnaam Afer. 



229 

Cornu cervi, hertshoorn. Zie: catariacum. 

Cortex, scorsse, schors, schil. 

Corts. Over de verschillende vormen van koorts zie o. a.: Jan Yperman's 
boek over geneeskunde. Hij beschrijft daarin de verschillende soor- 
ten: effimera, ethike, dageliker cortse, tertiane corts („simpel" en 
„dobbel") en vierden dage corts en geeft de geneesmiddelen ervoor 
aan. Zie: effimera, ethyke, cotidiane, tertiane en quartana. 

Corumbrum, corimbrum, cyrimbrum. Zie: cozumbrum. 

Costum, costus, costos. Costus speciosus Sin. s. Arabicus. Een welrie- 
kend kruid, waaruit zalf bereid werd, waarmede men wijn kruidde 
enz. Men onderscheidde eene witte soort, in Indië en Perzië gevon- 
den en het meest gebruikt, en eene roode, die sterker zou werken. 
Het blijft 3 jaar goed. J. d. S. A. en Diosc. onderscheiden 3 soor- 
ten : c. arabicus, indicus en garyophyllatus. 

Cotidiane [se. corts]. „C. comt altoes tinen tide op sinen dach. ende 
geduert .18. uren ende .6. uren heeft men vrede" (Av. d. w. m.). 

Cozumbrum, corumbrum, corimbrum, cyrimbrum, cotzumber is het- 
zelfde als Styrax rubea, ook wel thymiana genoemd. Zie : styrax en 
thimiana. 

Cracht. „Facultas causa quaedam est effectrix ')" (Gal.). Sommige „crach- 
ten" werken terstond (actu), zooals vuur, ijs, andere eerst na eenigen 
tijd (futuro tempore), b.v. Pyrethrum, Hyoscyamus. De sterkte der 
cracht drukt men uit in 4 graden, waarvan de 4e de sterkste is. 
Men onderscheidde 4 soorten van „crachten", ie afhangend van de 
elementen : verwarmend, verkoelend, verdrogend en vochtigmakend, 
2e de verzachtende, verhardende, samentrekkende, verteerende enz., 
3e de ettermakende, heelende enz., 4e de magnetische en door on- 
bekende oorzaken werkende krachten. Over het versterken of ver- 
zwakken van eene kracht leze men het voorwoord van het Xe boek 
van Der Naturen Bloenie. 

Crassula, grassuia, hemelsleutel, smeerwortel, kroonkruid; Sedum pur- 
pureum Hk. s. telephium L. „C. of orpyn, of cronecruut of roetelle, 
of smerewortte. Entie kleine scelt men bladeloes. ende staat op husen 
ende op oude maysieren" (Herb.). „C. maior dats smerewortel of 
groet orpyn" (mnl. tekst). 

„Wilment plucken ende lesen. 
X daghe voer den lanxten dach 
Dien men int jaer vinden mach" N. BI. x, 446. 
C. minor heet, volgens M. Sylv., ook Vermicularis of Semperviva 
minor; kleine donderbaert, Sedum album L. 



i) „Cracht" is eene of andere naar buiten werkende oorzaak. 



230 

Cretanus marinus, zeèvenkel; Christhmum maritimum L. Het heeft 
bladeren als yringium. Zie hierover het art. van P. Dorveaux in Janus 
1909 p. 311—319. 

Crispula, crespula. Kerspelie, koedil, koeoog, stinkende kermille, pad- 
debloem; Anthemis cotula L. „C. dicitur herba cancri in unguento 
marciaton ... et est herba minuta habens folia crispa ')" (M. Sylv.), 

Cristael, lapis cristallus „fit per congelationem ex glacie, quanto albior 
tanto melior, per plures annos servatur ^)" (L T Gl.). „Dicitur etiam 
sitim restringere sub lingua positus et expertum est quod tritus cuni 
melle acceptus a mulieribus replet ubera lactis*)" (M. Sylv.). 
„Cristallus, seghet men over een 
Es van ouden yse worden steen, 
Maer daer jeghen spreekt Solijn 
Ende seghet dat cristalle sijn 
Als het noyt en vroes ijs" N. BI. xir, 385. 

Crocus, soffraen, safifraan; Crocus sativa L. In het Antid. komen voor 
c. orientalis, hortensis, africae (saffraen van affrike). Men onder- 
scheidde eene soort die in de lente en eene andere, die in den 
herfst bloeit. 

Cronecruut, zie: crassula. 

Croppen, „cimae tenerrimae '')" (Lj en Lj). 

Cubeben, vruchtjes van de staartpeper; Piper cubeba L. s. Cubeba 
officinalis L. „Les cubebes, Poivre a queue (Piper caudatum), ou 
mousqué sont des petits fruits si semblables au Poivre noir, que si 
ce n'était leur petite queue, et qu'ils sont tant soit peu plus gris 
que Ie Poivre, il n'y aurait personne qui en peut faire la difïerence" 
(Pomet). 

Cucumer, cucumis, komkommer. Men kende de gewone eetbare kom- 
kommer, vrucht van Cucumis sativus L. en cucumer agrestis (asini- 
nus), vrucht van Ecballium elaterium Rich. De vrucht hiervan heette 
siccidos*), het sap elaterium. „E. es gemaect van enen crude dat in 
latine heet cucumeris agrestis. . . Ende men leset in die hontdagen 
alst ripe es. ende dan perst men tsap ute ende droget in die zonne. 



i) C. wordt herba cancri genoemd in marciationzalf en is een klein plantje met 
gekroesde bladeren. 

2) Het ontstaat door bevriezing uit ijs; hoe witter hoe beter en blijft vele jaren goed. 

3) Men zegt ook, dat het, onder den tong gelegd, de dorst lescht en men heeft 
ondervonden, dat het, fijn gewreven met honing genomen door vrouwen, de borst 
met melk vult. 

4) De zeer teere tippen. 

5) Van Grieksch (rixvo;^ augurk. 



231 

dat welna droge si. so dat ment in coekelkine formeren mach" (Herb.). 
Volgens L T Gl. houdt men het 2 jaar goed. P. v. Ae. zegt, dat het 
sap van de wortels en bladeren zwakker is, dan dat van de vruchten. 
Het zaad behoort tot „die 4 coude sade ')". 

Cucurbita, cauwerde, cauwo(e)rde, kalebas, pompoen; C. Pepo L. Het 
zaad hiervan behoort tot „die 4 coude sade ')". Men kende ook de 
C. Sylvestris (zie: coloquint). 

Cuminum, ciminum, cyminum, comijn, gewone komijn; C. Cyminum 
L. C. Aethyopicum werd ook wel genoemd Carmenum of C. regale ^). 

Curcuma, „Circuma Curema est radix crocei coloris et est celidonie 
minoris: qua panni tinguntur: vel rubea tinctoriim ') christoforus de 
honestis super Mesue" (M. Sylv.). Fuchsius meent, dat C. bij Mesue 
beteekent crocus; hij wil in plaats Diacurcuma lezen: Diacrocus. 
(N.M. p. 62). Costaeus*) meent, dat de juiste naam hiervoor Dia- 
crocoma is. Men noemde C, ook wel Crocus Indicus (Indische saf- 
fraan); het zou de Cypirus indicus van Diosc. zijn, die den wortel 
met gember vergelijkt. C. tinctoria. 

Cuscute, schorfte, wrange, vlaszijde, warkruid; C. Tourn. „C. of Vi- 
naria" (mnl. tekst) is eene woekerplant, behoorende tot de Convol- 
vulaceae. Men kent twee soorten: C. epilinum Weihe, gewoonlijk 
C. genoemd „hets gelyc vlasse ende wast opt velt. ende in lynsaede 
onder ander vlas* Ende men saelt gadren metten "bloemen ende .2. 
jaer mach ment goet houden" (Herb.). De andere soort heet C. 
epithimum L., gewoonlijk epithimum genoemd „ . . . ende wint hem 
omtrent .1. cruut dat thim heet ende wast gaerne in heeten landen 
ende in heeten steden" (Herb.). 

L. 

Lacca, harsachtig voortbrengsel, dat geleverd wordt door de Carteria 
lacca, een insect, dat gewoonlijk op Ficus-soorten leeft. Costaeus^) 
beschrijft het als „illud rufum, pellucidum, myrrhae aspectu simile, 
surculos quosdam ligneos involvens, verum Cancanum Graecorum ^)". 



i) Zie hierover: Macer Floridus, De viribus herbarum. Uitgeg. d. L. Choulant. 

2) Costaei annot. sup. Mesue antid. 

3) C. C. is de wortel van celidonia minor en heeft de kleur van crocus; waar- 
mede men doeken verft, of het rood van bonte kleederen. 

4) Annot. sup. Mesue antid. 

5) Annot. in Mes. 

6) Dat roodachtige, doorschijnende, gelijkend op myrrhe, dat zich om de twijgjes 
bevindt, het Cancanum der Grieken. 



232 

Lacsativa , laxativa. „Alle 1. mach men wel heten Katarticum" (mnl. tekst). 
Lactuca, sla; L. sativa L. „L. dat es latuwe of lachteke. . . Ende tsaet 

doet men in medicinen" (Herb.). 

Ladanum, lapdanum, laudanum. Harsachtige stof voorkomende aan de 

bloemen en bladeren van verschillende Cistus-soorten ; Cistus poly- 

morphus Willd., C. monspeliensis L., C. ladaniferus L. Over de 

manier van inzamelen, zie Diosc. en Emmanuel, Das kretische Ladanum. 

Lancpeper, zie : piper. 

Lapatiolum, lapaceolum. Kleine klissen, stekelnoot; Xanthium struma- 

rium L. 
Lapdanum, zie: Ladanum. 
Lapis, calculus, concrement uit de blaas, of de galblaas. Het vormt een 

bestanddeel van Nefrocatarticum. 
Lapis agapis, zie: L. gagatis. 

Lapis armenicus, azuriet, koperlazuur, Cu O. H^ O + 2 (Cu O. C O2). 
„Habet colorem medium inter viridem obscurum et terreum etindum . . . 
facile dissolubilis et pulveris abilis ')" (M. Sylv.). 
Lapis calaminaris, cadmia nativa; Calemijnsteen (W.), Galmeisteen. 
Een bruinwit gesteente, bestaande uit zinkcarbonaat met ongelijke 
hoeveelheden zinksilicaat. Het wordt, volgens L T Gl., niet vervalscht 
en blijft lang goed. 
Lapis daemonis, zie: lithodaemon. 

Lapis (ha)ematitis, bloedsteen, Colcothar. Bestaat uit FjOj. 
Lapis gagatis, 1. agapis. 

,,Gagates es een steen al swart 
Lichte ende ne bure hart 
In Licia es hi eerst vonden, 
Ende in Bertaengen, dat ter stonden 
Inghelant hiet, vint mene mede 
Wrijft mene, hi heft op ter stede 
Caf ende paelgen van stro" N. BI. xii, 583. 
Plinius beschrijft het als eene zwarte, platte, puimsteenachtige, broze 
zelfstandigheid. Men meent er eene soort van bruinkool onder te 
moeten verstaan*). 
Lapis lazuli, 1. lasuli, lazuursteen (W.), Bestaat in hoofdzaak uit Alu- 
minium, natrum, zwavel en silicium. 
Lapis lyncis, Belemniet (L. d. S. M.) Zie hierover het art. van Schelenz 
in de Pharm. Zeit. 1907, p. 861. 

i) De kleur houdt het midden tusschen donker groen en aardkleur en de kleur 
van een' Indiër . . . het lost gemakkelijk op en kan tot poeder gestooten worden. 
2) Führer, Ber. d. Deutschen Pharm, Ges. 1902. Heft 2, p. 90. 



233 

Lapis magnetis, zeilsteen, magneetijzersteen, eene zuurstofverbinding van 
ijzer, saamgesteld uit ijzeroxyde en ijzeroxydule. LTGl. weet te ver- 
tellen, dat het de kracht heeft, ijzer aan te trekken. 

Lappa, „Lappa inversa dats boterdoeke" (Herb.). „Sciendum est quod 
lappa inversa et bardana non sunt idem ut quibusdam placet, sed 
diversae herbae sunt ')" (L T Gl.). Zie : Bardana. 

Lasarum, zie: laserpitium. 

Laserpitium, zie: silfium. 

Lasers, melaatsch. 

Latuarie, zie: electuarium. 

Latu(w)e, zie: lactuca. 

Laudanum, zie: ladanum. 

Laureola. Volgens Dv. bestaat er eene mannelijke soort, Daphne Lau- 
reola L. en eene vrouwelijke, mezereon, Daphne Mezereon I^. Zie 
ook: cocognidii en alipiados. In den mnl. tekst komt ook voor sop 
van laureola. 

Laurus, laurier Daphnococci, dampnotti, dampnocri, daphnidon ; Laurus 
nobilis L. „L. hierop wassen die bayen. beide vrucht ende blade 
gaen in medicinen. Entie blade hebben meerder cracht dan die bayen 
om hare bitterheid so verduwden si wel. Ende die bayen duren goet 
.1. jaer. Aldus maect men olye van bayen. Nemt die bayen altemet 
dat si versch sijn, ende zietse in olyen of in smoute. Ende dan 
wrincse ute dore enen sconen doec. ende bestaetse. Noch .i. ander 
maniere. Men sal die bayen stoten, ende leggense in wine .3. dage 
te verrottene. ende dan sal mense doen in .1. sackelkijn ende per- 
sent in .1. persse. Ende datter uut comt. es zalve van bayen ^)" 
(Herb.). „Folia lauri in medio mai debent colligi et in umbra desic- 
cari. ultra annum non debet servari *)" (L T Gl.). In het Antid. komen 
voor baccae lauri, folia lauri et ol. laurinum. „Baccae lauri fructus 
sunt lauri de quibus fit oleum laurinum . . . colligi debent in autumno 
cum plene maturae sunt. servari possunt per duos annos. eligendae 
sunt continuae non perforatae *)" (L T Gl.). 

Lempnias, komt voor als bestanddeel van Athanisia. Bedoeld wordt 
wellicht lenias. „Lenias est auripigmentum" (L T Gl.). 

i) Men moet wel weten, dat lappa inversa en bardana niet hetzelfde is, zooals 
sommigen meenen; maar het zijn verschillende kruiden. 

2) Laurierolie heet in den volksmond nog olie van baay. 

3) Laurierbladeren moet men half Mei verzamelen en in de schaduw drogen. 
Langer dan een jaar moet men het niet bewaren. 

4) Laurierbessen zijn de vruchten van laurier, waarvan men laurierolie maakt. 
Men moet ze vergaderen in den herfst, als ze' goed rijp zijn. Men kan ze 2 jaar 
goed houden. De beste zijn die, welke gaaf en zonder, gaatjes zijn. 



234 

Lentiscus, mastixboom (W.); Pistacia lentiscus L. 

„Lentiscus, als Ysidorus seghet 

Es een boem daermen of pleghet 

Olie te maken van sire vrucht. 

Niet hoghe wast hi in die lucht. 

Oec loept uter scuerse sijn 

Sap, heetmen mastic in Latijn, 

Ende dats tbeste int hete lant. 

Platearius seghet, diet vant, 

Dat sine blade nutte sine 

Ende goet in medicine, 

Want men daer mede sluiten moet 

Menstrua, dat sware bloet, 

Ende die bloetsucht sluutmer mede" N. BI. viii, 48. 
Lepel, Dorgaeten-, schuimspaan. 

Lethargia, litargie. „L. est apostema frigidum posterioris partis cerebri" 
(LTGL). „L. dat es ene aposteme in den nolle van den hoofde. 
ende es also geseit omdat die dese ziecheit heeft, die heeft verloren 
al sine gedinkenisse. . . ende dit gesciet gerne in wintertiden. ende 
dat in diegenen die hebben thertevel. of die hebben peripleumonia. . . 
Maer alse enech mensche leget in eenperliker hitten ende hi hout 
die ogen geloken eenperlike of hi slumede. dats teken te valne in 
litargieen. Diere orine es ongevarwet ende dicke. Ende alse hi aldus 
slumert. roept hem ane hi sal u cume {met moeite) antwerden ende 
al antwert hi U het en sal gene redene geven. Ende hi sal gerne 
liggen gekeert metten ansichte opwert. ende keerdine over eenige 
side. hi sal weder keren metten rugge nederwert" (D. b. s. v. M.). 
Leucopiper, ook lencopiper geschreven. Zie: piper. 
Levisticum, ligustium, lovesce. Lavas, Levesche; L. officinale Koch. 
„L . . . Ende tsaet heet oec also. ende gaet in medicinen. ende .3. 
jaer hout ment goet" (Herb.). Volgens L T Gl. moet men de plant 
's zomers verzamelen. In den mnl. tekst komt ook voor sop van 
lovesce en lovesche saet. 
Licinium, lang dun rolletje, gemaakt van doek of bambax. 
Licium, litium, „oculus lucidus dicitur, eo quod oculos lucidos reddit 
in collyriis oppositum . . . fit autem 1. sic: caprifolii pinulas collectas 
in mense Septembris tere, per linteolum cola, et succum eius in 
concha ad solem sicca; et illud erit 1. eligendum est aliquantulum 
solidum, et unius coloris cum frangitur. per vii annos servatur *)" 
(L T Gl.). 



i) Het heet „oculus lucidus" omdat het, in oogzalf gedaan, de bogen helder 



■ 235 

Lienteria, lyenteria. „L. es een menisoen daerdie spise al geheel dore 
den lichame gaet. al onverteert also mense eet so comtse beneden 
dore" (Av. d. w. m.). 
Lignum aloes, xyloaloes, silloaloes, paradijshout; Aquilaria Agallocha 
Roxburgh. Wordt wegens de welriekende hars, die het bevat, als 
reukwerk gebruikt. 

„Dus leertment kennen hem diet copen 

Ende bits wart sijn si ende rieken wel, 

Bitter ende niet al te fel, 

Bruun roet ende niet al te swart, 

Ende onder dien tanden niet te hart; 

Ende alsment cuwet, dat die roeke 

Altehant die hersine stoken" N. BI. ix, 54. 
„Locuni ubi nascitur novit nemo, quoniam nascitur in montuosis 
locis orientis circa originem Nili, quae nemini nota est, de montanis 
in Niluni cadit, quod Nilum recipiens fert in Indiam ; ibi vero a 
Saracenis retibus capitur. . . Eligendum est subrufum . . . subnigrum 
tarnen laudabilis. Sophisticatur cuni quodam ligno quod iuxta Al- 
mansiam reperitur, quod simile est in odore sed nigrum, vel album 
vel solidioris substantiae. Si comburatur in igne odorem reddit aro- 
maticum, sed momentaneum. . . per x annos servari potest ')" (L T Gl.). 
Ligusticum, zie: levisticum. 

Lijnsaet, vlas, zaad van Linum usitatissimum L. „Semen lini dats lijn- 
saet. Ende geplaestert ende in borne gedaen die ziedende heet es. 
ende biden viere gedaen staen ene wile. ende dat getempert met 
borne ende tarwe melc ende botere. Dit piaster daerop geleit al 
warm. doet ripen alle apostemen. Ende lijnsaet geleit in borne verscht 
den drogen mont" (Herb.). 
Lilifage (lilifagus), in den mnl. tekst, Lj en F, aldus genoemd, in L2 
elelisphacum. Salvia off., L. (zie aldaar). In den mnl. tekst is ook 
sprake van saet van 1. bij Esdra. 



maakt . . men maakt het aldus : Wrijf de besjes [?] van kamperfoelie fijn, die men 
in Sept. verzameld heeft, zijg het door een linnen doek en droog het sap in 
eene schelp in de zon. Eu dat is 1. Men moet de eenigszins harde nemen en van 
éene kleur, als men het breekt. Het blijft '/ jaar lang goed. 

i) De plaats, waar het groeit, kent niemand, want het groeit op bergachtige 
plaatsen om en bij de bronnen van den Nijl, welke aan niemand bekend zijn. Daar 
valt het in den Nijl en wordt meegevoerd naar Indië, waar het door de Saracenen 
met netten opgevischt wordt. De roode soort is dè beste, maar de zwarte is 
toch ook goed. Men vervalscht het met eene soort van hout, dat bij Almansia 
wordt gevonden en in geur erop gelijkt, maar dat zwart is of wit of harder. Als 
het brandt geeft het eene scherpe lucht, maar slechts een oogenblik. Het kan 10 
jaar bewaard worden. 



236 

Limatura, vijlsel. In het Antid. komt voor 1. auri ende argenti en 1. 
eboris. LTGl. zegt van dit laatste: „eligendiim est quod albius po- 
test invenire, lucidum, clarum et sine mediüla. Sophisticatur ex 1. 
aliorum ossium quod vix aut nunquam potest discerni; debemus 
autem corani nobis facere limare. Pulvis eboris in naribus inflatus 
fluxum sanguinis narium sistit ')". Ook ijzer en hertshoorn werd 
gevijld. 

Lingua avis, „nihil aliud quam Fraxini semen" (Cost. ^). Fraxinus exelsior 
L, Volgens L T Gl. blijft het een jaar goed, maar hoe verscher het 
is, hoe beter. 

Lingua cervina, „i. scolopendria" (M. Sylv.). Scolopendria off. L. 

Linke, litteeken. 

Linum, zie: lijnsaet. 

Liquiritia, ricolisse, recolissie, in F, riquelice, soethout (W.); Glycyr- 
rhyza glabra L. In het Antid. komt ook voor „sop van ricolissien". 

Litargie, litargia, litargicus, zie : lethargia. 

Litargirum, loodoxyde, loodglit. Al naar gelang het uit den goud- of 
zilversmeltoven kwam, noemde men het 1. auri of argenti. Het werd 
reeds oudtijds gebruikt ter bereiding van loodpleister. 

Lithodaemon, „Lapis daemonis dicitur vel ideo quia est nigri coloris 
vel ideo quia in lacu ubi Sodoma et Gomorra perierunt invenitur 
sicut aspaltum secundum quosdam; sed est falsum. non multum in- 
diget electione. diu servatur')" (LTGl.). 

Litium, zie: licium. 

Litontripon, lithontrypton, confectie met veronderstelde steen-verbrij- 
zelende werking. Bij N.M. is het no. 181 der antidota. 

Litospermum, zie: grana solis. 

Lyenteria, zie: lienteria. 

Lovesche, zie: levisticum. 

Lupinus, lupine; Lupinus Tourn. Het Antid. noemt ook semen lupini. 

Luxurie, wellust. 



1) Men moet het zoo wit mogelijk nemen, schilteiend, helder en zonder mevg. 
Men vervalscht het met vijlsel van andere beenderen, hetgeen nauwelijks of in het 
gehee) niet ervan kan worden onderscheiden; men moet het dus in zijne tegenwoor- 
digheid laten vijlen. Ivoorpoeder, in den neus geblazen, stelpt neusbloedingen. 

2) Annot. sup. Mes. antid.' 

3) Het heet 1. d. hetzij om de zwarte kleur, hetzij omdat het gevonden wordt 
in het meer, waar S. en G. vergaan zijn, evenals, volgens sommigen, aspalt. Maar 
dat is niet juist. Het komt er niet op aan, welke soort men neemt. Men kan het 
lang bewaren. 



237 



M. 

Mabathematicon, sap van wilde kool, welke aan zee groeit en op hooge 
en verlaten plaatsen (Add.). In den mnl. tekst ook mabatheml ge- 
schreven. 

Macedonicum. Twee verwante — en daardoor vaak verwarde — plan- 
ten dragen dezen naam: ie. Apium macedonicum, ook Hipposelinum 
genoemd, 2e. Petroselinum macedonicum. De eerste wordt echter 
bedoeld, zooals blijkt uit de aanhalingen van M. Sylv. en Fuchsius. 
Zie: Macedonien saet. „M. olixatrum •) yposelinum est species apii" 
(M. Sylv.). Zie: Petroselinum. 

Macedoniensaet „per semen Macedonisium inaudendum est quod Grae- 
cis Hipposelinum et Romanis olusatrum') nominatur*)" (L. Fuchsius 
in N.M.) Zie: Petroselinum. 

Macis, „dats die bloeme van der noten muscaten" (mnl. tekst op Blanca). 
„Flos nucis muscatae; sicut est quidam folliculus, qui continet avel- 
lanam sic et macis continet nucem muscatam *)" (L T Gl.). Zie : no- 
ten muscate. 

Macropiper, zie: piper. 

Magdaleon, magdalion, ieder in cylindervorm gerold en aldus bewaard 
medicament. Manardus zegt, dat men hiervan pillen maakt. Men 
bewaart, volgens M. Sylv. *), het medicament, waarvan men later 
pillen maakt, in dezen vorm, omdat het dan beter zijne kracht be- 
houdt. Men maakt magdalion met .i.t pulvis specierum op .i.fi? ho- 
ning. Volgens L T Gl. mag men het niet langer dan 5 jaar bewaren. 

Magedijn was, maechden was; cera virginia. Eene wasachtige stof, die 
aan den ingang van bijenkorven voorkomt. 

Malanum, melanum, zie: vovum malanum. 

Majorana, marjolijn; Origanum Majorana L. Zie ook: Sansuccus. 

Malabatrum, malobathrum. bladen van den Laurus Cassia. „M. folium 
album, vel folium Paradisi dicitur quia in Paradiso nascitur; non 
recordor me vidisse . . . ponuntur autem pro eo folia garyophyllorum, 
subtiliora et tenuiora^)" (LTGl.). Oudtijds versierde men er zich het 



i) 1. : oliis atrum. 

2) Onder s. M. moet men verstaan wat bij de Grieken IT. en bij de Romeinen 
o. heet. 

3) Ue bloera van notemuskaat; zooals een zekere peul avellana bevat, zoo omvat 
macis de notemuskaat. 

4) Annot. sup. Mes. antid. 

5) M. heet wit blad, of paradijsblad, omdat het in het Paradijs groeit; ik her- 



238 

haar mede, zooals blijkt uit Horatius'): „Corenatus nitentes Malo- 
bathro Syrice capillos*)". Volgens Plinius komt m. uit Syrië. Zie : folie. 

Malexeeren, tot eene kneedbare massa maken (om er magdaleon uit 
te maken). Men doet dit „met olyen van bayen" (mnl. tekst) of 
„iegen 't vier." 

Malum Granatum, granaatappel, vrucht van Punica Granatum L , pru- 
men garnaten, gernate, Poeme gaernate. In bet Antid. komen nog 
voor: radix mali granati, sop vander prumen garnaten (Opilect) en 
succus utrorumque granatorum (Oxi laxat.) (tamme en wilde granaat- 
boom^?). 

„Die dese apple droghe name,, 
Ende droghe leide sonder lucht, 
II jaer so bleve goet die vrucht" N. BI. viii, 552. 

Maluwe, malva, kaasjeskruid; Malvasylvestris L. „M. ofpappele" (Herb.). 

Mamme, mamma, borst. 

Mandragora, alruin; Atropa Mandragora L. Dit kruid was reeds bi^ 
de ouden als aphrodisiacum en narcoticum bekend. Talrijke legen- 
den over de bovennatuurlijke kracht dezer plant waren in om- 
loop. „M. sijn wortelen van cruden. ende sijn tweerande. ende 
wast alse man ende wijf. Ende dat mannekijn heeft bladere alse 
beetcolen. ende dwijfkijn alse latuwe. Ende diet uter erden trect 
hi moest sterven. Ende daert steet siet men bi nachte groet licht. 
Ende dmannekijn helpt den man. ende dwijfkijn den wive. Ende 
dhoeft vanden mannekine es goet jegen den hoeftswere. Entie ogen 
sijn goet iegen die ogen. Ende also voort elc led vanden mannekine 
jegen elc led van man al tote voeten toe. Ende also vanden wijf- 
kine jegen dvvijf. Ende wiltu dat .1. wijf een cnechtkijn drage so 
gef hare drinken tsap vanden mannekine. Ende wiltu eene dochter 
hebben gef hare van den wijfkine. Ende die tsap drinct vanden 
mannekine. hi leecht alsof hi doot ware. Ende alse die surgine willen 
werken, so doense den lieden hier met liggen alsof si doot waren. 
Also dat si niet en weten wat dat men hen doet. Ende alsise willen 
doen waken, so nemen si tsap van rute. aysijn ende genciane ende 
mingent overeen, ende doent hen lopen in die oren ende dan ont- 
waken si. M. es oec i boem. Entie scorssen sijn cout ende droge. 
ende doet tselve dat tforste*) m. doet" (Herb.). „M. colligi debet 



inner mij niet, het ooit gezien te hebben. Men neemt in de plaats ervan folia ga- 
ryophillorum, die kleiner en zachter zijn. 
i) Carmina lib. ir. 

2) De glanzende haren omkransd met Syrische m. 

3) Zie : Balaustia. 

4) bovengenoemde. 



239 

aestate, et per frusta dividi, et sicari, et servari potest per 3 annos. . . 
In unguentis debent poni frondes et fructus, in aliis inedicinis ra- 
dices ')" (LTGl.). In het Antid. komen ook cortex mandragore en 
bladen van m. voor. 

Manijs, „M. dats cleine wierook" (mnl. tekst op Enipl. apost.). „Manna 
thuris, mannis graece id est thus minutum" (M. Sylv.). Het woord 
is afkomstig van /«avva A<(3avov (Diosc). 

Manna, ingedikt sap van Fraxinus rotundifolia Lamk. Het bevat man- 
niet en wordt nog gebruikt als zacht afvoermiddel. 

Maratrum, „dats venkelsaet" (mnl. tekst\ Het blijft, volgens L T Gl., 3 
jaar goed. 

Marbersteen, marmeren plaat. Wit marmer gaat in Ung. cytrinum. 

Margaritae, parels „met gaten ende sonder gaten" (mnl. tekst). Volgens 
J. d. S. A. zijn de van nature doorboorde parels beter dan de van 
nature gave, maar deze laatste zijn niet beter of slechter dan de ^ 
kunstmatig doorboorde. In Aur. Alex. worden nog albae m. ge- 
noemd. 

St. Mariencruut, herba Sanctae Mariae. Zie: balsamita. 

Marobium, marrubium. Zie: prassium. 

Mastic, mastijc; Pistacea lentiscus L. „M. gummi est cuiusdam arboris 
in quadam insula Graeciae, quae assimilatur lentisco, secundum quos- 
dam est lentiscus. M. eligenda est subalbida, lucida et clara sive 
faeculenta, non sophisticatur, diu potest servari")" (LTGl.). 

Matersilve, „dats wedewinde" (mnl. tekst). Zie: caprifolium. 

Mecon, micon, meconium. „id est papaver" (M. Sylv.). Zie: papaver. 

Medicine, geneesmiddel. „Medicina alia est simplex, alia composita. 
Simplex est quae talis qualis eani natura producit, vel quae artificio 
paratur sine alterius admistione ')" (LTGl.). Als redenen, waarom 
simplicia tot gecompliceerde praeparaten worden vereenigd, worden 
opgegeven : verhooging van het effect, werking tegen meerdere ziek- 
ten tegelijk, onderdrukking van ongewenschte bijwerkingen, ter ver- 
duurzaming of om onaangenamen smaak weg te nemen. 



1) Men moet m. in den zomer verzamelen, in stukjes deelen en drogen. En 3 
jaar kan men het bewaren. In zalven moet men de bladeren en vruchten doen, in 
andere geneesmiddelen de wortels. 

2) M. is de gom van een boom die groeit op een Grieksch eiland en wordt 
gelijk gesteld met lentiscus en is het ook, volgens sommigen. Men moet den wit- 
ten, glanzenden en helderen of den troebelen m. uitzoeken. Het wordt niet ver- 
valscht en kan lang bewaard blijven. 

3) Een geneesmiddel kan enkelvoudig of samengesteld zijn. Enkelvoudig noemt 
men het zooals de natuur het voortbrengt of zooals het kunstmatig gemaakt wordt, 
zonder toevoeging van andere. 



240 

MeduUa cervina, „march van den hert" (mnl. tekst). Zie : hert. 

Meeradec, zie: rafanus. „Wortele van m." gaan in Oxiniel. 

Mei, honing, zeem. Men gebruikte honing ter verduurzaming van sim- 
plicia of als corrigens. Vóór het gebruik moet men den honing koken, 
waarna men hem afzet en van het schuim ontdoet met eene cacia (zie 
aldaar) of door coleeren (zie aldaar). Men kende: i« m. castanearum, 
honing van kastanjebloesems, of honing, die in kastanjehouten vaten 
bewaard is; deze is eenigszins bitter, werkt laxeerend en werd weinig 
gebruikt. 2'^ zoeten honing, waarbij men vaak tegen bederf terpen- 
tijn voegde. 3^ m. myrtinum, waarvan het recept niet afzonderlijk 
voorkomt in het Antid., maar als laatste gedeelte van Diacodion in 
L,, L, en F,. 4"^ ra. rosaceum, m. rosaet „heet in griex rodomel" 
(mnl. tekst); komt voor als bestanddeel van Rubea. Het recept van 
N.M. is niet te vergelijken met dat van N. S. In N. B. viii, 779 en 
bij Mesue komen ook recepten voor, maar men gebruikte dat van 
N. S. 5*= „Eodem modo fit m. violatum", leest men in het laatste ge- 
deelte van m. rosatum. 6« oximel (zie aldaar). 7*= m. palestinum. Vol- 
gens J. d. S. A. hangt de bruikbaarheid veel af van de plaats waar 
en den tijd waarop de honing gewonnen wordt. 

Melancolia, „m. alia naturalis est alia innaturalis. Naturalis m. natura- 
liter frigida est et sicca in colore terrea, in sapore acetosa, in sub- 
stantia spissa ')". (Magister Maurus, Regulaè urinarum). 

Melanopiper, zie: peper. 

Melantium, gith, nigella; Nigella sativa L. De oude Grieksche artsen 
zouden, volgens Kobert, twee verschillende planten van dien naam ge- 
kend hebben, de eene : de Nigella sativa L. en de andere : het moe- 
derkoren; Claviceps purpurea. Zie ook: Nigella. 

Mel(l)ilotum, honingklaver; Melilotus altissimus Thuill. „m. dats milli- 
lote . . . Ende dit cruut wast opt velt. ende riect wel alst bloyt. luide 
dit cruut doet men in medicinen. Ende tsap gedaen in spisen doet 
de spisen wel rieken" (Herb.). 

Melc, zie: sotira magna. 

Melissa, melisse; Melissa off. L. 

Melone, melo, meloen; vrucht van Cucumis melo L. Semen melonis, 
dat in het Antid. voorkomt, behoort tot „die 4 coude sade". 

Menstrua, „vloet van bloede van den wive dat men heet m." (mnl. 
tekst). 

Ment(h)a, munt. Plat. en M. Sylv. onderscheiden m. domestica (hortu- 



i) Men heeft de natuurlijke en de onnatuurlijke m. De natuurlijke is van na- 
ture koud en droog, aardkleurig, scherp van smaak, van eene dichte substantie. 



241 

lana), hofmente; M. rotundifolia L., m. silvatica (mentastrum); M. 
silvatica L. en m. Saracenica (Romana); Balsamita suave olens' 
Pers. In L T Gl. worden alleen de twee eerste onderscheiden. Zie 
ook: origanum. 

Mercedonicum. „M. dats persijn van macedonie" (ninl. tekst). Zie: 
macedoniensaet. 

Mercuriael, bingelkruid, mercurialis; Mercurialis annua L. De eenige 
keer, dat het in den mnl. tekst voorkomt, staat er in het Latijn 
cymbalaria. In den Latijnschen tekst komt het een paar keer voor. 

Mergulus. „In nostra lingua peter, et in gallica cassier apellatur" (L T Gl.) 
Eene soort van zwemvogel, behoorende tot het geslacht Mergus. 
„Mergus es een voghel. God weet. 
Dien men in Dietsche den duker heet. 
In marascen ende in rivieren 
Wandelt hi bi siere manieren. 
Omdat hi die vissche vaet 
Langhe hi onder t water gaet 
Doch moet hi weder in die lucht. 
Want danne coemt hem dademtucht." N. BI. iii, 2737. 
In het x\ntid. komen voor venter en sanguis merguli. 

Metridatum. „M. es moeder boven alle medicinen" (mnl. tekst). Mithri- 
dates, koning van Pontus, zou het uitgevonden en als tegengif ge- 
bruikt hebben. Volgens Q. Serenus Samonicus zou het daarin be- 
staan, dat men dagelijks 20 bladeren van de wijnruit, i korrel zout, 
2 noten en 2 vijgen zou nemen en daarna een weinig wijn drinken '). 
De latere recepten zijn daarentegen veel uitgebreider. Eigenaardig 
is, dat de Fransche tekst het praeparaat in enkele regels afhandelt, 
waardoor hij niet met den Latijnschen tekst te vergelijken is. N.M. 
geeft 2 recepten (n" 411 en 412 der antidota). In Add. wordt op 3 
fouten gewezen, die nog al eens bij de samenstelling begaan worden : 
het vergeten van de terebintina, het vervangen van balsamum door 
andere olie en de bijvoeging van te veel honing. Vóór de uitvinding 
van theriak door Andromachus was M. het geliefkoosde antidotum 
tegen allerlei vergiffen. Het blijft 10 jaar goed. 

Meu, Meum athamanticum Jacq. Men gebruikte den wortel; in het 
Antid. wordt ook cortex meu genoemd. 

Mic(h)leta, behoort tot de opiaten. Het blijft, volgens LTGL, 3 jaar 
goed. Bij N.M. komt het voor als no. 200 der antidota. 

Micon, zie: mecon. 

Milium solis, gremil. Zie: grana solis. 



l) Dan. Ie Clerc, Hist. d. 1. médecine. 

16 



242 

Millefolium, duizenblad, gerwe, nesebloede; Achillea millefolium L. De 
naam nesebloede komt niet voor in Herb. Volgens Dod. heet de 
plant in het Engelsch ook noseblede. 

Mirabolani, beter zou zijn : myrobalani ; in oude boeken vindt men 
echter meer de eerste schrijfwijze. In de middeleeuwen werden zij 
veel gebruikt. Het zijn steenvruchten, gelijk pruimen ; het gedroogde 
vleesch werkt sterk samentrekkend. Men onderscheidde 5 soorten : 
m. emblici, afkomstig van Emblica off, Gaertn., m. bellirici, af- 
komstig van Terminalia Bellirica Rox, m. chebuli (kebuli), afkom- 
stig van Terminalia Chebula Retz, m. indi, dezelfde als m. chebuli, 
maar donkerder van kleur en kleiner, omdat men ze onrijp plukt 
en m. citrini, volgens sommigen eene variëteit van de Terminalia 
Chebula. 

Mirre, myrrhe, gomhars van Balsamea Myrrha Engl. 

Mirtilli, volgens LTGl., de bessen van Myrtus communis L. „Colligun- 
tur cum bene sunt nigri et maturi, et siccantur. per annum servan- 
tur»)" (LTGL). 

Mirtus, afkomstig van Myrtus communis L , komt in deze streken niet 
voor. De Myrica Gagel, die hier wel in het wild voorkomt, draagt 
den naam van „Hollandsche mirt" (Hk.). „Mirtus of mirta dats ga- 
gel .. . ende .2. jaer mach ment goet houden" (Herb.). Myrica Gale L. 
„Mirtus hetewi hier dat gaghel 
Maer boeke segghen dat men laghel (tonnen) 
Ende nappen of maken mach ; 
Doch en weetic niet dat ie sach 
So groet gaghel int lant hierbi. 
Dus twivel ie wat mirtus si." N. BI. viii, 581. 

Mispelen, vrucht van Mespillus germanica L. 

Miva. Hieronder verstaat men een conditum ex cydoniis, bestaande uit 
succus cydon., sacchar. en water. 

Myristica, nux m., nootmuskaat. Zie : notenmuskaten. 

Moerbesien, zie ; morus. 

Monopagea, monopegia, „eenzijdige hoofdpijn" (B.). 

Morfea. „M. es ene smerte die comt in die huut.... some die plecken 
sijn wit. some root ende som sijn si svvert" (Av. d. w. m.). 

Mortarium, mortier. In het Antid. worden speciaal genoemd m. mar- 
moreum c. pistillo^) ferreo en m. aereum. 



1) Men zamelt ze in, als ze goed zwart en rijp zijn en droogt ze. Een jaar blij- 
ven ze goed, 

2) Stamper. 



243 

Morus. In het Antid. worden genoemd M. celsi (moerbezie), Morus 
Tm., en M. batinum (braembes, zie: rubus). „Mora domestica. dat 
sijn moerbesien" (Herb.). 

„Platearius seghet ende toghet, 

Dat sine vrucht coelt ende droghet 

Dat sap daerof heet dyamaroen (1. : diamoron). 

Dat salmen dan sieden doen, 

So ist jeghen squinantie (keelontsteking) goet." N. BI. viii, 533. 

Moruwen, zacht, murw maken. 

Mostaert, zie: sinapis. 

Mulsa, aqua ni., hydromel, meede; wordt gemaakt uit honing en water. 
„Mulsum", zegt Diosc, „maakt men uit goeden ouden wijn en 
honing." 

Mummia, mummie, momie. „Momia vel ut officinae loquuntur „mumie", 
Nicolao hoc loco teste non est aliud nisi sanguis, aut tabida sanies, 
aloë tamen et myrrha illi commixtis: in aliquam cavitatem collecta. 
Nunc carnes simul exsiccatas, et ossium frusta pro mumia vendunt 
officinae, non tarnen sine errore ')" (L. Fuchsius in N.M.). Zie ook: 
A. Wiedemann, Mumie als Heilmittel, in Zeitschr. d. Ver. f. rhein. 
u. westfal. Volkskunde, 3. Jahrg. 1906 p. i. 

Musa enea. Dit praeparaat is eene opiate, dat, volgens L T Gl., 7 jaar 
goed blijft en minder krachtig zou zijn dan Aurea Alexandrina. 
Evenwel werkt het van de bestaande Musae het sterkst. Men gaf 
het ook in verbinding met andere opiaten, b.v. met Requiens (zie 
den mnl. tekst) tegen koortsen. Het komt niet voor in F, ; N.M. 
geeft 3 recepten, no. 292, 302 en 303 zijner antidota, welke echter 
geen van drieën gelijken op dat van N.S. (no. 292 nog het meest). 

Museale, zie: notenmuscaten. 

Musceleon, zie: oleum muscelinum. 

Muscus, „dats muskeliaet so wer ment vint" (mnl. tekst). Het is het 
product van eene klier, die zich bij den Moschus moschiferus (mus- 
kusdier) beneden den navel bevindt. 

Musemaluwe, zie: althaea. „Saet" van de m. komt voor in Esdra. 

Musen. „Want musen siin geconformeert van vleeschachtigen zenewen 
ende van gebinden. dewelke siin de wille van roerne" (J. IJperman). 
Gevoelszenuw, Hd. Muskei. 



1) M. of zooals men in de werkplaats zegt „mumie" is, gelijk uit de plaats bij 
Nic. blijkt, niets anders dan bloed of rottend bloed, dat aan het vergaan is, maar 
met aloë en myrihe vermengd en verzameld in eene of andere holte. Tegenwoordig 
verkoopen de fabrieken bedriegelijk uitgedroogd vleesch en stukjes van botten 
voor m. 



244 

Muskeliaet, zie: muscus. 

Mustum, most, nieuwe, onlangs uitgeperste wijn. Gewoonlijk maakte 
men er kruidenwijn van (W.). 

N. 

Na(cht)scade, zie : solatrum. 

Naera, bekende kamervrouw van Cleopatra. 

Nagle, zie: caryophylli. 

Napei, zaad van Sinapis (zie aldaar). 

Nardum, Nardus. In het Antid. komen twee soorten voor: i<=. Spica 
nardi; spijknarde. Diosc. onderscheidt deze weer in: n. syriacum, 
Patrinia scabiosaefolia Fisch; volgens hem de beste en behoorende 
tot de fijnste aromatica der oudheid; en n. indicum, Nardostachys 
Jatamansi D. C, afkomstig uit de Gangesstreek. 2<=. Spica celtica, 
nardum celticum, ook alleen celtica; wordt ook Saliunca genoemd; 
Valeriana celtica L. 

Nascade, zie: nachtscade. 

Nasturtium, witte waterkers; Nasturtium off. R. Br. „N. dats kersse. 
ende es van .2. manieren, wit ende root. ende beide sijn si heet 
ende droge in den .4. graet. Ende tsaet gaet in medicinen. Ende 
men macht goethouden .5. jaer" (Herb.). Zie ook: Cardamomum. 

Nefrocatarticum. „N. es also vele alse purgieringe vanden nieren" 
(mnl. tekst). Bij N.M. komt het voor als no. 187 der antidota. 

Neheremisch, „i. e. semen Paeoniae" (Add.). 

Nenufar, waterlelie; Nymphaea alba L. „N. of calijnbloemen of aplom- 
pen. Dat sijn tremeerbloemen ende staan in watere . . . ende die 
witte sijn die beste. Ende men de bloemen drogen so mach mense 
.2. jaer goet houden" (Herb.). In het Antid. komt ook flos nenu- 
faris voor. 

Nepita, kattekruid; Nepeta Cattaria L. 

Nera, Neris; Nerium Oleander L. „N. id est arbor cerasi sylvestris de 
cuius cortice sophisticatur cassia lignea lege ... et commentum Nicolai 
super esdra in fine*)" (M. Sylv.). Volgens LTGl. is het een boom 
of struik, voorkomende in Apulië, met vruchten als laurierbessen, 
waarvan de Saracijnen kleurstoffen maken. De bast wordt gebruikt 
in de geneeskunde, wordt niet vervalscht en blijft 2 jaar goed. 

Nera, zie: confectio nere. 



l) N. is een woud-kersen boom welks bast men gebruikt om cassia lignea te ver- 
valschen ; lees ook het eind van de aanteekening van Nic. op esdra. 



245 

Nesebloede, zie: millefolium. 

Netelen, zie: urtica. 

Nicolaus Myrepsus, (ixvfs\l>6^ = unguentarius). Afkomstig uit Alexandrië, 
vertoefde hij als lijfarts van keizer Joh. Dukas Valatzes (1222 — 1255). 
aan het hof te Nicaea en zou, volgens een tijdgenoot '), een goed 
practicus zijn geweest. Als grijsaard (± 1270 — 1290) stelde hij een 
beroemd geworden Antidotarium samen, bekend onder den naam 
AvvufJicfóv, dat 2656 verschillende recepten bevat, waarvan hij de 
meeste tijdens zijn verblijf te Alexandrië en in Italië ^) zou geleerd 
hebben en welke hij verdeelde in 48 hoofdstukken. De oorspronke- 
lijke Grieksche tekst is niet in druk verschenen; de meest bekende 
uitgave is wel de Latijnsche vertaling van L. Fuchsius. 

Nicolaus Salernitanus, zie de Inleiding. 

Nigella, nigelle, git; N. sativa L. of N. arvensis L. „N. of nigle. wast 
int coren. . . Ende dit saet hout men wel .x. jaer goet" (Herb.). In 
Add. staat, dat de „moderni" 2 soorten kennen, waarvan de eene, 
met geel zaad, in de geneeskunde gebruikt wordt. Zie ook: melan- 
tium en bolle. 

Nitrum. Het n. der Romeinen is, volgens Peters '), geen salpeter, maar 
koolzure natron (soda). Volgens Diosc. moet het rood of wit van 
kleur zijn. 

Nixacar, een Barbaarsch woord, „N. i. e. flos agni casti . . . arbor est 
cuius flores medicinae competunt; in autumni colliguntur; per annum 
servantur" (LTGL). Zie ook: agnus castus. 

Nokernote, okkernoot: vrucht van Juglans regia L. 

Notenmuskaten, nuces moschatae; vruchten van Myristica fragrans 
Houttuyn, Het uitwendige bekleedsel der vruchten is bekend onder 
den naam van macis, foelie. 

„Men sal kiesen, dat verstaet, 

Die alre swaerste die men vint" N, BI. ix, 468. 

Nux indica, „neregil est nux indica" (M. Sylv.). Cocosnoot; Cocos nu- 
cifera L. 

Nux myristica, zie: notenmuskaten. 

Nux vomica, „i. e. castaneola indica" (L.); noot van den Strychnos 
Nux vomica L. „facit vomere fortiter" (M. Sylv.). 



i) M. Neuburgev, Gesch. d. Med, 

2) Hij zou ook Salerno bezocht hebben. 

3) Aus pharmaceut. Vorzeit. 



246 



o. 

Ocinum, oxinum, ozinum. Lj noemt O. maius, volgens sommigen O. 

garyophyllatum en O. minus. Het is dezelfde plant als Basilicon. 

(zie aldaar). 
Offeum. „Offei est gummum hederae . . . per triennium durat" (LTGl.). 

In L, wordt het ook Olpheum geschreven- Zie: edera. 
Oleander. „O. arbor est similis lauro circa marina nascens; est autem 

arbor perniciosa et mortifera, si nam in eius ramis carnes assentur, 

vel verubus insignantur, comestae, mortem inferunt. Et nota quod 

flores nunquam per se debent dari ')" (L T Gl.). 
Oleum, olie. Vóór het gebruik werd de ruwe olie gewasschen (o. ablu- 

tum), hetgeen, volgens J. d. S. A., geschiedt, door de olie te doen 

in eene schoone, nauwmondsche flesch en er dan kokend water op 

te gieten. Men kon dit eenige keeren herhalen. 
Oleum camomellium, olye van camomille; uit kamillebloemen bereid. 

Het recept van N.M.*) wijkt te veel af van dat van N.S., om het 

ermede te kunnen vergelijken. 
Oleum commune, „gemeine olye" is, volgens M. Sylv,, olijfolie. Zie : 

ol. olivarum. 
Oleum frigidissimum. Groene, koude olie; komt niet voor bij N.M. 
Oleum laurinum, „olye van bayen." Zie; laurus. 
Oleum lentiscum werd gemaakt van baccae lentisci en werkte minder 

sterk dan ol. mastichinum, of o. mastiche, gemaakt uit de hars. N.M. '), 

Mesue en Diosc. geven er recepten van. Zie: lentisci. 
Oleum myrtinum werd gemaakt van de bladeren van de myrt. 
Oleum mus(c)elinum, ook musceleon genoemd, wordt, volgens LT Gl, 

gemaakt uit muscus e. a. aromatische kruiden. 
Oleum nardinum, N.M.*) geeft er recepten van. Deze olie werd ge- 
maakt van Nardus (zie aldaar) e. a. aromatica. 
Oleum olivarum, olijfolie, gemeine olye, olye van oliven. 
„Daer of coemt olie van oliven. 
Groene ende sochte, horic scriven ... 
Dolie, dienmen eerst uutduwet voeren, 

1) O. is een boom, gelijkend op laurus en groeiende op zeekusten ; het is echter 
een verderfelijke, vergiftige boom. Want als men vleesch braadt met de takken 
ervan of wanneer men ze aan braadspitten steekt, dan brengen ze, gegeten, den 
dood te v^eeg. En denk er aan, dat men de bloemen nooit alleen mag geven. 

2) N° 14 der olea. 

3) N" 10 der olea. 

4) N° 31 — 33 der olea. 



247 

Es best ende soetst, als wijt horen ; 

Dandre min soete, es die nature, 

Die derde es wreet ende sure." N. BI. viii, 615. 

Oleum omphacinum, zie: oliva. 

Oleum puleginum. Over de samenstelling zie: Mes. p. 211 D. 

Oleum rosatum, olyerosaet. Mesue geeft 2 recepten, maar dat van N.S. 
werd het meest gebruikt. De bereiding bij N.M. ') gelijkt meer op 
die van den mnl., dan van den Latijnschen tekst. Het recept, voor- 
komende in het hs. „Aqua vitae" heeft zeer veel weg van dat van 
N.S. Add. zegt, dat deze olie door de „moderni" gebruikt wordt. 

Oleum sambaci, jasmijnolie. Komt voor in L,. Zie: sambacus. 

Oleum sambucinum werd gemaakt van vlierbloesem. „Sambuceleon 
id est de Sambuco" (M. Sylv.). Het recept komt niet voor bij N.M. 

Oleum sesamum, sesamolie. 

Oleum violaceum, olye van vyoletten. Bij N.M. no. 19 der olea. 

Oleum van vliedere, zie : oleum sambucinum. 

Olibanum, wierook. Zie: thus. 

Olycruut, papaver (zie aldaar). 

Olye, zie : oleum. 

Oliva, olijf; vrucht van Olea europaea L. „Fructus olivae . . recentes 
ponendae sunt in medicinis vel saltem sine sale conditae. quidam 
ponunt tamen ossa quidam totam olivae substantiam quod melius 
est*)" (LTGl.). Olie, gemaakt van onrijpe vruchten, noemde men 
Oleum omphacinum. Zie: oleum olivarum. 

Olpheum, zie: oflfeum. 

Ongemak, kwaal, ziekte, pijn. 

Ontempertheit, verstoord evenwicht der humoren. 

Ontfaen, ontvangen, ook van de bevruchting; in zich opnemen. 

Ontwee, in twee stukken. 

Operment, sandaracha, arsenicum zijn arsenicum-verbindingen. Hoofd- 
zakelijk kende men de zwavelverbindingen. Men onderscheidde 2 
soorten o.: de gele, ook arsenicum, goudzwavel genoemd en de 
roode, welke men houdt voor het sandaracha van Diosc. 

Opiate, opiata. „Medicina opiata, seu Electuarium opiatum, est illud in 
quo ingreditur opium, vel mandragora, vel consimilis medicina vir- 
tute cuius toUitur sensus a membro . . . ab eis enim est omnino ca- 



i) N°. 23 der olea. 

2) Olijven moet men verscli in medicijnen doen, of tenminste zonder zout in- 
maken. Sommige lieden doen er de pitten in, anderen de heele olijven, hetgeen 
beter is. 



248 

vendum, nisi casus magnae necessitatis occurrat ')" (Chr. d. Hon.). 
De medicinae opiatae werkten verschillend naar de graden van hun' 
ouderdom, welke men aanduidde als infans, iuvenis en senex. D. N. 
zegt, dat men opiaten niet moet geven, vóórdat ze 7 maanden 
of I jaar oud zijn, en nooit ter wereld, tenzij „corpore prius eva- 
cuato*)." 

Opium, oTtoq = sap. M. Sylv. onderscheidt : o. tranense, genoemd naar 
Trani in Apulië, de plaats van herkomst; o. Thebaicum, gemaakt bij 
Thebe in Egypte uit het sap van den zwarten papaver; dit is de 
beste soort, zoodat, wanneer men in een recept alleen o. leest, men 
deze soort moet nemen; en o. miconis, gemaakt van de uitgeperste 
bladeren en bollen of van het sap van den witten papaver. Nog 
eene 4e soort noemde men: o. quirinacium (cyrenaicum) ; dit is asa 
foetida (zie: silphium). 

Oppobalsamum, zie : balsamum. 

Op(p)opanac, opopanax. Sap van Opoponax hispidium Griseb. s. Ferula 
Opoponax Sprengel, De beste soort vloeit uit de wortels als een 
helder sap, dat, na droogen, aan de oppervlakte geel gekleurd is. 

Orboren, gebruiken, aanwenden. 

Orborlijc, nuttig, betamelijk. 

Orconden, mededeelen, verklaren, bewijzen. 

Ordeum, zie: hordeum. 

Origanum, Orego, wilde marjolein ; O. vulgare L. „O. of golena . . . 
Ende dit* cruut salmen gadren alse sine bladere beginnen wassen 
ende hangent in die scaduwe ende latent drogen metten bloemen. 
Also hout ment goet .1. jaer. Ende hets van .2. manieren, dat in ho- 
ven wast ende dat in bossen wast es heetere" (Herb.). In den mnl. 
tekst op Adrianum is het vertaald door „mente die in evenen wast." 

Orobus, „erwt" (W.) Men onderscheidde o. niger ; Lathyrus niger Bernh. 
en o. albus; Lathyrus montanus Bernh. In Filantropos wordt nog 
een o. rubeus genoemd. Pollen orobi („meel van o.") komt ook voor 
in het Antid. 

Orpijn, zie: crassula. 

Orthopnoicus, lijder aan orthopnoe. 

Os de corde cervi, „dbeen vanden herten vanden hert." Zie: hert. 

Os naris purpurae. Fuchsius verstaat hieronder Blatta Bizantia. 



i) Een opiatisch geneesmiddel of zalf is dat, waarin opium gaat, of m. of eene 
dergelijke medicijn, door welks kracht het gevoel uit een lid weggenomen wordt; 
maar men met zich zeer daarvoor wachten, tenzij in geval van groote noodzake- 
lijkheid. 

2) Na eerst het lichaam [door laxativa] ontledigd te hebben. 



249 

Ossia dactillorum, zie: dactilli. 

Oxilatrum, olixatrum, olusatrum. Zie : macedonicum en : macedoniensaet. 

Oxi laxativum. Math. de Platea gebruikte het, volgens LTGL, veilig 
als het 3 a 4 jaar oud was en, volgens D. N., kan men het 5 jaar 
bewaren. Bij N.M. komt het niet voor. Wat betreft de laxeerende 
werking, zie J. d. S. A. bij Elect. catholic. Volgens L T Gl. blijit dit 
praeparaat 2 jaar goed. 

Oximel. Add. noemt 4 soorten: i^. O. simplex, gemaakt, volgens Add., 
uit 2 deelen honing en i deel azijn, volgens J. d. S. A., uit 2 deelen 
azijn en i deel honing, terwijl het goed is, er water bij te doen. 
Deze o. verschilt alleen hierin van oxizaccara, dat dit laatste met 
suiker bereidt wordt. 2«. O. compositum, dit wordt gemaakt volgens 
het recept in het Antid. 3^. O. diureticum, waarvoor J. d. S. A. het 
volgende recept geeft: diuretische kruiden, als apium, foeniculum, 
petroselinum, levisticum worden goed gezuiverd, eenen nacht in azijn 
gelegd en dan gekookt, totdat het tot de helft verminderd is; daarna 
doorzijgen en eene voldoende hoeveelheid honing toevoegen. 4^. O. 
scilliticum, gelijk het vorige, doch met toevoeging van radix scillae 
of radix raphani. Het praeparaat van Nic. kan, volgens D. N., 2 jaar 
goed blijven. N.M. geeft een aantal ingewikkelde recepten, die niet 
met dat van N. S. te vergelijken zijn. 

Oxinum, zie: ocinum. 

Oxizaccara, Oxisac(ch)ara, een praeparaat, waarin suiker, honing en sap 
van granaatappels voorkomt. Het recept van Nic. is zonder eenige 
reden, veel ingewikkelder, dan dat van Mesue, zegt M. Sylv. ') J. d. S. A. 
geeft den raad, het niet te geven aan menschen, die zwak zijn van 
borst, zenuwen of ingewanden. No. 21 der oximelita van N.M., hoe- 
wel er dezelfde simplicia in voorkomen, is toch niet woordelijk te 
vergelijken met oxyzacchara van N.S. 

Ozinum, zie : ocinum. 

P. 

Paeonia, zie : pionie. 

Panchristum antidotum. N.M. geeft verschillende recepten (Ant. no. 225 
— 227, 413); no. 413 is geheel gelijk aan dat van N.S., behalve, 
dat het voorwoord ontbreekt, waarvoor naar no. 225 verwezen wordt. 
De aanwijzingen hierin zijn geheel anders, dan die bij N. S. 

Pantysen, naar adem hijgen, kuchen. 

Papaver, „dats oele of olycruut. . . . Ende olye hieraf gemaect verdrijft 



i) Annot. sup. Mes. Antid. 



250 

smerten op tie ogen. Ende p. ende mancopijn *) sijn eens. Ende dit 
saet es van .2. manieren wit [P. somniferum L.] ende bruun [P. 
Rhoeas L., klaproos]" (Herb.). Men kende echter ook nog eene Pa- 
paversoort, met zwart zaad (p. nigrum), eene variëteit van P. album, 
welk zaad, volgens LTGl., 2 jaar goed blijft. „Quando simpliciter 
ponitur p., album intellige, raro tamen sine additione reperitur^)" 
(LTGl.). In den mnl. tekst wordt p. „olycruut" genoemd, het zaad 
(root, wit, swart) „olisaet", de bollen „hoefde van olycrude". 

Paradijshout, zie: lignum aloes. 

Passa, uva p., rozijn. De beste manier, om ze te maken is, volgens 
LTGL, deze: „Accipe grana uvarum in furno siccatarum, elige me- 
liora et ablue in vino, et superasperge pulveres cymini, cinamomi 
et aliarum specierum aromaticarum, et involve in foliis ficus, et ita 
suspendentes eas conservantur per duos annos; et cum ponuntur in 
medicinis enucleantur, et abjiciuntur acini, postea ponderantur ^)". 

Passuia, „P. of weepassie dat sijn rosinen" (Herb.). P. minores, P. co- 
rintiacae zijn krenten. Zie: Passa. 

Pasternake, Pastinaca, pinksternakel, witte peen; Pastinaca sativa L. 
„Pastenachia . . . ende die vrucht comt van over zee, ende sijn ge- 
lijc pijnappelen. Ende dat daerbinnen es salmen doen in medicinen" 
(Herb.). Zie: baucia. 

Paulinum vivum magnum antidotum. Het werd gemaakt met en 
zonder opium en blijft 4 jaar, volgens D.N., 3 jaar goed. Het recept 
van N.M. gelijkt in niets op dat van N.S. 

Pee, pik; pix. LTGl. noemt pix liquida, pix navalis (scippec, sceppec) 
en pix communis. Vindt men pix, zonder meer, dan moet men p. 
navalis nemen. 

Peniden, penijt, penysuiker, geraffineerde suiker in verschillende vormen. 
Het blijft, volgens L T Gl., 2 jaar goed. 

Penlogie, zie: pulegium. 

Pentafilon, zie: quintefolie. 

Peper, zie: piper. 

Peripneumonia, „Peripleumonia dats .1. aposteme besiden der longere... 



i) Bij J. V. Maerlant „mecopijn" genoemd. 

2) Wanneer er alleen gezet wordt p., moet men er den witten onder verstaan 5 
evenwel vindt men het zelden zonder toevoeging. 

3) Neem de in een oven gedroogde druiven, zoek er de beste uit en wascli ze 
in wijn, bestrooi ze met poeder van cyminum, cinamomum e. a. aromatica en wikkel 
ze in vijgebladeren; aldus opgehangen kan men ze 2 jaar bewaren; wanneer men 
ze in medicijnen doet, ontdoet men ze van de pit, gooit de pitten weg en weegt 
ze daarna. 



251 

• Teken dat p. es. Es dat hi quaelike mach verademen met hoestene. 
eenperliken corts. grote zeerheit jegen die slinke teyte ende achter 
tusschen den scoudren." (D. B. s. v. M.). 

Perlen, parels. Zie: margaritae. 
Persaet, zie: persijn. 

Persica. „P. dat sijn persekers" (Herb.); Prunus persica Stokes s. Per- 
sica vulgaris Mill. 

Pertrec, zie: piretrum. 

Pessarium. „Pessaire, c'est quant a aucune femme malaide de la 
raatrice, on met aucune medicine dedans la matrice en clere su- 
stance. L'instrument a quoy on Ie met a nom pessaire et aussi a 
celle medicine" (Arbolayre, fol. 23 v"). De mnl. tekst vertaalt het 
door „wieke". Het was een suppositorium voor de vagina en was 
gemaakt van wol of linnen, in een langwerpigen ronden vorm, waar- 
van het eene eind met het geneesmiddel werd ingesmeerd en het 
geheel daarna in de vagina gebracht. 

Petrocilium,' zie: petroselinum. 

Petroleum. „P. dats olye van tiechelen" (mnl. tekst). Het heette ook 
Oleum S"' Barbari, welke naam later veranderd zou zijn in 01. S''^'= 
Barbarae en 01. S'^'^^ Catharinae (Fuchsius in N.M,). In Add. heet 
het ook ol. de napta, bij anderen ook stercus demonum. 

Petrosel(l)inum, Petrocilium, Peterselie, Persijn (Apium macedonicum). 
Men kende i'^. de gewOne Peterselie, Carum p. Benth et Hook, s. 
P. sativum Hoffm. verdeeld in P. domesticum en P. agreste; het 
zaad dezer laatste soort noemde men, volgens LTGl., „sinon". 2<=. 
P. van Macedonië, Athamanta macedonica Spr., waarvan het zaad 
veel bitterder zou zijn dan van de voorgaande soort. Diosc. beschrijft 
deze plant als eene soort van apium. „P. macedonicum. dats persijn 
van marcedonie of alexander" (Herb.). Zie ook: alexander en persijn. 

Peucedanum, Varkenskervel ; P. officinale L. „P. of foniculus porcinus 
of berreworte, swijnsvenkel. Ende dit cruut es gedaen als venkel. 
Entie wortelen gaen in medicinen" (Herb.). In den mnl. tekst wordt 
vaak pencedanum geschreven. 

Ph— zie: F—. 

Pigra Galieni, Picra Galieni. Volgens Add. niet het gewone recept ; 
gewoonlijk maakt men het van 8 simplicia. Het blijft 2 jaar goed, 
volgens LTGl. N.M. geeft geen recept van dien naam. Zie ook: 
yera pigra Galieni. 

Piganum, bij Diosc. en P. v. Aeg. hetzelfde als Ruta. Men onderscheidde 
eene tamme en eene wilde soort. Later werd de naam P. alleen ge- 
bruikt voor de wilde Ruta. „P. id est Ruta agrestis" (L T Gl.). Men 



252 

houdt het voor Peganum Harmala L. Staat er in een recept P., 
dan moet men, volgens LTGl., de zaden, staat er Rutae agrestis, 
dan de bladeren nemen. Zie ook : nita. 

Pijnappel, zie: pinea. 

Pillen, zijn, volgens Chr. d. Hon., om 2 redenen uitgevonden; 1° om- 
dat men dan minder de bittere simplicia proeft en 2° omdat zij, 
langer dan andere medicamenten in de maag blijvende, daardoor 
beter de ziektestofifen uit ver verwijderde organen tot zich trekken. 
Om den onaangenamen smaak weg te nemen, bedekte men ze met 
goudblad of met was. J. d. S. A. zegt, dat de gewone manier van 
toedienen was in een ouwel met wijn. Men maakte de pillen nog 
op de primitieve wijze: „met uwen handen gesmeert met olyen van 
violetten. of met gemeinder olye ... in die groete van erweten . . . 
of alsoe groet alse pepercoorne" (mnl. tekst). Volgens Chr. d. Hon. 
maakt men er 6 uit i drachme der massa. De grondstof vervaardigt 
men met sop van venkel, nachtscaden, alsenen, mirtus, lovesce, dra- 
gantwater, goede witte wijn. Men bewaarde het als magdalion. 

Pillulen van aloes van mastike, zie: pilule de aloë et mastiche. 

Pillule van 5 manieren van mirabolanen, zie: pilule de quinque 
generibus myrab. 

Pilule ante cibum komen niet bij N.M, voor. Er bestaan verschillende 
beschrijvingen. 

Pilule arabice komen niet bij N.M. voor. 

Pilule artetice. „Istae pilulae sunt in usu" (Add.). N.M. geeft eenige 
recepten van dien naam, maar geen ervan gelijkt voldoende op dat 
van N.S., om het ermede te kunnen vergelijken. 

Pilule auree. Voor den naam zie de — van elkaar afwijkende — ver- 
klaringen van den Latijnschen en mnl. tekst. Deze pillen blijven i 
jaar goed; men geeft er, volgens LTGL, 15 tot 20, naar gelang van 
den patiënt. 

Pilule cinoglosse. Bij N.M. komt geen gelijkluidend recept voor. 

Pilule cotie, p. cochiae. „Istae pilulae non habentur in usu secundum 
praesentem descriptionem sed bene secundum descriptionem Rhazis 
IX ad Almansorem et dicuntur cochiae, id est capitales, a cochas 
quod est caput eo quod mundificant caput ')" (Add.). Het recept 
van N.M. *) wijkt geheel af van dat van N.S. 

Pilule de aloë et mastiche. Bij N.M. komt geen gelijkluidend recept 

1) Deze pillen worden niet gebruikt volgens de tegenwoordige beschrijving, maar 
wel volgens de beschrijving van R. ix aan A. en heeten C, van cochas, dat hoofd 
beteekent, omdat ze het hoofd reinigen. 

2) No. 122 der pillen. 



253 

voor. De pillen blijven niet langer dan 6 maanden goed, volgens D.N. 

Pilule de elacterio. Het recept van dien naam bij N.M.*) wijkt ge- 
heel af van dat van N.S. 

Pilule de fumo terre komen alleen voor in L,. 

Pilule de quinque generibus myrobalanorum, „Pillen van .5. dingen 
of van .5. manieren van mirabolanen" (mnl. tekst). Bij N.M. no. 9 
der pillen. 

Pilule diacastoree. „Nota, quod non debet esse freqiiens usus earum. 
semel in mense, vel bis ad plus. per biennium durant in miilta effi- 
cacia*)" (LTGl.). Deze pillen komen niet voor bij N.M. 

Pilule eptomere, optomere, octomerae. Blijven niet langer dan 6 maan- 
den goed, volgens D.N. ; ze komen niet voor bij N.M., die wel 
P. de quinque en de quatuor speciebus noemt. 

Pilule f(o)etid(a)e komen alleen voor in L,. 

Pilule sine quibus esse nolo. Deze blijven, volgens D.N., niet langer 
dan 6 maanden goed. Ze komen niet voor bij N.M. 

Pilule stipticie. ,,P. probatum contra fluxum ventris" (Add.) blijven 
slechts 6 maanden goed (D.N.). Bij N.M. komen zij niet voor. 

Pimpenelle, Pimpinelle Sanguisorba (B.), Pimpernel; Poterium Sangui- 
sorba L. „P. est herba multum similis saxifragie; unde versus: P. 
pilos, saxifragia non habet ullos '/' (M. Sylv.). 

Pinea, Pineie, pijnappels; vruchten van Pinus Pinea L. „P. dat sijn 
pijnapplen. Ende als mense wilt doen in medicinen. sal mense optie 
colen .1. luttel bernen ende daeraf doen die scorssen entie kerle 
(zaadkorrels) weyken" (Herb.). In het Antid. komen ook pinea enu- 
cleata en pinea mundata voor. 

Pionie, Pyonie, Pionia, Peonea, Pioen ; Paeonia off. L. „ x. jaer houdt 
men tsaet goet. Ende beide wortele ende saet gaet in medicinen" 
(Herb.). Vindt men alleen pyonie, dan moet men de wortels ge- 
bruiken, welke aan den buitenkant zwart moeten zijn. Zij blijven 2 
a. 3 jaar goed (LTGl.). Zie ook: neheremisch. 

Piper, Peper. In het Antid. komen voor: swart p., p. niger, de in de 
zon snel gedroogde onrijpe vrucht van P. nigrum L., wit p., p. alb., 
de van de schil ontdane, rijpe vrucht van P. nigrum L. en lanc- 



1) No. 133 der pillen. 

2) Men moet er aan denken, dat men deze pillen niet veelvuldig neemt : eens 
of tweemaal of wat meer keeren in de maand. Twee jaar lang blijven ze sterk 
werken. 

3) P. is een kruid, dat veel gelijkt op s. 5 vandaar de regel: P. heeft haartjes, 
s. in het geheel niet. 



254 

peper, p. longum, macropiper, afkomstig van P. longum L. s. P. 
chaba Hunter, s. Chavica off. Miq. 

Piretrum, Bertraraswortel, Pertrec ; Anthemis Pyrethrum L. s. Anacyclus 
Pyr. D. C. ,,P. of pertram. of pertrec. ende selke sceldent bertram. 
Hets al eens . . . ende die wortelen gaen in medicinen. In den winter 
sal mense gadren. ende geduren .5. jaergoet" (Herb.). De wortel blijft, 
volgens L T Gl., 3 jaar goed. 

Pistacea, Pistacia, Pistacy (W.), Pistassiboom (B.); vruchten van Pistacia 
vera L. Voor het gebruik, moet men er de pitten uithalen (LTGl.). 

Pistillum, stamper (zie aldaar). 

Pix navalis, sceppec. Zie : pee. 

Planecruut, zie: squinantum. 

Plantago, zie: wegebrede. 

Pleuresis. „P, es ene [aposteme] die wast tusschen die rebben ende 
daer die craye (dyafragma) vergadert ane de rebben. . . Teken van 
p. es. dat men quaelike mach verademen met cortten hoestkinen 
stekende, of steecte in de zide ende sweringen. ende natuurlike alse 
comt sine hoeste. Ende dat hout hen onderwilen in die rechterside 
ende onderwilen in de slinke side daer die aposteme vergadert, ende on- 
derwilen sijn si in beiden siden met eenperliken cortse" (D. B. s.. 
V, M.). In het Antid. komt men herhaaldelijk peripleumonia tegen. 

Plumbum, lood. Het was in de volgende vormen bekend : i*^. P. lotum, 
metallisch lood, 2^. P. ustum, loodasch. „Le Plomb brülé que les 
Latins appellent P. u., est des lames de plomb en saumons (soort 
van gezuiverd lood) mises dans un pot avec du soufre, et par le 
moyen du feu on retire le plomb en poudre brune" (Pomet), 3^ 
Scoria plumbi, loodslakken, 4"=. Lithargirum, 5^ Cerussa, of Psimi- 
thium, 6^. Minium, 'menie. 

Polegium, zie : pulegium. 

Policaria, PuHcaris. „P. id est sillium" (M. Sylv. en Synon.) Ook B. 
is van die meening. „P. . . . Ende dit es drierande. cleine. groet, 
ende meerre. Ende vanden meesten gaen die blade in medicinen. 
ende geduren .1. jaer goet" (Herb.). Plantago Psyllium L. 

Poligonum, Poligonia, Duizendknoop, Varkensgras; Poligonum avicu- 
lare L. 

Polioen, Polyoen, zie: polium. 

Polipodium, boomvaren; Polypodium vulgare L. „P. dats wilt varen.. 
Dit wast an ouden dyken ende an ouden maysieren die droge sijn. 
Ende wast oec op eyken ende dats beste, tander ne doech niet in 
medicinen. Ende dat op eyken wast die wortelen sijn medicinael. 
ende sijn buten root ende binnen groene" (Herb.). 



255 

Politricum, wederdoot (W.), Trichomanes (W.), Steenbreekvaren ; As- 

plenium Trichomanes I,. 
Polium, Teucrium Polium L., Polyoen, Polioen. 

Pomus, appel; Pirus malus I.. „Pomum quando simpliciter ponitur est 
malum ')" (M. Sylv.). In Elect. laet. Galliae (Lj) komt voor: pomo- 
rum dulcium. 
Popelbotten, Knoppen van den populier; oculi populi ^L,). Zie; po- 

puleus. 
Populeus, populier; Populus nigra L. In het Antid. komen de knoppen 
voor, waarnaar de TJng. popelioen is genoemd. 
„Populus dats die populiere 
Men vint daer an ii erhande maniere, 
Deen draghet blade van sulken doene, 
An deen side wit, an dander groene, 
Ende dinct mi gheliken een deel, 
Als of men meende dien abeel; 
Maer die brune populiere 
Draghet vrucht goet ende diere 
Int opperste van den telghen ghevest: 
In Meye es dit ghegadert best." N. BI. viii, 693. 
Porceleyne, Porceleine, zie: portulaca. 
Portulaca, Postelein; P. oleracea L. In het Antid. verlaïigt men ook 

de zaden, die, volgens LTGL, i jaar goed blijven. 
Posca, pusca komt eenmaal in L, en Lj "voor. „P. sepe sic reperitur in 
antiquis libris: et est id quod fit per appositione aque in vinacia 
extracto musto verum ubi apud Diasc. in veteri translatione habetur 
pusca apud Serapionem ex verbo Diasc. et apud Avicenna in eisdem 
locis semper habetur acetum et aqua mixtum quod grece oxicraton 
vocatur^)" (M. Sylv.). 
Potio muscata maior komt niet voor bij N.M. 

Prassium, Grieksche naam voor Marrubium, Malrove; Marrubium vuig. 
L. „P. of marobium, dats witte marobie . . . Ende die bladen gaen 
in medicinen. ende men hancse op in de scaduwe. Sie geduren goet 
.1. jaer" (Herb.). M. Sylv. maakt nog verschil: „M. prassium idem. 
sed prassium est coloris viridis similis porri ^)." 



i) Als er alleen P. staat, beteekent het appel. 

2) P. vindt men vaak aldus in oude boeken : het is het resultaat van het bijeen- 
voegen van water en wijnazijn, maar bij D. in de oude vertaling houdt men het 
voor het pusca van Serapion, volgens het zeggen van D. en bij A. op dezelfde 
plaatsen houdt men het voor azijn en water gemengd, wat in het Grieksch o. heet. 

3) M. is hetzelfde als p.. maar p is groenachtig van kleur, gelijk prei. 



256 

Properlike, speciaal, in het bijzonder. 

Propolis. „Propolium. dats wit was. want elc wit was mach men heeten 
p." (Herb.). Volgens LTGl. is het echter het laagje, dat aan een 
. steen blijft hangen, als men dien koud een paar keer in gesmolten 
witte was dompelt. 

Proserpinata, weggras, weeggras (W.), volgens L T Gl., een algemeen 
bekend kruid, corrigiola genoemd, dat men 's zomers, als het bloe- 
men draagt, verzamelt. Men gebruikt de bloemen en de bladeren. 

Prumen, pruimen; vruchten van Prumus domestica L, „Pruma dat sijn 
prumen. ende sijn some wit. ende sonime root ende some bruun. . . 
Maer prumen van damas sijn die beste" (Herb.). Deze laatste, eene 
variëteit van de gewone pruimen, moeten geplukt worden even voor 
dat ze rijp zijn, daar de rijpe spoedig bederven. Dan geeft men er 
4 sneden in, zoo dat het vleesch aan de pit blijft, waarna men ze 
voorzichtig in de zon laat dragen. Daarna wascht men ze met azijn 
en laat ze wederom drogen. Anderen wasschen ze met olie en azijn 
waardoor ze mooier worden. Ze kunnen, volgens L T Gl., een jaar 
bewaard worden. 

Pruna. „Anthrax. Ignis persicus quoque nominatur". (B.) 

Psiedie. „Psidia, id est flos mali granati vel cortex *)" (M. Sylv.). Ge- 
woonlijk verstond men er alleen de schors onder, hetzelfde als mali- 
corium bij Plinius. 

Psillium, Psyllium, sillium, vlooienkruid; Plantago Psyllium L.. volgens 
B. hetzelfde als Herba pulicaris: Pulicaris vulgaris Gaertn. 

Pulegium, coelne, colene; Mentha pulegium L. „Polegium. of polyon. 
of poleye . . . Ende alst bloyt salment gadren ende hangent in die 
scaduwe. ende also maecht .1. jaer geduren" (Herb.), „Ponendi sunt 
in medicina flores et folia remoto stipite *)" (L T Gl.). Men noemde 
het ook Gliconium. 

Q- ^ 

Quadrimeron „es also vele geseit als van .4. speciën" (mnl, tekst). Uit 
den naam kan men het aantal voorkomende simplicia opmaken. Dit 
gebeurde meer; zoo noemt P. v. Aeg. een Dodekatheon, Diahepton: 
een middel uit 12, 7 simplicia. Bij N.M. komt q niet voor. 

Quartana, quarteine, vierdedaagskoorts. „Die vierde dach corts es quaet 
tegenesene. die cure es lanc entie liede en hebber geen gelove an. 



i) P. dat is de bloem of de schors van granaatappels. 

2) In medicijnen doet men de bloemen en bladeren, na den steel verwijderd 
te hebben. 



257 

ende menechwerf so vaert de zieke na tgelove" (D. B. s, v. M.). 
Quartanarius, lijder aan quartana. 
Quercus, „dats die eyke" (Herb.); Querciis L. 
Quintefolie, Pentafilon; Potentilla Reptans L. „Q. of vijf blad" (Herb.). 

Vooral de wortel wordt gebruikt, 

R. 

Radec, radecwortel; Cochlearia Armoracia L. Vermoedelijk wordt er 
nieerradic, mierikswortel mede bedoeld. Zie : rafanus. 

Raepsaet, Brassica rapa L. 

Rafanus, „dats meerradec" (Herb.). Men onderscheidde i^. R. domes- 
ticus, kortweg radix genoemd; men houdt dezen voor Raphanus sa- 
tivus L., radijs, ramenas. „Radix competit medicinae, quae in autumno 
coUecta et exsiccata, per biennium servatur'/' (LTGl.). 2*=. R. agres- 
tis, door de Romeinen armorica genoemd (Diosc, M. Sylv., Plin.) ; 
dezen houdt men voor Cochlearia armoracia L., mierikswortel, meer- 
, radec, Peperwortel (W.). In het Antid. komt R. ook voor onder den 
naam Romeus. 

Rapa sylvestris, wilde raap, mariette, ossentong; Anchusa off. L. 

Rasura, scavelinge. In het Antid. komen voor r. (ramenta) eboris 
r. cornu cervi en scavelinge van yzere. 

Rebarbe, Rheubarbarum, Rhabarber; Rheum palmatum L. Men onder- 
scheidde dezen Rheum barbarum, welke uit China en Indië kwam, 
van Rheum ponticum (zie: reuponticum). 

Rede, koorts. 

Requies. „R. heet ment omdat den zieken raste verleent (mnl. tekst). 
Het behoort tot de opiaten en blijft i jaar goed. Bij N.M. is het 
no. 205 der Antidota. 

Reubarbarum, zie: Rebarbe. 

Reuponticum, Rheum ponticum. Vaak Renponticum geschreven. Rheum 
Rhaponticum L. „Ende men houdet .x. jaer. ende dits ene wortele 
gelijc rebarben. Ende men sal kiesen die zere weecht ende die bin- 
nen geheel es. Ende het heeft binnen adren alse rebarbe. ende hets 
I luttel bitter" (Herb.). „Habet eandem virtutem cum reubarbaro ')" 
(J. d. S. A.). Volgens L T Gl.' moet men de roodachtige vaste stuk- 
ken kiezen. Deze Rheum heet ponticum in tegenstelling van Rheum 
barbarum. 



i) R. is goed voor medicijnen; in den herfst verzameld en uitgedroogd, blijft 
het 2 jaar goed. 

2) Het heeft dezelfde kracht als r. 

17 



258 

Ricolisse, zie : liquiritia. 

Riet, zie: calamus aromaticus. 

R(h)odosacc(h)ara, „dats suker rosaet" (mnl. tekst). „Per biennium 
servatur, sed melius est tarnen si quolibet anno renovetiir ')"(LTG1.). 
N.M. heeft verschillende praeparaten van dien naam. Bij Drosaton 
(syrupus) ad pleuriticos enz. zet hij „ab Italis Zucarum rosatum vo- 
catiir". Het heeft echter evenmin iets van R. van N.S. als van Syr. 
ad pleuresim. 

Rodostoma, Rhodostagnia. In den mnl. tekst wordt het op de meest 
uiteenloopende manieren verbasterd: Rodostomate, Rodosmate enz. 
„R. id est aqua rosarum" (L,). N.M. noemt hetStillatitium rosarum. 

Roest, verhenielte. 

Roesten, roosteren. 

Roet, vet, reuzel. Wederijn r. (vet van een' ram), r. van ere geyt, sepum 
porcinum (varkensvet) komen in het Antid voor. 

Romeus, „id est raphanus" (L T Gl.). Zie: rafanus. 

Rooc, damp, geur. 

Rosata magna komt alleen in den mnl. tekst voor. 

Rosata novella, zoo genoemd ter onderscheiding van het oude Rosata. 
„Non durat ultra annum" (L T Gl.). Bij N.M. is het no. 204 der 
Antidota. 

Rose, roos; Rosa centifolia L. „Ende rosen sijn goet in medicinen beide 
gruene ende droge. Ende selke gadren rosen alsi ripe sijn entie en 
mach men niet lange houden. Men sal rosen lesen eer si hen ont- 
pluken. Rosen die swart sijn of bleec en salnien niet leggen in me- 
dicinen" (Herb.). Gedroogde rozebladeren blijven, volgens LTGl., 
2 jaar goed. De mnl. tekst noemt nog: groene, nuwe rosen, bladen 
van verschen rosen, sop, cyroop en olye van rosen, rosewater. Vol- 
gens J. d. S. A. maakt men 5 praeparaten uit rozen : syr. rosatus 
Elect. rosatum, mei rosatum, aqua rosarum, oleum rosatum. Zie : 
antera. 

Rosemarijn, zie: ros marinus. 

Rosewater. Het recept hiervan komt niet voor in het Antid. Zie ook: 
rodostoma. 

Rosinen, zie : passuia. 

Ros marinus, rosemarine; Rosmarinus off. L. „Die blade gaen in me- 
dicinen. Entie bloemen heet men antos. ende hieraf conformeert 
men dyanthos. Dit cruut wast gerne bi der zee ende hanct al vol 



l) Het blijft 2 jaar goed, maar het is toch beter, als het ieder jaar vernieuwd 
wordt. 



259 

witter bloemen" (Herb.). ,,R. bis vel ter fert flores in anno. meliores 
sunt in vere; in umbra siccantur. per annum servantur, cum ponitur 
in medicinis, folia et fustes abjiciantur ')" (LTGl.). 

Ros siriacus. „R. s. est sumach" (LTGl,). 

Rotelen, reutelen. 

Rubea trociscata, heet niet aldus, omdat er trocisci ingaan, maar om- 
dat men er trocisci van maakt ; dit blijkt wel hieruit, dat N.M. het 
recept onder de Pastilli (trochisci) plaatst. R. t. is een bestanddeel 
van Trochisci hedychroi (ydiocri). Het praeparaat blijft, volgens 
LTGL, 5 jaar goed. 

Rubus, braambezie, „Braem, Brem" (Kil.); R. friticosus L. De vruchten 
heeten moron batinon of moruni batinum. 

Rufus, beroemd medicus uit de ie eeuw na Chr. Hij leefde te Ephesus 
en hield zich in het bijzonder bezig met de leer van pols en zenu- 
wen. Hij was ook psychiater. Men kent van hem een werk over 
blaas- en nierziekten en een groot deel van eene verhandeling over 
laxeermiddelen. In het Antid. komt een praeparaat van hem voor: 
Yera Rufini. 

Rupsenen, oprispen. 

Ruscus, zie: bruscus. 

Rute, wijnruit; Ruta graveolens L. ,,R. es van .2. manieren, deen es 
tam entie wast inder lieden hoven. Ende dandere es wilt ende heet 
piganon. Ende als men rute vint bescreven in recepten, so salmen 
nemen tsaet. Ende men houdet goet wel .5. jaer. Entie bladere .1. 
jaer" (Herb.). In het Antid. komen voor: rutesaet, rutebladere en 



wilde rute. 



s. 



.8., semis, half. 

Sabina, herba sabina, savelboem, zevenboom; S. off. Grcke. In het 
Grieksch wordt deze conifeer Brathy, Brathyos genoemd. Diosc. on- 
derscheidt eene soort . met bladeren, die op cypressebladeren gelijken 
en eene, die op Tamariscus gelijkt. 

Saccharum rosatum, zie : suker en rodosaccara. 

Saccharum violatum, zie: suker. 

Saelgie, Salie. Zie: salvia. 

Sagapenum, zie: serapinum. 



l) Eén of tweemaal per jaar bloeit het; de beste zijn de lentebloemen ; in de 
schaduw droogt men ze; een jaar blijven ze goed. Als men ze in medicijnen doet, 
moet men de bladeren en stelen wegwerpen. 



f 



26o 

Sal Armoniac, zie: armoniac. 

Sal gemme, steenzout. Pomet onderscheidt 4 soorten: sel fossile, de 
minste soort, gelijkend op gewoon keukenzout, s. gris de fer, lei- 
kleurig door onzuiverheden, s. rouge, rood van ijzerroest en s. gemme, 
mooi doorschijnend, als bergkristal. „Sal fossile, cuius purior pars 
sal Gemmae appellatur in fodinis variis, per orbem sparsis, copia 
ingenti ad summas profunditates perfectum eruitur')" (Boerhaave). 

Sal Sacerdotale. N.M. heeft geen gelijkluidend recept. 

Salie, zie : salvia. 

Saliunca, salmente. „S. id est spica celtica" (Synon.) Zie: nardum. 

Salmente, zie: saliunca. 

Salvia, saelgie, salie, savie; Salvia off. L. Wordt ook lilifage, Elelispha- 
cum genoemd. In het Antid. komt ook vi^ilde Saelgie voor. Zie: 
eupatorium. 

Sambacus, Sambac, arabische benaming van Jesemin, Jasmijn, ook wel 
eens sambucus genoemd, Jasminum Sambac Ait. 

Sambucus, vlier; S. nigra L. „S. of embucus dats vlieder . . Ende wor- 
tele ende bladen bloemen ende vrucht sijn goet in medicinen. Ende 
uten merge maect men olye die men heet vliederolye" (Herb.). Vlier- 
olie werd echter voornamelijk uit de bloemen gemaakt, zooals blijkt 
uit het Antid. van Nic. en van Mesue. Ook W. geeft alleen een 
recept van „olie van vlierblommen." In het Antid. worden nog af- 
zonderlijk genoemd: cimae (toppen) en succus mediani corticis (van 
de middelste schors). 

Sampsuchus, zie: sansuccus. 

Sandalum. In het Antid. komen voor „3 manieren van sandalen", n.1. 
wit s., sandelhout, afkomstig van „Santalum album L., geel s., het- 
zelfde als het voorgaande, maar door ouderdom geel geworden en 
root s., hout van Pterocarpus santalinus L. In den mnl. tekst komt 
2 maal swart s. voor, waarover echter door de oude kruidkenners 
niet wordt gesproken. 

Sandaracha, zie: operment. 

Sanguis draconis, Drakenbloed, hars van Daemonorops Draco Blume 
s. Calamus Draco Willd. „Quia sophisticatur ille debet eligi, qui 
cum frangitur colorem habet sanguineum, et lucidum in substantia, 
diu servatur*)" (LTGl.). 



i) Sal f., lyaarvan het zuivere gedeelte sal G. heet, wordt in verscheidene over 
de aarde verspreide groeven in groote hoeveelheden uit de diepste diepten geheel 
gereed opgedolven. 

2) Omdat men het vervalscht, moet men die kiezen, die op de breuk eene bloed 
kleur heeft en helder van substantie is; het blijft lang goed. 



26 1 

Sanguis merguli, zie: mergulus. 

Sansuccus, Sampsychon, Marjolein (zie aldaar). „S. es .i. cruutdatmen 
hetet maiorana. , . Ende men saelt gadren alst begint te bloyene. 
ende hangent in die zonne te drogene. Ende alse ment leit in me- 
dicinen so salmen die blade entie bloemen vanden stocken sceden" 
(Herb.). Het blijft, volgens LTGl., een jaar goed. 

Sapa, „ghesoden wijn" (W.) „S. est mustum coctum ')" (M. Sylv.). 

Sarcocolla, gom van Astragalus sarcocolla Dyraock. 

Satiriasis, „dats in dietsche den vede te doen stane" (mnl. tekst). 

Satirion, saturione; Orchis bifolia L. „Saturioen es .i. cruut dat .2.cul- 
lekine*) heeft ende men hetet oec testiculus satirionis" (Herb.). Het 
wordt ook Testiculi vulpis genoemd. Men moet, volgens Costaeus, 
de jonge bolletjes gebruiken. 

Satureie, Boonenkruid; Satureia hortensis L., ook thymbra genoemd. 
Men gebruikte de bladeren, welke volgens L T Gl. langer dan een 
jaar goed blijven. 

Savelbloem, zie : sabina. 

Savie, zie: salvia. 

Savina, zie: sabina. 

Saxifrage, kleine Pimpernel; Pimpinella Saxifraga L. „S. of steenbreke 
dats bevenelle. ende daeromme heetse steenbreke omdat se den steen 
breekt" (Herb.). Men gebruikte voornamelijk de wortels, die moeilijk 
te breken moeten zijn, anders zijn ze oud. 

Scagia, „bonum inalanum dattie van Saleerne heeten scagiam." 

Scammonia, hars uit den wortel van Convolvulus Scammonea L., welks 
hevig purgeerende werking verzacht wordt, door het te koken met 
sap van kweepeeren, of wel in een kweepeer. Aldus gepraepareerd 
noemde men het diagridium. In den mnl. tekst staat: Coloquintida 
dats oec scammoneye", maar dit slaat alleen op de overeenkomstige 
purgeerende werking. Zie: coloquintida. 

Scariole, soort andijvie; Endivia L. „Endivia ende scariole es wel na 
eens" (Herb.). Men gebruikte „sop" en „saet" van scariole, dat, vol- 
gens L T Gl., 3 jaar goed blijft. 

Scatuncelli. „Scatuncella vel scatuncelli id est umbilicus veneris. Cinu- 
balaria" (M. Sylv.). 

Scavelinge, zie: rasura. 

Scellen, schilvers. 

Scellewortte, Chelidonia, stinkende gouwe; Chelidonium maius L., „Ce- 



1) S. is gekookte wijn. 

2) zaadbolletjes. 



202 

lidonia dats scellewortte. ende men vinter van .2. manieren, dene hetet 
judicum ende heeft gelu wortele. ende es die beste. Ende dandere 
vint men in vele steden, entie es niet also goet. Maer deen leit men 
vore dandere. Ende alse men vint geschreven in recepten, so sal 
men nemen die wortele. Ende men houtse goet .1. jaer" (Herb.). De 
ouden onderscheidden Chelidonia maius, nu nog zoo geheeten en 
Chelidonia minus, ook Curcuma genoemd (zie aldaar). 

Sceppec, scippec, zie: pee. 

Sceppen, maken, formeeren. Sterk en zwak werk w. 

Sciaticus, lijder aan Ischias. 

Scilla, bulbus, squillen, zeeui; S. maritima s. Urginea Scilla Steinh. „S. 
herba est quae alio nomine coepa marina dicitur *)" (L T Gl). Het 
binnenste en buitenste rokken hield men voor zeer vergiftig; het 
middelste, in deeg gehuld en in den oven geplaatst, tot het deeg 
gaar is, kon gebruikt worden. Een heele ui, onder den grond be- 
waard, blijft I jaar goed. In den mnl. tekst wordt ook „sap van 
squillen" verlangd. Het zaad wordt in de lente vergaderd en blijft 
3 jaar goed. 

Scincus, Stinctis; S. ofF. Laur. „Eerdtcrocodillen. Onse Amelmenack- 
makers, ende overvaren Aptekers, die gebruycken de Water Ech- 
tissen *) daer voor, dwelck even so wel te gelijcken is, of men water 
Slangen, instede van Lampreyen ate." (W.). In den mnl. tekst wordt 
de staart verlangd, doch, volgens P. v. Aeg. en M. Sylv., gebruikte 
men vooral de nieren met het omgevende vet. 

Scite, dunne afgang, diarrhee. 

Scelerosis, „hartheit" (mnl. tekst). 

Scordeum, scordion, waterlook, watergamander ; Teucrium Scordium 
L. „S. allium agreste dicitur" (LTGl.). Zie: allium. 

Scoren, kwetsen, scheuren, doen opengaan. 

Scotele, zie: catina. 

Scotomia, duizeling, „swijmeling" (VV.). 

Scumen, „S. van goude ende van zelvere ende oec heet ment litargi- 
rum" (mnl. tekst). 

Sebesten, zwarte boschbessen ; Cordia Myxa L. 

Secacul, wortels, die geconfijt uit Indië komen en veel gelijken op gem- 
berwortels. Oudtijds bestond er een levendige strijd onder de ge- 
leerden over de vraag, of s. dezelfde plant is als eryngium. Serapio, 
Avicenna, Luminare maius „et alii moderni" hielden het voor de 



i) S. is een kruid, dat met een' anderen naam c. m. heet. 
2) hagedis. 



263 

wortels van Sigillum S''-'^^ Mariae of van Sig. Salomonis. Sylv. ') zegt : 
haec [se. eryngium] enim etiam si non sit eadem, tarnen eadem 
praestat*)". Sommigen houden het voor Pastinaca dissecta Veut. 
Sigillum Salomonis, volgens sommigen hetzelfde als Sig. S'^"'*' Mariae, 
is Poligonum off. L. 

Selinum, „S. graece, apium latine" (L T Gl.). 

Semperviva. „S. of herba jovis dats donderbaert" (Herb.) Huislook; 
Sempervivum tectorium L. Voor s. minor zie: crassula minor. 

Sen(i)e, Sena, Senne. Cassia angustifolia Vahl. „Senre dats senie ende 
sijn blade van enen boom ende comen van damas" (Herb.). Volgens 
LTGl. blijven ze 5 jaar goed en werden niet vervalscht, omdat ze 
ruimschoots te krijgen waren. 

Sepum, zie: roet. 

Serapinum, zie: gomme serapini, 

Sericum, cericum, zijde, ook Seta genoemd, bombyx mori. Men gebruikte 
s. crudum en s. combustum. „Comburitur sic, super tegulam calidam 
ponitur, et dessicatur donec possit pulverisare; combustum non po- 
test servari »)" (L T Gl.). 

Sermonteyne, zie: seseleos. 

Serpentine, viperina, ook Draguntea maior, columbina en Bistorta ge- 
noemd; hertstonge; Polygonum Bistorta L. 

Serpigo. „S. es een ongemac dat men heet zeter ende impigo '')" (Av. 
d. w. M.). 

Serpillus, wilde Thijm, Thymus serpyllum L. 

Seseleos, Laserpitiuni siler L., „Siler montanum" (J. d. S. A.), sermon- 
teine, sil(l)er, cicelei, sicelei, Lygusticum „oprecht Laserpitium" (Dod.). 
Men onderscheidde, naar de plaats van herkomst, Siler massiliense, 
feniculum tortuosum, welke voor de beste doorging; Seseli tortuo- 
sum L. 

Seta, zie: sericum. 

Sic(c)idis, sicida, sic(u)i. „ld est cucumer asininus" (M. Sylv.). Zie : 
cucumer. 

Sicelei, zie: seseleos. 

Siler montanum, zie: seseleos. 

Silfium, Het oorspronkelijke s. is het zeer welriekende sap van eene 



i) Interpretatio vocum aliquot in Mesuae Antld. obscurarum. 

2) Als het niet hetzelfde is, het heeft toch dezelfde kracht. 

3) Men roostert het aldus: men legt het op een' warmen tegel en droogt het, 
tot men het tot poeder kan malen; men kan het dan niet bewaren, 

3) 1. : impetigo. 



264 

plant, waarvan de beste soort uit Cyrenaica werd uitgevoerd. Plin. 
noemde het laser en de plant Laserpitium. In zijn tijd was de plant 
evenwel reeds zeer zeldzaam en in de middeleeuwen kwam ze niet 
meer voor, zoodat men met den naam laserpitium de, eveneens 
in Cyrenaica voorkomende, plant bestempelde, welke de Asa foetida 
levert, en waarvan men het sap nu ook s. en lasarum noemde. Er 
bestaat eene uitgebreide litteratuur over dit onderwerp. Zie: asa fetida. 

Siller, zie: seseleos. 

Sillium, zie: psillium. 

Silloaloes, zie: lignuni aloes. 

Sillobalsamiim, zie: xilobalsamum. 

Sillocassia, zie: xilocassia. 

Simfitum, Symphitum, smeer-, walwortel, Consolida maior; Symphytum 
off. L. Men gebruikte de wortels. LTGl. zegt p. 165 dat ze 5 jaar, 
p. 179 dat ze 2 jaar goed blijven. 

Simpel, enkelvoudig (van geneesmiddelen). 

Sin, de zintuigen. 

Sinapis, Synapi. „S. dats senepsaet wer so ment vint" (mnl. tekst), zwarte 
mosterd; Brassica nigra Koch. „S. . . . ende tsaet hout men .2. jaer 
goet. Ende als ment vint gescreven in recepten, sinaper of naper of 
napeos. so salmen leggen tsaet mostaertsaet" (Herb.). Volgens L T Gl. 
werd het vervalscht met raapzaad. L T Gl. geeft ook een recept voor 
mosterdpap (sinapismen). „Semen napi i. rapi agrestis" (Gal.). 

Single, cingl, singule, gordelroos, wordt steeds samengenoemd met seter. 

Sincope, Syncope. „S. id est debilitas cordis" (L,). 

Synochus, cynocus, cinocus. „C. comt van vorten (verrot) bloede, dat 
sijn die teekene. Dorine es int beginsel root ende dicke. Die puls 
es haestech ende dapper" (Av. d. w. M.). S. is eene „continuele 
corts," ontstaan uit heet bloed vermengd met cholera; men onder- 
scheidde eene brandende koorts, causon, ontstaan uit niet verrot 
bloed en eene, ontstaan uit verrot bloed. 

Sinon. „S. est semen Petroselini agresti. eiusdem virtutis est cum do- 
mestico ')" (L T Gl.). Volgens Plin. komt het uit Syrië, vandaar dat 
het in het Antid. syriac genoemd wordt. 

Siricum, zie: sericum. 

Siroop, syroop, zie: sirupus. 

Simples, zie: sirupus. 

Sirupus, stroop. Volgens J. d. S. A. kan men s. bereiden met honing, 
wat het beste is, maar waardoor de laxeerende werking vermindert 



i) S. is het zaad van P. agr., met dezelfde kracht als P. dom. 



265 

bij het verhitten, of met suiker, doch dan moet men hem harder 
laten kooken. Dit moet men ook des zomers doen, als voorbehoed- 
middel tegen bederf. Men moet zoo lang verhitten, tot „tcleeft an- 
den lepel of anden vinger, dan eist gnouch." Moet men verschil- 
lende simplicia gebruiken , dan doet men goed, eerst de wortels te 
kooken, daar die het hardst zijn, daarna de bladeren en ten slotte 
de bloemen. Poeders voegt men pas na den suiker toe. In het An- 
tid. komen 9 recepten van verschillende syropen voor. Een goed 
apotheker moet in voorraad hebben : s. rosatus, s. violatus, s. nenu- 
farinus, oxysacchara, s. acetosus, oximel simplex, diur. en scilliticus, 
s. de absinlhio, s. de fumo terre. In den mnl. tekst wordt nog ge- 
noemd s. mirtinus. 

Sirupus acetosus. Het recept komt alleen voor in F, ; in andere tek- 
sten wordt het alleen genoemd. Men onderscheidde s. a. simplex, 
bestaande uit afwisselende hoeveelheden suiker, azijn en water en 
s. a. compositus, waarvan de meest bekende, s. a. cum radicibus, wel 
gelijkt op het Fransche recept. 

Sir. contra acutas et peracutas passiones. Weinig gebruikt, waar- 
schijnlijk, volgens Add., door de moeilijke samenstelling. N° 10 der 
syropen bij N.M. verschilt te veel van het recept bij N.S., om ermede 
vergeleken te kunnen worden. 

Sir. contra omnem fluxum ventris. „S. iegen alle manieren van me- 
nisoen (buikloop), ende dat stoppende es" (mnl. tekst). N. M. geeft 
geen gelijkluidend recept. 

Sir. contra pleuresim. „S. iegen apostemen ane de longere of ane die 
borst" (mnl. tekst); werd weinig gebruikt. N.M. geeft geen gelijk- 
luidend recept. 

Sir. de fumo terre komt alleen voor in den mnl. tekst. J. d. S. A. 
geeft vrijwel hetzelfde recept. 

Sirupus de papavere. „Iste s. Nic. non habetur in usu, sed medici 
nostri temporis utuntur potius quodam syrupo de ribeo nobis ignoto; 
laudarem potius istum ')" (Add.). N.M. geeft geen gelijkluidend recept. 

Sirupus Galeni, sir. simplex, ook sir. iulevi, juleps genoemd, bestaat 
alleen uit suiker en water. 

Sir. iegen alle manieren van menisoen, zie: sir. contra omnem 
fluxum ventris. 

Sir. iegen apostemen, zie : sir. contra pleuresim. 

Sirupus rosatus, Syroop rosaet. Het recept van Mesue gelijkt zeer sterk 
op dat van N. S. ; N.M. geeft geen gelijkluidend recept. 

i) Nic. houdt dezen s. voor ongebruikelijk, maar de geneesheeren van onzen 
tijd gebruiken liever een zekeren s. de rubeo, dien wij niet kennen. Wij zouden 
liever dezen aanraden. 



266 

„Men maect oec dus syroop rosaet 
Men siede water met rosebladen, 
Ende daer na met goeder stade 
Siet men suker overhoep 
Ende dit wort rosaet syröep. 
Nochtan helpt bet ende soude min schaden 
Dat sap van groenen rosebladen 
Ende suker ghesoden daer toe, 
Dan datmen suker in water doe 
Dit syroep, als iet bekinne 
Ontbindt den lichame van binnen 
Ende et stopt des lichamen doen 
Ets goet iegen menisoen". N. BI. viii, 812. 
Sirupus violatus, syroop vyolaet. N. M. geeft geen gelijkluidend recept. 
Siseleos, zie: seseleos. 

Sisimbrum. „Hets van .2. manieren, tam. ende wilt. Ende als ment vint 
bescreven so machmen nemen ackermente" (Herb.). De oude kruid- 
kenners kenden eene soort, Balsamita genoemd, gelijkend volgens 
Diosc. op „menta hortensis", terwijl de „bloemen staen op het op- 
perste van de tackskens, als in een boUachtigh kopken vergaert, 
purperachtig van verwe" (Dod.), de bladeren zijn rood; Mentha 
aquatica L. en eene soort, ook wel cardaminum en nasturtium ge- 
heeten, waarvan de volwassen bladeren gelijken op die van eruca; 
Sisymbrum off. L., raket. 
Smeer, dierlijk vet. 
Smerewortel, zie: crassula. 
Smout, vet, ongeveer hetzelfde als roet. In den mnl. tekst komen voor 

versch swinensmout, smout van ere hinne, van den beer. ^ 
Soffraen, zie: crocus. 
Solatrum, Strignus; Solanum nigrum L. „S. of stringinen of novella of 

uva lupina. dats nachtscade" (Herb.). 
Sophisticare, namaken, vervalschen. 
Sorba „id est grece suca" (M. Sylv.), vijg; Ficus. 

Sotira magna, weinig gebruikte opiate (Add.) met Trocisci ydiocri en 
Tr. croc. magn. als bestanddeelen, ,.doet sceden melc vanden wiven". 
N.M. geeft verschillende recepten van dien naam, waarvan n° 206 
overeenkomt met dat van N.S. 
Sparage, Spargula, zie: asparagus. 

Spatula, spatel, voorwerp, dat gebruikt wordt om te roeren. 
Speciën, simplicia, crude. 
Sperage, zie: asparagus. 



26/ 

Spica, Spijc, zie: nardus. 

Spinate dient ter vertaling van Proserpinata. Gewoonlijk verstaat men 
er onder spinazie; Spinacia Tourn. 

Spycnardus, zie: nardus. 

Splen milt. 

Splendeli(d)on „est planta similis scolopendrie, scilicet lingue cervine 
in virtute et figura nisi quod folia habet longiora et strictiora *)" 
(M. Sylv.). 

Spodium, ook Tutia genoemd. Men onderscheidt S. Arabum. de asch 
van den wortel van Alcanna Orientalis en S. Graecorum, oliphants- 
tanden, gebrand in een bronzen of ijzeren vat (L T Gl.), dat ver- 
valscht werd door marmerpoeder, herkenbaar, volgens L T Gl., aan 
het gewicht en gebrande hondsbeenderen. M. Sylv. zegt, dat, vol- 
gens Serapio, het echte s. kwam uit de plaatsen, waar metalen (volgens 
Plin. koper en lood) werden gesmolten. Volgens sommigen heette het- 
geen op den grond viel s., wat aan het dak bleef hangen, Pompholyx, 
maar de meesten hielden het voor dezelfde stof. Het is gesublimeerde 
zinkoxyde, door verontreiniging met kool zwart gekleurd. 

Spongia somnifera, een narcotiseerend middel, waarvan men gebruik 
maakte bij operaties, door den patiënt eene spons, hierin gedoopt, 
in den neus te steken. N.M. geeft geen gelijkluidend recept. 

Sponsa solis, cichorij; Cichorium Intybus L. „S. s. of elyotropia. cycorea. 
solsequium. dyonisia. intuba. calendula. of goutbloemen hets al eens. 
het sijn alle goutbloemen of tcruut" (Herb.). Calendula en cichorei 
haalt Herb. hier door elkaar. 

Sporie, spurrie; Spergula L. In den mnl. tekst komt „tsap van sporien", 
„sporiesaet" en „tsap van sporiesaet" voor. 

Squilla, squillen, zie : scilla. 

Squinantie „dats ene aposteme die comt in die kele" (D. B. s. v. 
M.), angina, keelontsteking. 

Squinantum, Schoenanthum ; Andropogon Schoenanthus L. „S. dats 
planecruut so wer ment vint" (mnl. tekst). Men gebruikte hier dus 
Tragopogon pratensis, Boksbaard, gele morgenster, inplaats van de 
in de middeleeuwen niet meer ingevoerde Schoenanthum der oude 
schrijvers. Men noemt het ook wel iuncus odoratus, het echte schoe- 
nanthum was n. 1. een welriekend kruid. 

Stacii, voor stagii [?] Stagium is, volgens N.M., siliqua, eene peulvrucht. 

Stafisagria, stafixagria. Delphinium Staphisagria L. De zaden blijven, 
volgens L T Gl., 3 jaar goed. 

1) S. is eene plant, gelijkend op s., nl. op hertstong, wat kracht en uiterlijk be- 
treft, behalve dat het langere en stijvere bladeren heeft. 



268 

Stamper. In het Antid. wordt gesproken van een' harden, een' heeten 
en een ijzeren stamper, 

Stephania komt alleen in den mnl. tekst voor. 

Sticas, Stoechas, Staechas; Lavendula stoechae L. In het Antid. wordt 
het binnenste verlangd. 

Stici, 1. : cretici. 

Stinctis, zie: scincus, 

Stipterium, zie: alumen. 

Styrax, Storax. Men onderscheidde i*". S. sicca, door de Grieken cala- 
mita genoemd, omdat het in een riet in den handel werd gebracht; 
dit is de beste soort; gom, hars van Styrax offic. L., gelijkend op 
de kweepeer, welke tegenwoordig niet meer bestaat en vervangen 
wordt door gom van den Liquidambar orientalis. 2°. S. liquida, of 
sigia, verkregen doordat men de schors uitperste. 3'=. S. rubea, het 
bij de voorgaande bewerking overgeblevene ; deze S. had vele namen : 
confecta (confita), rubea, cozumbrum, thus Judaeorum, faex styracis 
liquida, thimiana (L T Gl.). 

Stomachicus. „Sunt enim stomachici ex facili causa dolorem stomachi 
patientesi)" (Add.). 

Stomacum, zie : rodostoma. 

Stomaticum calidum. Beter is, Stomacicum te schrijven, immers zegt 
M. Sylv. : „Stomaticum est medicamen oris". Het praeparaat blijft, 
volgens D.N., i jaar goed. Bij N.M. is het n°. 208 der Antidota. 

Stomaticum fngidum blijft, volgens D. N., i jaar goed; bij N.M. is 
het n° 208 der Antidota. 

Stomaticus, zie: stomachicus. 

Stoop, inhoudsmaat. 

Storax, zie: styrax. 

Stranguria, „coude pisse", „droppel pis" (B.). 

Strignus, ook Solatrum, morella, uva vulpis genoemd, volgens Add. Zie: 
solatrum. 

Sturci komt voor in L, en L^; 1.: stercoris. 

Succida, 1.: succisa. morsus diaboli, duivelsbeet; Succisa pratensis Much. 
Ook radix succise komt voor. 

Succinum, door de Arabieren ook C(h)arabe genoemd; barnsteen. 
„S. dats dammersteen 
Ysidorus seght over een. 
Dat et sap van pijnbome si, 
Ende daer uut rinnet, ende bedi (daardoor) 

ï) Ze heeten n. 1. s. omdat zij zoo licht maagpijn krijgen. 



209 

So verhartet tenen stene 

Dit vintmen groet ende clene. 

Men macht met wriven waermen so, 

Et heeft op caf ende stro 

In Goten vintmen dese stene. 
In somighe watre ghemene" N. BI. xii, 1091. 
Suker, suiker. 

„Som es wit ende som es bruun 
Twitste es beste int commuun" N. BI. x, 695. 
In het Antid. komen voor s. candyt (zie : candijt) en s. vyolaet, 
gemaakt op dezelfde wijze als s. rosaet. 
„Sukerrosaet maectmen mede 
Mit groeter behendichede. 
Rosen blade goet ende fijn 
Moeten met sukere ghestampt sijn 
Ende dan in een glasin vat 
Ter sonnen ghehangen dat 
XXX daghe achtereen, 
Ende elx daghes sonder laten engheen. 
Gheroert te gadre wel ene stont, 
Ende ghestopt vaste des vaets mont. 
III jaer houtment dat niet en deert" N. BI. viii, 795. 
Zie ook : rodosaccara. 
Sulfur, zwavel „S. . . . cuius duo sunt genera, vivum et non vivum, quod 
extinctum dicitur, et in magdaleonibus formatur. vivum maioris est 
efficaciae, minus tamen durat. Eligendum est viride et quod difficile 
terituri)" (LTGl.). 
Sulfurata. „S. est species trifolii habens odorem sulfuris*)" {M. Sylv.). 
Trifolium fibrinum, waterklaver; Menyanthes trifoliata Trn. De zaden 
blijven, volgens L T Gl., 33-4 jaar goed. 
Surgine, chirurg. 
Surkele, zie: acetosa. 
Sumac(h), zaad van Rhus coriaria L. „S. Graeci Rhun Syriacam vocant" 

(Manardus^). Men noemde het ook anagodam (zie aldaar). 
Swinensmout, zie: smout. 



1) S., waarvan 2 soorten bestaan, natuurlijk [ook tibapirum of tibar genoemd] 
en gesublimeerd waarvan men zegt, dat het uitgestorven is en in magdaleonen wordt 
geformeerd. Het natuurlijke heeft grooter werking, maar duurt korter. Men moet 
het groene en moeilijk wrijfbare kiezen. 

2) S. is eene soort klaver met zwavelgeur. 

3) Expos. super Mesue Antid. 



270 
T. 

Tamarindi, Tamarinde; vrucht van Tamarindus Indica L. Men gebruikte 
de pulpa. „T. aliter dicuntur oxyphoenicia . . . sunt fructus arboris 
in India nascentis, qui conquassantur antequam ad nos veniant. Eli- 
gendi sunt in colore nigri, non nimium molles, vel duri. Cum enim 
sunt exsiccati apothecarii resolvunt cassiam fistulam in aqua et in 
illa humectant tamarindos, ut recentes appareant; sed discernuntur, 
quia dum tractantur digitos inficiunt; si au tem sint aridi sive pal- 
lidi vetustate sunt consumpti. Nuclei abjiciantur. per iii annos ser- 
vantur»)" (LT Gl.). 

Tamariscus, volgens B. dezelfde plant die ook amarix, Tamarica ge- 
noemd wordt: Tamarix gallica L. 

Tapsia, Tapsie ; Thapsia Garganica L. „Tapsie. dat heten some die lieden 
slarie entie gelesen in den meye of in wedemaent '•') ware beter" 
(Vomit. Nicholay). Met slarie wordt Tapsus barbotus; Verbascum 
L. bedoeld, doch het voldoet niet aan de beschrijving der oude 
kruidkenners. 

Tartarus, wijnsteen, zure wijnsteenzure kali. 

Tarwe, weit; Triticura Tm. In den mnl. tekst wordt deech van tarwe- 
bloemen genoemd. 

Teemsen, zeeften, ziften. Fransch: tamiser. 

Temperen, de geneesmiddelen zoo vermengen, dat er tusschen de quali- 
teiten evenwicht bestaat; is er geen evenwicht, dan spreekt men van 
ongetemperd. 

T(h)eodoriton anacardinum komt voor als bestanddeel van Dyapras- 
sium. N.M. geeft 5 recepten'), waarvan n° 219 overeenkomt met dat 
van N.S. Er werden ook suppositoria van gemaakt. Het blijft, vol- 
gens L T Gl., 2 jaar goed. 

T(h)eodoriton euperiston, ook T. (h)yperistan geschreven. Een alge- 
meen gebruikt medicament, dat, volgens L T Gl., 2 jaar goed blijft 
en waarvan men ook pillen kon maken. Het komt ook voor bij N.M. ^). 



i) T. worden anders genoemd o.; het zijn de vruchten van een in Indië groeien- 
den boom, die tot moes worden gemalen, voordat ze tot ons komen, Men moet de 
donkeikleurige kiezen, niet te zacht of te hard. Wanneer ze uitgedroogd zijn, los- 
sen de apothekers cassia fistula in water op en bevochtigen daarmede de t., om 
ze versch te doen schijnen. Maar men herkent ze hieraan, dat, wanneer men ze af- 
trekt, ze de vingers kleuren. Als ze echter droog of wit zien, zijn ze oud. De 
pitten gooit men weg; ze blijven 3 jaar goed. 

2) Juni. 

3) N° 218, 219, 406, 441, 442 der Antid. 

4) N' 215 der Antid. 



2/1 

Terbentine, terpentijn ; balsem, afkomstig van Larix europaea DC. Men 
kende eene dun- en eene dik-vloeibare soort. 

Terra, aarde. Het Antid. noemt i^ „T. figuli, t. figularis, t. mundi, id est 
cretica et satis stiptica. s. argilla vel creta" (M. Sylv,), pijpaarde. 2^ 
T. lemnia, een meer of min roodachtig ijzerhoudend leem, afkomstig 
van Lemnos. 3^. T. sigillata, gezegelde aarde, evenals t, lemnia voor- 
zien van een zegel, volgens Gal. met het beeld van Diana. Eene 
andere soort t, s. is Cimolia. 

Tertiana. „T. es die derde dach corts , . . Dit sijn die tekenen die orine 
es root ende dunne, of geluroot. Die puls slaet dapperlike ende hart 
ende dikke. Ende hi begint met groten coude ende derna comt grote 
hitte. Ende hi comt ten derden dage. ende altoes comt hi in enen 
poent" (Av. d. w. M.). Er wordt ook van dubbele t., t. duplex ge- 
sproken. 

Tesapium, „id est sinapis semen" (M. Sylv.). 

Theriaca, zie: tyriaca. 

T(h)ymbra, „id est Satureia" (Add.), volgens L. Fuchs*) satureia syl- 
vestris. Zie: satureie. 

Thimiana. „T. est omnis confectio odorifera ad femigandum facta . . . 
Christoforus de honestis*)" (M. Sylv.). Volgens B. gebruikte men eene 
t. niet alleen voor den aangenamen geur, maar ook om de lucht van 
ziektestoffen te zuiveren. 

Thimus, tijm; T. vulgaris L. Men gebruikte voornamelijk de bloemen 
en zocht de witte uit, die een jaar goed blijven. 

Thus, wierooc, olibanum ; hars, afkomstig van Boswellia Carterii Birdw. (?), 
Men onderscheidde I^ t. masculinum, moru wierooc, werpond, groote 
korrels of tranen en 2^. kleine manna thuris, manis, manijs. De beste 
zijn de witte van den bast geplukte korrels; de op den grond ge- 
vallene zijn met zand verontreinigd. Ook pulver van wieroke komt 
in den mnl. tekst voor. T. terrae noemt men wel eens Chamaepitys. 

Tibapirum, ook Tibar genoemd. „T. id est sulfur vivum" (M. Sylv.) 
en beteekent, volgens M. Sylv., cibus ignis. 

Tibar, zie: tibapirum. 

Tyriaca, Theriaca, Triade, Dryakel. Gal. noemt het de koningin der 
geneesmiddelen. Het zou uitgevonden zijn door Andromachus, be- 
roemd geneesheer van Nero, die het samenstelde naar het voorbeeld 
van het tot dusver slechts bekende tegengif Metridatupi, met toe- 



i) Nic. Myrepsis. 

2) T. is iedere welriekende confectie, gemaakt om te branden; maar wij verstaan 
er gemeenlijk onder . . . s. 1. 



2/2 

voeging van adder-vleesch. Andromachus noemde het praeparaat 
r^jAvjvv) (rustig, kalm); hij beschreef zijn recept in versmaat, om mo- 
gehjke veranderingen te voorkomen. Gal. die dit gedicht weergeeft 
in zijn boek „De Theriaca ad Pisonem i)", geeft een eenigszins ge- 
wijzigd recept, dat in het Antid. van Nic. voorkomt, doch, ondanks 
de groote autoriteit van Gal., minder nagevolgd werd. F, geeft geen 
theriak-recept ; N.M. geeft het recept van Andromachus, dat niet te 
vergelijken is met dat van N. S. De naam T. zou, volgens Gal. ^), 
door Crito, een der vele bewonderaars en navolgers van Androma- 
chus, genoemd zijn naar de, daarin voorkomende, trochisci de tyrio. 
S. d. A. ') is het hiermede allerminst eens, daar er verschillende 
theriak-recepten zonder deze trochisci bestaan (t. diatessaron, t. exer- 
citualis). De t. is eene opiate en als zoodanig schreef men het naar 
den ouderdom verschillende werking toe: infantia, tot 6 maanden, 
dan is het nog onbruikbaar, pubertas, lo — 20 jaar (in warme streken 
niet langer dan 10 jaar), reeds werkend tegen verschillende giften, 
adolescentia, 10 — 20 jaar, waarin het zijne volle kracht bereikt, se- 
nectus, 20 jaar, waarin het nog slechts zwak werkt, daarna is de t. 
dood. Door de moeilijke bereiding worden vele fouten begaan, waar- 
van er eenige in Add. genoemd worden. De beste tijd om het te 
maken is de lente en de zomer; het is gewenscht het te bewaren 
in gouden, zilveren, tinnen of marmeren vaatwerk en het met de 
lucht in aanraking te laten komen. Zie o. a. het art. van Dr. C. E. 
Daniels in Pharmaceut. Weekblad 1911, Nos. 3 en 4. 

Tyriaca diatessaron, eene der vele vereenvoudigde theriak-beschrijvin- 
gen. „T. d. dat es die cleine triade ende triaca minor, also wi ge- 
seit hebben vrouwe vander medicinen. ditessarum. van .4. cruden of 
van .4. dingen so spreect men daer. Maer andre philosophen, die na 
hem quamen die dadender meer toe." Zoo voegden de bekende vee- 
artsen Absyrtus en Vegetius er nog ivoor aan toe en noemden het 
dan T. diapente. Ook het praeparaat van Nic. bevat meer dan 4 
simplicia; vandaar dat het minder gebruikt werd, dan de eenvoudi- 
gere van Avicenna, Rhazes, Haly, Serapio (Add.). 

Thyris, Thyrus. Nicolaus geeft de beschrijving van het dier... „entie 
rode ogen hebben ende hoorne entie tonge voerende. Die hoorn e 
sijn in die manieren van tarwecoorne." 

Tyseine, Ptisana. „Garste gesoden in borne dat es tysane" (Herb.). 

Tysike, phthisis, tering „Tysike dat es verteren vander substancien 



i) Aan de echtheid van dit boek wordt sinds lang getwijfeld. 

2) De usu Theriacae ad Pamphilianum. 

3) De declaratione nominum medicinarum, pars. Ii. 



273 

verschelt van den lichame van den mensce. De welke es meest bi verla- 
dingen vander longenen. Ende hoe soet comt, eist bi dattie reunie 
valt optie longere. so maect sire in .i. sweerkijn. dat altoes meerret. 
ende dats om dattie longene altoes roerende es ende en genen tijt 
stille. Ende wat dat open es in des menscen lichame dat begeert 
rusten saelt genesen. waerbi alse enege openinge es in hare so en 
mach si nemmermeer genesen .... Ende alse die longene in heeft 
enege openinge. bi wien wast in hare etter, dat en comet nemmer- 
meer uut. sonder dat natuurlyc wert scect (verwijderd) van hare 
met hoestene. Ende aldus so en consolideert si net. dat es en ge- 
neest .... Dit sijn die tekenen die de mensce heeft, die tysike es. 
eenperlike hitte ende dat in die palmen van de handen, ende in die 
planten vanden voeten, scarpen dorst met ruheiden vander tongen, 
tfleesch vanden halse verteert ende al die lichame mager, bestopt 
in den lichame van den camergange. die ogen hol ende swaerheit 
in die slinker scoudere ende in die slinke borst .... Nota. In wien 
tysike es geconformeert die en geneest nemmermeer. Die jonc onder 
.40. jaer werden tysike. die mogen quaelike leven boven .x. jaer. 
Maer die boven .40. jaer werden tysike. die mogender lange met 
leven" (D. B. s. v. M.). 

Titimallus, Tithymallus; Euphorbia helioscopia L. „Ende dits .1. groene 
cruut ende heeft blade als wilgen, ende als ment breect of snijt so 
vloyt melc daeruut" (Herb.). De plant vertoont gelijkenis met de 
Esula. In het Antid. wordt sap van t. gevraagd. Zie ook: anabula. 

Tragacanthum, zie: dragantum. 

Treme(e)rbloemen, zie: nenufar. 

Triasandali, een nogal veel gebruikt praeparaat, dat, volgens L T Gl., 
I jaar goed blijft. Men gebruikte het ook in de plaats van Trocisci 
santalorum van Mesue'). Bij N.M. is het n° 213 der Antidota. 

Tribulus marinus, „waternoot" (W.); Trapa natans L. 

Trifera. Van de vele verschillende recepten zijn de meest bekende: T. 
magna, dat, volgens LTGl. 2, volgens S. d. A., 3 jaar goed blijft 
en gegeven wordt als slaapmiddel, T. Saracenica (maior), dat i jaar 
goed blijft en vervangen kan worden door „scammoneata", T. Phoe- 
nonis (minor), T. Persica. Mesue geeft nog T. Galeni (niet van Ga- 
lenus), T. moscata en T. alia minor. N. M. geeft 4 recepten ^), N. S. 
geeft alleen T. Saracenica en T. magna, welke beide praeparaten in 
Frankrijk meer gebruikt werden, dan die van Mesue. 

Trifolium, klaver; Trifolium L. 



i) Manardus, Expos. sup. Mesue Antid. 
2) N'^ 209 — 211 der Antidota. 



274 

Trionfilon, Triomphyllon. Een praeparaat, dat niet gebruikt wordt en, 
volgens Add., niet gereed gevonden wordt in apotheken. Bij N.M. 
is het n° 2 12 der Antid. 

Troc(h)isci, Tps%«rxo? = klein rad. „Trosis este verstane .r. rontdinc dat- 
men heet .1. dop" (mnl. tekst). In de voorrede van P. v. Aeg. op 
Boek VII, cap. 12 leest men, dat er drie soorten zijn: inneem-, in- 
spuit- en inwrijfpraeparaten, hetgeen bij N.M. bijna letterlijk ver- 
taald is bij het hoofdstuk „Pastilli". -> 

Trocisci croci magnetis worden nogal eens gebruikt als bestanddeel 
van andere praeparaten, volgens Add. Bij N.M. is het n°. 50 der 
Pastilli. 

Trocisci de aniso worden soms gebruikt, men moet ze dus gereed heb- 
ben, leest men in Add. N. M. geeft geen gelijkluidend recept. 

Trocisci de tyrio, „die gaet in die grote triade galyeni" (mnl. tekst). 
Bij N. M. ') komt hetzelfde recept voor, maar met andere woorden. 

Trocisci diacoralli. Het recept komt niet voor in den mnl. tekst. Ze 
worden echter wel genoemd als bestanddeel van Tyriaca magna 
Galyeni en werden alleen gebruikt door hen, die de theriak maakten 
volgens Galenus. Bij N.M. vindt men ze als n° 54 der Pastilli. 

Trocisci diani, zie: t. diavi. 

Trocisci diar(rh)odon. Er bestaan vele onderling verschillende beschrij- 
vingen, maar men moet ze, volgens Add., maken volgens Nic, wil 
men ze in zijne andere praeparaten gebruiken. De volgorde dersim- 
plicia bij N.M. is gelijk aan die in F,. 

Trocisci diavi, t. diani. Grieksche hss. van N.M. hebben, volgens 
Fuchsius, Sta^tv, volgens hem waarschijnlijk een barbaarsch woord. 
Hij noemt het Diaion (7ov =: viola). Bij N.M. is het n° 48 der Pastilli. 

Trocisci ydiocri, t. hedychroi worden, volgens Add., niet veelgebruikt. 
Bij N. M. is het n° 49 der Pastilli. Hedychroi zou beteekenen : on- 
aangenaam van kleur. 

Trocisci squillitici worden, volgens Add., gebruikt, voor het maken der 
groote confectiones o. a. Theriak. Het recept van N. M. wijkt eenigs- 
zins af. 

Trosisken, zie: trocisci. 

Turbit(h), turpetum; wortels van Ipomoea Turpethum R. Brown, welke, 
volgens L T Gl., 5 jaar goed blijven. 

u. 

Uitwerpen, expectoreeren. 

I) N° 53 der Pastilli. 



275 

Umb(i)lici marini, umbelici m. „Sunt lapilli sirailes umbilico iuventi 

in littore niaris" (J. d. S. A.). Pomet en BI. hielden ze voor schelpen. 
Umbilici veneris, zie: scatuncelli en herba venti. 
Unguentum ad moUificandum splenem. „Ilkid unguentum non ha- 

betur in u.su, nee praeparatur" (Add.). N.M. geeft geen gelijkluidend 

recept. 
Unguentum agrippa, genoemd naar Herodes Agrippa, koning der Joden 

(144 na Chr.), die hiervan gebruik zou hebben gemaakt. N.M. geeft 
. geen gelijkluidend recept. 
Unguentum album werd, volgens Add., soms gebruikt om er door 

scabies aangetaste ledematen mede in te wrijven, N. M. geeft 2 re- 
cepten *). 
Unguentum aragon blijft, volgens D. N,, een jaar goed. Bij N. M. is het 

n° 48 der Zalven. 
Unguentum aureum komt niet voor in den mnl. tekst en L,, wel in L^ 

en Fj ; het zou, volgens Dorveaux, niet van Nic. zijn, maar afkomstig 

zijn uit het Dispensarium Nic. Prepositi (zie inleiding). Het blijft, 

volgens L T GL, 4 jaar goed. Bij N.M. is het n° 63 der Zalven. 
Unguentum citrinum. „U. c. es sine name omdat ment ziedt in enen 

geluwen appel" (mnl. tekst). Het bederft spoedig, door de axungia. 

Voor den reuk doen velen er meer campher in. Bij N. M. is het 

n° 42 der Zalven. 
Unguentum contra serpigmem komt niet voor bij N.M. Men baadt 

het lichaam, volgens Add., alvorens de zalf te gebruiken. 
Ungnentum dyaltea blijft 2 a 3 jaar goed. Bij N.M. is het n° 49 der 

Zalven. 
Unguentum fuscum, ook zwarte zalf genoemd. Bij N.M. is het n° 52 

der Zalven. 
Unguentum laxativum. De mnl. tekst raadt aan, deze zalf in een met 

was bestreken bus te bewaren. Na het gebruik mocht men 6 uur 

lang niet eten of drinken. Bij N.M is het n° 50 der Zalven. 
Unguentum marciaton „heeft sine name na enen fisisijn die .1. hooch 

philosophe was ende hiet marcianus . . . want si quam van hem ende 

hi vantse" (mnl. tekst). Volgens L T Gl. blijft het 3 jaar goed. N.M. 

geeft 4 recepten"), waareen (n° 46) overeenkomt met dat van N.S. 
Unguentum populeum. „Ung. popelioen es sine name omdat ment 

maect van popelbotten" (mnl. tekst). N.M. geeft 2 recepten'). 



i) N° 53 en 54 der Zalven, 

2) N° 3, 4, 5, 46 der Zalven. 

3) N° 17, 45 der Zalven. 



2/6 

Urtica, netelen, brandnetel; Urtica Tourn. In het Antid. komt ook 

netelsaet voor. 
Uva, „dat sijn wijnbesien. ende sijn van ,2. manieren, deen zuer ende 

dander soete" (Herb.). Druiven. Zie ook; passa. 
Uzifur, uxifur, uzufar, zengifur. „id est cinaber" (M. Sylv.). 

V. 

Valeriane, Valeriaan; V. off. L. 

Vas, zie: vat. 

Vat. In het Antid. komt het volgende vaatwerk voor; v. van tenne, gla- 
sijn V., v. met gaten, vas fictile (van aardewerk). 

Vede, penis. 

Venigriec, zie: fenugrecum. 

Venkel, zie: feniculum. 

Venter merguli, zie: mergulus. 

Vergadren, conficieren, bereiden, mengen. 

Verhitten. Dit geschiedt, volgens het Antid., super prunas (gloeiende ko- 
len), „boven tfier", „in een oven" of door het in de zon te zetten. 

Vermicularis , zie: crassula minor. 

Versc(h), vochtig, nat. 

Versc(h)eit, vochtigheid, sap (o. a. van eene plant). 

Vetonica, zie: betonica. 

Vijlsel, zie: limatura. 

Vinaria, zie: cuscute. 

Vincetoxicum, Hirundinaria, asclepias, Zwaluwwortel ; V. off. Mnch. 
Men gebruikte den wortel, die er uitziet als gentiaanwortel en, vol- 
gens L T Gl., 3 jaar goed blijft. 

Vinum, zie wine. 

Viola, viole, violette ; v. odorata L. Volgens J. d. S. A. en L T Gl. is de 
donkerste van kleur de beste. In het Antid. wordt ook sop van violen 
genoemd. 

Violetten, vyoletten, violetcruut ; hetzelfde als Viola. In den mnl. tekst 
wordt nog genoemd sop, cyroop, olye van v., groene, -witte v., v. 
die versch, droog sijn, violettenbladeren, sap v. violetcrude. 

Viscum quercinum, eikenmistel, riembloem; Loranthus europaeus 
Jacq. Eene in Zuid-Europa voorkomende Loranthacee, die op eike- 
boomen groeit. De ten onzent voorkomende Viscum album L. 
(maretak) wordt, volgens Hk., ook eikenmistel genoemd. 

Vitis, wingerd; V. vinifera L. „V. dats die wijngaert" (N. BI.). Zie ook: 
aqua vitae. 



277 

Vitriool, ijzer, koper en zinksulfaat. De naam zou, volgens Peters '), 

eerst in de 12e eeuw ontstaan zijn. 
Vleesch. In het Antid. wordt sop van vleesc gebruikt bij de bereiding 

van de massa der Pill. dyacast. 
Vlieder, zie: sambucus. 
Vloyen, vloeien. 
Vomitus nicholay, v, noster wordt, volgens Add., niet meer gebruikt. 

De modernen gebruiken de in het Antid. beschreven vomitiva niet 

meer. N. M. geeft geen gelijkluidend recept. 
Vomitus patriarchae werd op verschillende wijzen bereid. Men kan 

er ook pillen van maken. Volgens L T Gl. blijft het 2 jaar goed. 

N.M. geeft er geen recept voor. 
Vomitus valens tertianariis wordt, volgens Add., niet gebruikt. 
Vonden, gevonden. 
Vorder, verder, sterker. 
Vovum malanum. Niet duidelijk, wat hiermede bedoeld wordt. In Lj 

staat: bonum melanum, in L, bonum inalanum. 

w. 

Walken, kneden. 

Was, cera. In het Antid. komt voor root, wit w., wit magedijn w. en 

propolis. Zie ook: propolis en magedijn was. 
Waterkersse. Verschillende planten worden aldus genoemd. Zie: nas- 

turtium, cardamomum. 
Watermente, watermunt, balsemkruid, wilde balsem ; Mentha aquatica L. 
Wederijn roete, zie: roet. 
Wedewinde. Verschillende planten werden oudtijds zoo genoemd. In 

den mnl. tekst wordt watersilve bedoeld, kamperfoelie. 
Wegebrede, Plantago L. Men onderscheidt: P. maior L., ook arma- 

glossa genoemd; P. lanceolata L., de smalle w. en P. media L. In 

het Antid. komen voor: sop, dicoctie en saet van w. 
Werpend, waerpont, thus masculi. Zie: thus. 
Wieke, tampon. Zie: pessarum. 
Wierooc, zie: thus. 

Wine, wijn. In het Antid. kornen voor: sterke, oude, warme, gezoden, 
• witte w., vinum ascalonis. 

X. 

Xiloaloes, xyloaloes, silloaloes, zie: lignum aloes. 



l) Aus Phannaccut. Vorzeit. 



2/8 ) 

Xilobalsamum, xylobalsamum, sillobalsamum, zie: balsamum. 
Xilocassia, xylocassia, sillocassia, cassia lignea, zie: cassia. 

IJ, Y, zie: I. 
Z. 

Zalve, zie de verschillende unguenta. 

Zavelbloem, zie: sabina. 

Zedewale, zedeware, zedewaere, zie: zedoaria. 

Zedoaria, zedoarium, zurumbet; Rhizoma Zedoariae, af komstig van Cur- 
cuma Zedoaria Rosc. „Duo sunt genera, unum citrinum, aliud album ; 
quod est citrinum solidum non perforatum laudabilius est, citrinum 
rare invenitur; album ergo est eligendum, quod est acutum et con- 
tinuüm et solidum. per tres annos potest servari; ex citrino sophis- 
ticatur aloë ')" (L T Gl.). 

Zeem, honing. In het Antid. komt voor wit, gescuumt z. Zie: mei. 

Zeilsteen, zie: lapis magnetis. 

Zelver, zie: argentum. 

Zieden, koken. 

Zingiber, zinziber, gingebere, gingebare, gember; wortelstok van Z, off. 
Roscoe. LTGl. onderscheidt eene zwarte, onbruikbare en eene witte, 
goede soort. De gember blijft 2 jaar goed, wanneer men haar in 
peper bewaart, anders bederft ze spoedig. 

Zinziber, zie : zingiber. 

Zu(c)charum, zie: suker. 

Zuccozaria, zuccoraria. „Z., zuczocaria idest flos agni casti" (M. Sylv.). 



i) Er zijn 2 soorten, eene gele en eene witte. De gele, ongeschondene, zonder 

gaatjes is de beste, maar wordt zelden gevonden. Men moet dus de witte zoeken, 

die scherp is, en gaaf en vast. Drie jaar kan men het bewaren. Met de gele vervalscht 
men aloë. 



O 



BINDING SEOT. JUL löWü 



RS Nicolaus, Salernitanus 
79 Eene Middelnederland sche 

N53 vertaling van het Antidotariura 

1917 Nicolai 



PLEASE DO NOT REMOVE 
CARDS OR SLIPS FROM THIS POCKET 

UNIVERSITY OF TORONTO LIBRARY